Leesfragment: Mevrouw Osmond

11 maart 2018 , door John Banville
|

13 maart verschijnt de nieuwe roman van John Banville in de vertaling van Arie Storm: Mevrouw Osmond. Wij publiceren voor.

Isabel Osmond, gevangen in een verstikkend huwelijk, vlucht van Rome naar Londen, waar ze piekert over wat ze kort geleden heeft ontdekt: haar echtgenoot heeft haar gedurende vele jaren misleid. Wat moet ze doen, welke afslag moet ze nemen in het emotionele labyrint waarin ze al zo lang is verdwaald? Wakker geschud door het verdriet en de wetenschap dat haar groot onrecht is aangedaan, besluit ze om, net als in haar jeugd, voor haar vrijheid en onafhankelijkheid te vechten. Spoedig zal Isabel naar Italië moeten terugkeren om daar de confrontatie met haar echtgenoot aan te gaan en zich te bevrijden van zijn machtige greep op haar. Maar zal ze hem te slim af kunnen zijn?
 
John Banville blaast de heldin uit Henry James’ befaamde en verfilmde roman The Portrait of a Lady nieuw leven in: Mevrouw Osmond is een meesterlijke roman over verraad, bedrog en moraal, en biedt een opwindend en verrassend portret van een onvergetelijk personage.

N.B. Eerder besprak Emmi Schumacher Banvilles roman. Lees haar recensie op Athenaeum.nl. En Arie Storm lichtte voor ons zijn vertaling van Banvilles De onsterfelijken toe.

 

Deel een

I

Het was een dag geweest vol beroering en onrust, vol rook en stoom en gruis. Nu nóg voelde mevrouw Osmond het afschuwelijke schommelen en het ritme van de wielen van de trein dat maar doorbonsde in haar. Het leek wel of ze nog altijd aan het raam van het rijtuig zat, zoals ze daar ongelooflijk lang had gezeten, zonder iets te zien starend naar het eindeloos in alle zachtgroene pracht van die middag in de vroege zomer aan haar voorbijglijdende vredige Engelse platteland. Haar gedachten ijlden voort als de zich voortspoedende trein, maar anders dan de trein gingen ze nergens heen. Ze had nooit eerder zo precies het onstuimige malen van de geest kunnen registreren als nadat ze Gardencourt had verlaten. Het grote blazende en rokende beest dat met bruut ongeduld tot stilstand was gekomen in het bescheiden dorpsstationnetje en dat haar nog maar net had toegestaan plaats te nemen in een van zijn achterste rijtuigen – in haar vingertoppen voelde ze nog altijd het warme pluche en het vettige leer – stond nu, nahijgend van de enorme inspanning, onder het hoge, door roet zwartgeblakerde glazen dak van het pulserende eindstation en spuwde op het perron zijn vracht van beduusde en verkreukelde reizigers en hun door elkaar gegooide bagage uit. Nu, zei ze tegen zichzelf, in elk geval was ze ergens aangekomen.
Staines, haar dienstmeisje, was amper uit de trein gestapt of ze belandde al in een woordenwisseling met een stationskruier met een rooie kop. Als ze geen vrouw was geweest, dan zou van Staines worden gezegd dat ze een ferme kerel was. Ze was groot en mager, iemand die eigenlijk alléén maar bestond uit hoeken, met brede polsen en grote voeten, en een kaak die leek op het blad van een primitieve bijl. Gedurende de jaren dat ze in dienst van mevrouw Osmond was geweest, of beter gezegd – als je zag hoe na ze elkaar stonden – dat ze sámen waren geweest, was Staines’ toewijding aan haar meesteres niets afgenomen. Tijdens hun lange periode van ballingschap in het zuiden was haar trouw zelfs toegenomen en die toonde ze door de Italiaanse markten en de Italiaanse keuken te verdragen en, wat om een nog grotere inspanning vroeg, de Italiaanse loodgieters. Ja, haar standvastigheid had zich zodanig ontwikkeld dat mevrouw Osmond – Isabel – soms weemoedig verlangde naar een halve dag respijt van de meedogenloze, keiharde inzet van haar bediende. Tijdens hun recente reizen samen had Staines haar trouw voornamelijk bewezen met haar permanente ergernis tegenover niet alleen de onbeschaamdheid van portiers, rijtuigbestuurders, schoenlappers en dergelijke, maar ook jegens wat ze beschouwde als de opzettelijke onnozelheid, de betreurenswaardige goedgelovigheid en het ongeneeslijke zachtmoedige hart van haar meesteres. Nu, terwijl de meid, wier mutsje heen en weer zwaaide door de hevigheid van haar verontwaardiging, de kruier stond uit te kafferen om onduidelijke tekortkomingen – ze was een geboren Londenaar en oefende haar recht uit om met haar eigen soort en in haar eigen stad ruzie te maken –, liep Isabel een stukje weg met die grijsogige vriendelijkheid van haar die ze in de loop der jaren had geperfectioneerd tijdens vele vergelijkbare confrontaties van Staines’ wilskracht met de weerspannigheid van de wereld.
Ze verlangde naar het hotel en zijn zacht ademende koelte en schaduwrijke plekken, waar ze lange tijd volmaakt onbeweeglijk zou kunnen zitten en haar malende geest tot bedaren zou kunnen laten komen. Ze zou kunnen uitrusten als ze maar even kon ophouden met denken, maar hoe kon ze dát voor elkaar krijgen? De dood van haar neef Ralph Touchett op een avond kortgeleden in het huis van zijn moeder op Gardencourt – bijzonder om te bedenken dat er een precies aan te geven moment was, gemarkeerd door een tik van de klok, waarop voor hem de eeuwigheid begon – had haar opgezadeld met een moeilijke taak, als een meetkundige opgave of een algebravraagstuk. De oplossing was een passende wijze te vinden waarop ze kon rouwen om het heengaan van de jonge man. Eigenlijk kon haar neef niet langer jong worden genoemd, maar dat was hoe ze over hem dacht, en zo zou ze ongetwijfeld altijd over hem denken. Misschien was dat wel de grootste moeilijkheid, dat het niet juist leek om tranen te vergieten om een persoon wiens leven zo getekend was door het langzame wegkwijnen door een verwoestende ziekte dat hij nauwelijks een echt leven had geleid. Toen ze dat dacht, berispte ze zichzelf plotseling. Wie was zij om de kwaliteit van om het even welk leven te beoordelen, hoe kort of zwaar dat leven ook was? Achter die berispende gedachte lag echter een duisterder, niet te onderdrukken formulering, die luidde dat Ralph het intensiefste leven dat hij had gehad aan haar te danken had, door haar hartstochtelijk waar te nemen, door vanuit zijn zetel aan de rand van de ring met een verbaasde glimlach naar haar te kijken, naar haar adembenemende vluchten door de lucht, haar met lovertjes versierde landingen, heen en weer, hoog in het poederachtige licht, o zo hoog, onder de enorme nok. Om geleefd te hebben door middel van iemand anders, iemand van wie hij zelfs beweerde dat hij haar aanbad, was Ralphs ultieme overwinning geweest, en dat had de diepte van zijn val bepaald. Hoezeer wou ze nu dat ze tot die grootsheid die hij voor haar had gewenst in staat was geweest, die nog hogere sprongen, die nog gracieuzere pirouettes midden in de lucht, die frêle landingen op een enkele teen, die ruime buigingen met een zwanenhals en de armen wijd gestrekt. Als ze hem had opgetild, had ze hem ook laten vallen. Wat hij niet had kunnen bevroeden, wat hij niet voor mogelijk kon hebben gehouden bij iemand zo evenwichtig als zij, was de enorme, catastrofale duik van een etherische hoogte die ze had ingezet door met de volstrekt verkeerde persoon te trouwen.
Achter zich hoorde ze nu de onmiskenbare stevige stappen, en een ogenblik later doemde Staines op achter haar schouder, haar bescheiden verenkleed geplooid en krakend, en Isabel stelde zich in op het onvermijdelijke standje.
‘Wel verdraaid, daar bent u, mevrouw!’ zei de meid luid, want ze had een stem die even indrukwekkend en krachtig was als de rest aan haar. ‘Ik zocht overal naar u in deze elkaar duwende en aan elkaar trekkende mensenmassa.’
‘Ik liep alleen maar een stukje door,’ protesteerde Isabel voorzichtig, waarbij ze sussend glimlachte. Staines was echter niet in de stemming om tot bedaren te komen, en haar meesteres wachtte, bijna nieuwsgierig, hoe ze op de hoogte zou worden gebracht van dat gedoe op het perron van net, waar ze niet meer van had opgevangen dan een boze en vuile blik van de kruier en een gedempte vloek achter haar rug.
‘De arrogantie van die kerel!’ zei het dienstmeisje nu, en ze bolde blazend haar wangen zoals ze altijd deed wanneer ze verbolgen was. ‘Nou, ik heb hem op zijn nummer gezet, dat zeg ik u.’ Ze liet een nadrukkelijke stilte vallen toen ze haar strik weer in orde bracht, en toen ze verderging deed ze dat op een toon die eerder spijt uitdrukte dan afkeuring. ‘Natuurlijk, als hij geweten zou hebben dat u in de rouw was, twijfel ik er niet aan dat hij zich heel anders had gedragen.’

[...]

 

© 2017 John Banville
Copyright vertaling © 2018 Arie Storm / Em. Querido’s Uitgeverij BV, Weteringschans 259, 1017 XJ Amsterdam

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum