Leesfragment: Memoires van een biograaf

02 maart 2018 , door Onno Blom
| | |

Volgende week verschijnt Memoires van een biograaf, het boek dat Onno Blom schreef over het schrijven van de biografie van Jan Wolkers. Lees bij ons alvast een fragment!

Bij het werken aan de opdracht van zijn leven – het schrijven van de biografie van Jan Wolkers – hield Onno Blom meer dan tien jaar lang notities bij van zijn ontdekkingen, ontmoetingen en overdenkingen. En van zijn herinneringen aan de laatste jaren van Wolkers, toen hij met hem bevriend raakte.
Op basis van die notities schreef Blom zijn Memoires van een biograaf, waaruit blijkt hoe zijn bestaan noodgedwongen, zij het niet per se à contrecoeur, verweven raakte met dat van zijn held. Tot in zijn dromen toe.
Dit is een autobiografie van een biograaf. Een eerlijke, intieme, sprankelende en geestige kroniek van intense toewijding en met gevoel voor het menselijk tekort.

N.B. Eerder plaatsten wij een recensie van Het litteken in van de dood en publiceerden we voor uit Onno Bloms bijdrage aan Het lievelingsboek als zelfportret.

 

*

Vannacht hoorde ik voetstappen. Ik stond op uit bed, liep in het duister over de gang en ging mijn werkkamer binnen. Ik knipte het licht aan en zag even niets dan sterren.Toen ik niet meer verblind was, keek ik om me heen. Niemand te zien.

Het viel me op hoe leeg mijn werkkamer was. Op de grond geen stapels boeken meer en alle verschillende versies van het typoscript met aantekeningen, die alleen nog een smal pad van de deur naar het bureau hadden opengelaten. De rij dagboeken, grote gebonden kasboeken met gemarmerd papier, waar ik tussen de pagina’s honderden papiertjes en geeltjes had gestoken, was verdwenen. De dozen met foto’s, reproducties en de bandjes bij de cassetterecorder waren opgeruimd. Allemaal terug naar Texel.
Het enige dat nog op me stond te wachten was het kloeke boek. Op het omslag keek Jan Wolkers me vernietigend aan.
Ik denk niet dat hij zal stoppen met spoken. Zijn leven en het mijne zijn verweven geraakt, onlosmakelijk met elkaar verbonden. In mijn dromen voer ik gesprekken met hem, hoor zijn slepende stem, hè. Meestal zijn onze conversaties vrolijk en vanzelfsprekend. Slechts een enkele keer klinkt zijn stem geknepen. Angstig.
Wolkers werd bij vlagen geteisterd door nachtmerries. Dat zijn jongens van het dak stortten en dat hij ze achterna sprong om ze in de lucht in te halen en met zijn lichaam op te vangen als zij de grond zouden raken. Nadat zijn moeder was gestorven, droomde hij dat hij ’s nachts in zijn tuin ging spitten. Door hagedissenstaarten van dode dennentwijgen stootte hij dwars door het veen op haar lijk. In ‘Speurtocht’ dichtte hij:

Met aanhangend water was zij haast te zwaar,
Ontlasting als een foetus, dichtgevroren;
Het kan geen wederopstanding zijn geweest.

Is het toeval dat het vak van biograaf wordt vergeleken met dat van de patholoog-anatoom? Elf jaar zijn er verstreken, elfhonderd pagina’s telt mijn biografie. Honderd pagina’s per jaar zijn overgebleven van de duizenden die ik heb overwogen. Bij elk woord dat ik schreef, schreef ik een ander woord niet.
Een dagboekanier ben ik nooit geweest. Ik heb het me vaak voorgenomen, en het ook wel eens een paar dagen geprobeerd, maar ik stopte er ook altijd weer snel mee. Ik miste de noodzaak, die ik wel onmiddellijk voel bij het schrijven van een stuk voor de krant of een verhaal.
Maar vanaf het moment dat ik met Wolkers overeenkwam dat ik zijn biografie zou schrijven, 26 september 2006, heb ik geregeld korte aantekeningen gemaakt – en ben daar tot de dag van vandaag niet mee gestopt. Omdat alles ineens materiaal voor een boek kon zijn en dus betekenisvol.
Van meet af aan heb ik het werk aan de biografie, de queeste naar de geest van Jan Wolkers, als een geweldig avontuur ervaren.Van dat avontuur ben ik notities blijven maken in moleskines, op losse velletjes en soms zelfs letterlijk in de marge van mijn uitgedraaide typoscript.
De biografie van een biografie.
Vanaf 14 oktober 2015 begon ik ‘memoires van een biograaf ’, gebaseerd op mijn notities, wekelijks te publiceren in de Volkskrant. Dat werkte geregeld als adhortatio, als aanmoediging voor het grote werk, dat nog op mij lag te wachten. In die stukken schoot ik kriskras heen en weer in mijn geheugen en de tijd.
Elke week, vlak voor de deadline van de krant, belde ik Karina,Wolkers’ weduwe, om haar mijn herinnering voor te lezen. Zo hoorde ik meteen of het ritme van mijn zinnen wel klopte. Een enkele memoire kwam vervolgens terecht in de biografie, die werd gepubliceerd op 19 oktober 2017, de tiende sterfdag van Jan Wolkers – de lezer van dat boek zal in dit boek onvermijdelijk veel herkennen.
Geregeld leverde het voorlezen van mijn stukjes aan Karina aanvullingen, associaties of een nieuw idee op. Die hebben hier een plaats gevonden, net als de herinneringen die ik nog niet kon prijsgeven.
Tot nu.
Ik haakte vannacht mijn blik uit de zijne, verliet de lege kamer en deed achter mij het licht weer uit. Ik stapte in bed en viel in een droomloze slaap.

*

De eerste keer dat ik Jan Wolkers ontmoette was in een boek. Een jaar of elf moet ik zijn geweest. Dat boek stond in de boekenkast van mijn vader. De jaren daarvoor was ik aan het lezen verslaafd geraakt door zijn jeugdboeken, die toen hij een jongetje was al klassiek waren geweest. In De scheepsjongens van Bontekoe van Fabricius en Jan van Beek van J.B. Schuil ging ik steeds opnieuw kopje-onder.
Ik herinner me dat ik eens, ver na bedtijd, Jan van Beek lag te lezen. Plotseling hoorde ik mijn moeder de trap opkomen. Snel wilde ik het lampje naast mijn bed uitknippen, maar brandde mijn vingers aan het ijzeren plaatje voor de lamp dat gloeiend heet werd na te lang gebruik. De tranen stonden in mijn ogen. Niet van de hitte van het lampje, maar van het boek.
Leven werd lezen.
In de kast van mijn vader stonden ze streng in het gelid: De donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans in een zwart linnen band, de reuzenpocket van Het stenen bruidsbed van Harry Mulisch, De Avonden van Gerard Reve.
Die dag begon ik boek voor boek de hele kast te verslinden – en ontwikkelde zo mijn smaak en het beeld van de Nederlandse literatuur aan de hand van mijn vader. Het waren de helden van zijn generatie.
De gouden regel van de etiquette voor de gentleman geldt q.q. ook voor de literatuur: je krijgt nooit een tweede kans om een eerste indruk te maken. Dat is volgens mij de reden dat de romans die je als jongen leest zich onwrikbaar vastklinken in je geheugen. De eerste boeken, eerste hoofdstukken, eerste regels en eerste woorden blijven bepalend voor je smaak en inzicht. Ze zetten de standaard – hoeveel prachtboeken, hoofdstukken, regels en woorden er ook op volgen.
Op dat moment was ik me daar in het geheel niet van bewust. Pas toen ik in1988 in Amsterdam Nederlandse taal- en letterkunde ging studeren merkte ik dat mijn helden in de letteren de helden van de vorige generatie waren. Niet die van mijn medestudenten.
Voor de studie deed ik het een, maar wilde het ander niet laten. Ik las nog altijd zo veel mogelijk Nederlandse klassiekers – daar zou de studie Nederlands toch ook met name uit moeten bestaan – én ik vrat mij door de allernieuwste romans en hippe dichtbundels heen.
Ik kocht mij arm aan romans in boekhandel Athenaeum op het Spui en keek met een schuin oog naar de drinkebroers in café De Zwart aan de overkant. De schrijvers van die boeken, halfgoden in mijn ogen, bleken ook nog eens echt te bestaan. Het zou een paar jaar duren voor ik de drempel van De Zwart durfde over te stappen. En bij alles bleef de liefde voor die allereerste boeken, en het tintelende gevoel dat ze bij me teweegbrachten, onaangetast.
Dat gevoel betrof met name een zilveren boek met fel opvlammende blauwe letters: Terug naar Oegstgeest. De titel intrigeerde me. Oegstgeest lag op de spreekwoordelijke steenworp afstand van waar wij woonden. We kwamen er wel eens doorheen, als we uit Leiden naar zee reden, maar uitstappen deden we nooit. In grote gebouwen, verscholen tussen de bossen, schenen in Oegstgeest gevaarlijke gekken te worden opgeborgen in gestichten. Waar waren die gekken dan? Wat was er in dat dorpje aan de hand? Vanaf de eerste zinnen van Terug naar Oegstgeest werd ik de Wolkers-wereld ingezogen. Diep verbonden voelde ik me met het jongetje in het boek. Ik verbeeldde mij dat ik net zo dromerig en zinnelijk was als hij, ik tekende en las net zo graag als hij.
Toch troffen mij vooral ook de verschillen tussen het gereformeerde jongetje dat werd geboren in 1925 als derde in een gezin van een elftal kinderen (‘jouw vader heeft ook niet stilgelegen,’ fluisterden Jans klasgenootjes als ze de rijke kinderschare over het grind voor de Mauritskerk zagen naderen) en opgroeide in de armoede van de jaren dertig en de schaduw van de naderende oorlog.
Zelf ben ik van 1969, het jaar dat Wolkers Turks fruit schreef en de mens op de maan landde. Ik ben de oudste in een klein gezin – ik heb één broertje van anderhalf jaar jonger – en groeide op in weelde, vrede en veiligheid. Het paradijs.
Ik vreesde de toorn van mijn vader niet. Op mijn billen stonden geen striemen van de gesel Gods. En mijn moe der was niet ‘zo listig als een slang’. Mijn ouders waren – en zijn – zachtmoedige, goddeloze lezers. Net als ik.
De kleine JanWolkers was, net als Jan van Beek bij J.B. Schuil, een echte kwajongen. Druk, grote mond. Trok op het schoolplein een roze korset aan dat hij in een vuilnisbak had gevonden en stak een stokje in de pijp van een meisjesonderbroekje. Jan van Beek werd door zijn streken van de hbs naar de kostschool van Buikie gestuurd, terwijl Jan Wolkers nu juist graag naar de hbs had gewild, maar door de Papegaai er niet werd toegelaten. De hoofonderwijzer vond de mulo wel hoog genoeg voor een jongen uit een straatarm kruideniersgezin.
In Jans rapport van de derde klas van de Leidsche Houtschool op Gereformeerde Grondslag staat te lezen: ‘Jan is lui en ongehoorzaam. De laatste weken is er enige vooruitgang merkbaar.’ In het tweede rapport: ‘Jans gedrag is wat beter, maar zijn vlijt is nog niet groot.’
Daar zat ik dan, vlijtig, me van geen kwaad bewust, het leven van een onhandelbare gereformeerde jongen te verslinden. Een lettervreter. Ik herkende alles in Oegstgeest zonder er ooit echt te zijn geweest. En ik wilde er telkens naar terug.

 

© 2018 Onno Blom

MINDBOOKSATH : athenaeum