Leesfragment: Musch

22 mei 2018 , door Jean-Marc van Tol
| | | | |

Nu in de winkel: Jean-Marc van Tols historische roman Musch (Johan de Witt trilogie I)! Wij brengen de eerste pagina's.

Met historische gegevens als basis weet Jean-Marc van Tol in deze wervelende en intrigerende roman naast de ondergang van Cornelis Musch (1593-1650), de opkomst van Johan de Witt (1625-1672) op kleurrijke wijze tot leven te wekken. Hij doet dit aan de hand van memoires, getuigenissen, brieven en andere egodocumenten van verschillende hoofdpersonen uit het verhaal, onder wie (naast Musch en De Witt) Willem II, Frederik van Dohna, Jacob Cats en Constantijn Huygens. Een fascinerende vertelling voor iedereen die van vaderlandse geschiedenis houdt.

 

Koninklijke Hoogheid,

Begin jaren tachtig, toen ik zo ongeveer de leeftijd had die u nu hebt, waren uw vader en ik klasgenoten op een middelbare school in Baarn. Een unieke ervaring (voor ons beiden, vermoed ik) waar ik met groot plezier op terugkijk.
Wat me nog goed bijstaat van die woelige tijd – uw grootmoeder werd in die dagen beëdigd als Koningin der Nederlanden – is een zekere mate van jaloezie bij uw vader: hij leek jaloers op ons, zijn klasgenoten uit ‘normale’ gezinnen. Wij mochten na de lessen de dingen doen die pubers nu eenmaal doen, uw vader niet. Hij werd aan het eind van iedere schooldag door een chauffeur opgehaald en regelrecht naar Drakensteyn gereden, waar een gouvernante hem opwachtte met zijn huiswerk. Hij vertelde me eens – op klagende toon – hoe zwaar hij het had: naast zijn schoolvakken moest hij óók alles van zijn eigen familiegeschiedenis kennen. Hij werd daarin wekelijks onderwezen door een speciaal hiervoor aangetrokken historicus. Soms moest hij voor deze lessen naar het Koninklijk Huisarchief, zei uw vader. Hij besefte niet hoe jaloers hij mij hiermee maakte. Ik zag hem voor me, rondstruinend in de geheime archieven van uw Huis en ik wist dat ik mijn geluk niet op zou kunnen.
Ik weet niet of u aan hetzelfde regime bent onderworpen. Mogelijk heeft uw vader u die naschoolse lessen willen besparen. Misschien ook niet. Hij is tenslotte historicus. Wellicht heeft hij het onderricht in de familiegeschiedenis zelf op zich genomen? Hoe het ook zij, het kan geen kwaad kennis te nemen van de inhoud van dit boek.

Ik draag het aan u op vanwege Son Altesse Amalia van Solms, de prinses naar wie u bent vernoemd. Zij speelt – op de achtergrond – een belangrijke rol in dit verhaal. Omdat dit boek tevens draait om een jongeman die zich in later jaren zou ontpoppen als een van de grootste tegenstrevers van uw Huis, wil ik hierbij benadrukken dat mijn liefde voor deze persoon geenszins betekent dat ik mij distantieer van het Koningshuis, de Oranjes of van u.
Dit boek, waarvan alles – zover ik heb kunnen nagaan – gebeurd is zoals ik het beschrijf, bevat lessen voor een toekomstige koningin voor wie de belangen van haar volk boven die van haar eigen Huis gaan. Zoals het hoort.

Ik bied het u aan in de hoop dat u het wilt aanvaarden.

Soest, mei 2018,

Jean-Marc van Tol

 

1650

‘Zal de graaf een Oranje huwen?’
‘De graaf zal een Oranje huwen.’
‘Zal de prins zegevieren over Amsterdam?’
‘De prins zal zegevieren over Amsterdam.’
‘Zal het kind een jongen zijn?’
‘Het kind zal een jongen zijn. Hij zal Willem heten en koning worden.’

Gedenkschrift van Cornelis Musch
1

’s-Gravenhage, het huis te Brunswijk, december 1650

Als u dit leest, ben ik dood. Mijn einde is onvermijdelijk. Wanneer ik de laatste zin van dit gedenkschrift geschreven heb, leg ik mijn pen neer – voor eeuwig – en begeef me naar zolder. Daar pak ik een stoel, ga erop staan, doe de strop om mijn nek en zal ik mezelf verhangen. Mijn vijanden zullen eindelijk krijgen waar ze al die jaren om smeekten: de doodsstuipen van een mus.
Ik voel de bittere kou dit huis binnendringen, terwijl ik deze woorden schrijf. Buiten is het donker en guur. Het personeel heb ik tot na de kerst weggestuurd. Elisabeth en de meisjes zijn er niet. Ik ben alleen; alleen met mijn herinneringen, als een roerdomp in de woestijn.
Ik dwing mezelf te schrijven zonder oponthoud. Het is al december. Ik moet mijn verhaal verteld hebben voor de jaarwisseling. Een nieuw jaar luidt hoop in, zeggen ze, maar hoop is een illusie. Hoop is voor dwazen die de waarheid niet onder ogen kunnen – of willen – zien. Het jaar onzes Heren 1650 zal ik uitluiden met mijn dood. Dat tij valt niet te keren. De waterloop in de woestijn zal stoppen met stromen.
Toch weiger ik mijn einde deemoedig te ondergaan. Mijn hele leven heb ik tot het bittere eind gestreden: het past mij niet om roemloos te sneuvelen. Afgelopen nacht, woelend in mijn bed, wist ik opeens hoe ik het roer weer in handen kan nemen... door mijn verhaal wereldkundig te maken. Ik zal ten onder gaan, wetend dat ik de kwaadwillenden met mij meesleur in de onderaardse kolken. Ik lijd schipbreuk, maar mijn vijanden worden met mij in de golven verzwolgen.
Wie mijn gedenkschrift leest, zal het begrijpen. Al wat tot mijn ondergang leidde zal ik openbaren. Niets, maar dan ook niets, zal ik in dit geschrift verzwijgen.
Cunes zal deze verzegelde papieren vinden en – precies zoals ik het hem opdraag – bezorgen bij Breeckevelt in de Veenestraat. Die zal het drukken, ongetwijfeld in een grote oplage, zoals hij dat altijd deed met mijn teksten, die – zelfs anoniem – zonder uitzondering veel aftrek vonden. Deze keer mag, nee: móét, Breeckevelt mij met naam en toenaam op de titelpagina vermelden, zodat iedereen in de Republiek de redenen en motieven voor mijn zelfgekozen dood kan vernemen. Wie zal niet dit alles onthullende Gedenkschrift van Cornelis Musch willen lezen? Breeckevelt mag de opbrengst in eigen zak steken – wat heb ik aan geld, daar waar ik heen ga? Mijn beloning is de vergelding. Mijn vijanden trachtten mij te grieven met schampere woorden, maar ik zal hen door mijn tong vermoorden. Dit gedenkschrift is mijn ultieme wraak.
Lieden die het ongelezen laten, zullen zeggen dat ik door waanzin tot mijn laatste daad werd gedreven. Dat ik gek geworden was. Geloof me: ik ben niet waanzinnig. Ik ben bij mijn volle verstand als ik mijn leven neem. Ik voel mij helderder dan ooit. Laat niemand mij krankzinnigheid toedichten als reden voor mijn daad. Dit zelfgekozen einde is mijn wil. Ik begrijp de gevolgen van deze wilsverklaring en aanvaard die volledig, voor mij en mijn nageslacht.
Kwaadsprekers zullen zeggen dat ik bang was, ja, wanhopig misschien, omdat ik mij in het nauw gedreven voelde door het komende onderzoek van de procureur. Dat de vrees voor de aangekondigde Grote Vergadering in het nieuwe jaar mij te veel werd. Dat ik daarom geen andere uitweg meer zag. Kletspraat. Mijn hele loopbaan al zweren mijn vijanden mijn doen en laten te onderzoeken en hoe vaak zij ook trachtten mij daarmee ten val te brengen, het is hun nooit gelukt. Ik kwam altijd als overwinnaar uit de strijd. Waarom zou ik nu door vrees bevangen zijn? Het onderzoek van procureur Van Hijselendoorn doet me niets; het maakt me hooguit strijdvaardiger. Voorwaar, het is geen reden om mijzelf te verhangen.
De dood boezemt me geen angst in. De Bijbel zegt al: gij zijt stof en tot stof zult gij wederkeren. Ik kan het nu wel bekennen: ik geloof in hel noch hemel. Er is geen hiernamaals. Ik besef dat dit vreemd klinkt uit de mond van de man wiens naam op de eerste bladzijde van elke bijbel staat. Omdat ik als griffier der Staten-Generaal de Statenvertaling in ontvangst nam, staat mijn handtekening op het titelblad. Mijn naam is daardoor voor iedere rechtschapen gelovige onlosmakelijk verbonden met het Woord Gods.
Maar dit is de waarheid: toen ik een knaapje was kwam ik al tot het besef dat God geschapen is door de mens, en niet andersom. Epicurus had het bij het rechte eind toen hij verkondigde dat niet het dienen van God, maar het nastreven van persoonlijk geluk het hoogste goed in een menselijk leven is. ‘God’ is het woord dat wij gegeven hebben aan het verschijnsel ‘natuur’. De mens schiep God niet alleen om het onbekende te benoemen, maar vooral ook om zijn medemens in het gareel te houden met bangmakerij over hel en verdoemenis.
Na de plotselinge dood van mijn vader – requiescat in pace – wist ik diep vanbinnen dat de Here een verzinsel was. Het was omstreeks de tijd dat arminianen het land teisterden met hun theologische gezever over predestinatie. Ik volgde het debat vol afkeer. Hoe kan een hemel bestaan als het begrip voorbeschikking zulke tegenstrijdige kampen kent? Ik kan een hele verhandeling schrijven over het niet-bestaan van God, maar dat vergt te veel tijd en gaat ten koste van alle gewichtiger zaken die ik te vertellen heb. Religie interesseert me niet, behalve als instrument om mensen te beïnvloeden. Vanaf de kansel kan men het volk dirigeren. De talloze preken die ik in mijn leven heb aangehoord hebben me echter nooit doen twijfelen: God bestaat niet. U noemt het godslastering, ik noem het gezond verstand.
Laat niemand beweren dat ik in het bestaan van geesten of spoken geloof. Ik weet dat in vlugschriften geschreven werd dat Elisabeth en ik aan toverij deden en dat was zo. We hielden bijeenkomsten bij ons thuis voor selecte gezelschappen, waarbij ik Elisabeth in vervoering placht te brengen. Ik zette haar op een stoel en sprak geheimzinnige ‘Egyptische’ spreuken, terwijl ik mijn handen langs haar hoofd naar beneden liet glijden. Als ik haar schouders raakte, begon ze te schokken en met haar ogen te draaien. Ze brabbelde en prevelde. Ik maakte de toehoorders wijs dat ze in contact stond met eeuwenoude zielen die sinds de Egyptenaren boodschappen aan de levenden doorgeven, die slechts door enkelen kunnen worden begrepen.
Ik kan nu wel vertellen dat geen enkel bericht van gene zijde ooit is ontsproten uit een ander hoofd dan het mijne. Mijn contacten met het hiernamaals werden slechts ingegeven door het nut ervan. Als ik Elisabeth aanraakte en ze begon te murmelen, ‘vertaalde’ ik voor de angstige toeschouwers haar onverstaanbare gemompel volkomen naar eigen inzicht. Toehoorders slikten het voor zoete koek. De aanval op Amsterdam heb ik op die manier kracht bijgezet: ik verzekerde Zijne Hoogheid dat Elisabeth mij doorgaf dat de gunstige conjunctie van de maan en de planeten Mars en Saturnus uitsluitend kon wijzen op een aanstaande verandering van regering. De prins geloofde het onvoorwaardelijk. De waarheid is dat ik nooit een boodschap uit het geestenrijk heb doorgekregen. Geesten bestaan niet. Dood is dood.
Ik voel dan ook geen greintje gewetenswroeging. Ik ben er heilig van overtuigd dat wat een mens tijdens zijn leven doet geen enkele invloed heeft op zijn bestaan erna. Er ís geen bestaan erna. In de dood zijn we allen gelijk. Als men dus zegt dat ik zelfmoord pleegde uit gewetensangst, dan zal dit gedenkschrift die gedachtegang weerleggen. Ik vrees God niet, omdat Hij niet bestaat.
Spijt heb ik wel, op sommige momenten, nu ik terugdenk aan voorbije gebeurtenissen. Waar is het misgegaan? Wat had ik anders kunnen doen? Was ik bevangen door de laaiende hitte afgelopen zomer, waardoor ik fatale inschattingsfouten heb gemaakt en mezelf in deze positie heb gebracht, waarin mij nog maar één mogelijkheid, de laatste, rest? Ik weet dat deze vragen zinloos zijn – gedane zaken nemen geen keer. Maar ik zal de waarheid niet schuwen.
De gebruikelijke lasteraars zullen zeggen dat ik alles bij elkaar gelogen heb. Dat ik mijn hele leven al een leugenaar was, dat het liegen mij even makkelijk afging als praten. Deze schamperaars zullen mijn gedenkschrift afdoen als fantasie.
Het is waar, ik geef het toe: ik bén een leugenaar. Maar wat waar is voor de een is dat meestal niet voor de ander, en wat waar is op het ene moment is dat later vaak niet meer. Waarheid is wat mensen bereid zijn te geloven. Niets is rekbaarder dan de waarheid, besefte ik al jong. Ik ben ervan overtuigd dat dit inzicht aan de basis van mijn rijkdom en succes heeft gestaan. Ik weet de waarheid naar mijn hand te zetten, en ik ben daar goed in, al zeg ik het zelf. Dat talent komt een griffier zeer van pas. Hij moet de leugen zodanig kneden dat iedereen haar als waarheid aanvaardt. Maar: ik weet precies wat waar is en wat niet. Niemand kent de waarheid beter dan de leugenaar.
Ik zal in dit gedenkschrift getuigen van de waarheid. Ik zweer op het graf van mijn moeder dat ik in dit relaas geen feiten verdraai, verhul of verbloem. Mensen die dit lezen zullen weten wat mij er werkelijk toe bracht mezelf te verhangen. Zij zullen de waarheid kennen.

Ik ben bij mijn volle verstand, niet krankzinnig en heb geen wroeging. Ik spreek de waarheid en niets dan de waarheid. Dit gedenkschrift is mijn testament. Als u het leest, ben ik dood.

 

Gloria parendi
2

’s-Gravenhage, uit de geheime dagboeken van graaf Willem Frederik, stadhouder van Friesland

Woensdag 27 juli 1650

Daar ik op bevel van Zijne Hoogheid naar Amsterdam zal gaan en ik niet weet hoe de afloop van deze bijzondere en dubieuze onderneming zal zijn, in het besef dat niets zekerder is dan onze dood en niets onzekerder dan het uur van onze dood, heb ik mijn laatste wil opgesteld, bij mijn volle verstand, op mijn kamer, in het bijzijn van mijn secretaris Vegelin en mijn notaris Bouman, die deze wilsbeschikking beiden mede-ondertekenen. Ik verlang dat mijn wil wordt nagekomen, want als ik deze wereld verlaat, zo beveel ik mij aan in de handen van de Heer en bid Hem om vergeving van mijn zonden en misdaden, vergevende al mijn vijanden hetgeen zij mij hebben aangedaan. Als ik sterf tijdens de uitvoering van deze onderneming, dan is het voor de Ware Religie, voor de bevordering van het land en voor Zijne Hoogheid, naar het voorbeeld van mijn voorzaten, die hun leven evenzeer gewillig gegeven hebben voor het vaderland.

Mijn meubelen, schilderijen, tapijten, de huizen in Den Haag, mijn paarden, stal, linnen, koetsen, kabinetten, kortom: al mijn bezittingen, laat ik na aan Hare Hoogheid Prinses Albertine Agnes van Oranje- Nassau, haar biddende te geloven dat ik, haar dienaar, stierf, terwijl ik haar alle geluk, voorspoed en voldoening wens. Ik verzoek haar dit te aanvaarden in dank, opdat ze mij mijn vermetelheid niet euvel duidt, in de hoop dat ze gelooft dat het slechts geschiedde vanwege mijn liefde en genegenheid voor haar. Ik vraag haar deemoedig en onderdanig voortaan iets te dragen dat mij toebehoorde, een diamant of parelketting, elke dag, zolang die lieve prinses en schone engel leven zal. In de naam van de Allerhoogste. Amen.

Ondertekend door notaris Bouman, secretaris Vegelin en graaf Willem Frederik van Nassau-Dietz, op zevenentwintig juli zestienhonderdvijftig.

Donderdag 28 juli 1650

Naar de kerk geweest. Gebeden dat op alle plannen Gods zegen moge rusten en dat de afloop gunstig zal zijn, opdat Gods kerk, Zijne Hoogheids Huis en het gehele land bloeie als nooit tevoren. Heb mijn secretaris Vegelin bevel gegeven alles in gereedheid te brengen voor ons heimelijke vertrek naar Amsterdam morgen. Hij geeft de officieren opdracht zonder enige ruchtbaarheid te verzamelen bij Leidschendam.
Het was heel warm.

 

Johan en een bijna-koetsincident
3

’s-Gravenhage, logement van Dordrecht, vrijdag 29 juli 1650

Het is benauwd. Een deken van hete lucht slaat Johan in het gezicht als hij de voordeur achter zich dichttrekt. Hij beseft meteen dat hij niet op deze warmte is gekleed. De hitte buiten is hem ontgaan, verdiept als hij de afgelopen uren was in zijn studie naar kegelsneden. Is er nog tijd om iets luchtigers aan te trekken? Zal hij zijn overjas thuislaten?
Hij loopt door, de Nieuwstraat uit in de richting van het stadhuis. Zelfs als hij nog gelegenheid zou hebben om zich te verkleden, zou hij het niet doen: zijn vader verlangt dat zijn zoons er onberispelijk uitzien, ongeacht de weersomstandigheden.
Terwijl hij naar de Groenmarkt loopt, valt het hem op hoe ongewoon rustig het is op straat. De warmte weerhoudt mensen ervan de stad in te gaan. Normaal wemelt het plein van mensen die er hun dagelijkse boodschappen doen; nu is alles vreemd kalm. Twee bierbrouwers tillen een ton naar herberg ’t Goude Hooft, wat jongens hangen in de schaduw van de Vleeshal, een meid kuiert met een mandje in haar hand de Hoogstraat in.
Johan steekt de Groenmarkt over. Hij voelt de zon op zijn gezicht. De lucht is strakblauw. Een hond probeert wat druppels bij de zwengelpomp op te likken. Via het Halstraatje – in feite niet meer dan een smalle steeg – loopt Johan naar het Buitenhof. De bomen hier bieden nauwelijks verkoeling. Hij beent verder, het laatste pand aan zijn linkerhand voorbij, en als hij de hoek omslaat, ziet hij bijna onmiddellijk, een eindje verderop, in de schaduw van de Gevangenpoort – zoals afgesproken – een bekende gestalte: zijn broer. Precies op tijd. Johan herkent hem onmiddellijk. Bijna niemand, behalve hijzelf, is zo groot en lang als Cornelis.
Johan loopt naar hem toe, neemt zijn hoed af, maakt een hoofdknik en zegt: ‘Broeder.’
Cornelis doet hetzelfde. ‘Goedemiddag, broeder.’
‘Heb ik u lang laten wachten?’ vraagt Johan, zijn hoed opzettend.
‘Neen,’ zegt Cornelis, terwijl ook hij zijn hoed weer op het hoofd zet. ‘Ik kom ook net aan.’
‘Gelukkig.’
Samen lopen de broers door de Gevangenpoort naar de Plaats. Hier oogt het drukker, vanwege de rondrijdende koetsen, maar van de gebruikelijke bedrijvigheid op een vrijdagmiddag is geen sprake. Men zal naar het lommerrijke Haagsche Bosch zijn uitgeweken.
‘Hoe was het bij Van Berckel?’ vraagt Johan. Ze passeren het Groene Zoodje en lopen tussen de bomenrijen van de Lange Vijverberg. ‘Is het je bevallen?’
Cornelis kijkt vrolijk, gelukzalig bijna. ‘Zeker, Johan. Mijnheer de ontvanger-generaal is uiterst voorkomend,’ zegt hij. ‘Bijzonder attent en beschaafd. Ik voel me meer dan welkom in de familie.’
‘Gelukkig, broeder. Ik ben blij voor u.’
‘Ik ben er graag. Ik bedoel, bij Maria. Ik ben momenteel het liefst zo veel mogelijk bij haar. En zij ook bij mij. Ze fluisterde gisteren in mijn oor dat ze om mij haar vader vaak naar Den Haag zal vergezellen.’
‘Goed om te horen, Cornelis,’ zegt Johan. Hij glimlacht. ‘U hebt het maar getroffen.’
‘Zeker, Johan, dat besef ik.’ Cornelis lacht. ‘Ik kan bijna niet geloven dat ze over een maand mijn vrouw zal zijn. Soms word ik wakker en knijp ik mezelf, Johan. Echt, ik knijp mezelf! Zo!’ Hij pakt lachend met zijn rechterhand zijn andere onderarm en toont hoe hij zich knijpt.
‘Ik geloof u.’
Op een serieuzere toon gaat Cornelis verder: ‘Ik weet niet waar ik dit aan te danken heb. Ik heb nog maar zo weinig gepresteerd.’
‘Weinig gepresteerd? De heer Van Berckel heeft het getroffen met de jongste schepen van Dordrecht als aanstaande zoon.’
‘Dank u, dank u. Maar toch... ik weet het niet, broeder. Soms beangstigt de toekomst me. Ik hoop dat ik aan alle verwachtingen kan voldoen. Hebt u dat niet?’
Johan antwoordt niet. De toekomst jaagt hem geen angst aan. Niet op de manier zoals Cornelis het bedoelt. Hij wil zich niet bezighouden met de vraag of hij ‘het kan waarmaken’.
Ze lopen langs de Hofvijver. De huizen aan de Lange Vijverberg behoren van oudsher aan de allerrijkste inwoners van de Republiek. Ze passeren het Friese Hof, het Haagse verblijf van graaf Willem Frederik van Nassau-Dietz. Een waar stadspaleis. Het laatste pand, helemaal op de hoek van de Vijverberg, kennen de broers goed: het logement van Dordrecht. Ze komen er van jongs af aan al met hun vader.
Johan en zijn broer lopen de ingang van het logement voorbij en slaan de hoek om naar het Tournooiveld. Bij de zij-ingang staat de koets gereed. Vader De Witt leunt naast het rijtuig op zijn wandelstok. Maarten, de trouwe knecht van zijn vader, houdt de teugels van de paarden stevig vast.
De broers lopen naar hun vader, nemen tegelijkertijd hun hoed af en maken een diepe buiging.
‘Vader.’
‘Goedemiddag, zoons.’
Maarten haast zich het portier voor de drie heren te openen.
‘Dank je, Maarten,’ zegt vader De Witt, terwijl hij in de koets klimt. Cornelis stapt als tweede in en gaat op de bank naast zijn vader zitten. Johan neemt plaats tegenover hen; als jongste moet hij achteruit rijden. Het rijtuig is krap, zeker voor de meer dan gemiddeld lange lijven van de broers. Johan moet zijn benen intrekken om de knieën van Cornelis niet te hinderen. Als Maarten het portier heeft gesloten en op de bok is gesprongen, tikt vader De Witt met zijn wandelstok drie keer ferm tegen het dak. De wielen zetten zich piepend en krakend in beweging.
De temperatuur in de koets is onprettig. Hun vader staart stoïcijns, beide handen leunend op de knop van zijn stok, zwijgend voor zich uit, alsof hij geen last heeft van de hitte. De kwellingen der natuur hebben geen vat op iemand als hij, oud-burgemeester De Witt, zo lijkt het. Als het niet zijn vader was die tegenover hem zat, dan zou Johan nu een opmerking maken over het weer, maar hij doet het niet, wetend dat dit soort beuzelarijen niet op prijs wordt gesteld.

[...]

 

© 2018 Jean-Marc van Tol

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum