Leesfragment: Neerslag van een huwelijk

17 maart 2018 , door Mensje van Keulen
| |

6 april spreekt Mensje van Keulen de achtste Kousbroeklezing uit, zondag wordt ze geïnterviewd bij VPRO Boeken, en vandaag brengen wij een fragment uit Neerslag van een huwelijk. Dagboek 1977-1979. Lezen!

Neerslag van een huwelijk is Mensje van Keulens dagboek over de periode 1977-1979, de jaren waarin haar huwelijk onder druk staat en ten slotte op de klippen loopt, iets wat samenvalt met haar zwangerschap en de geboorte van haar zoon. Op bijna schokkend openhartige wijze geeft Van Keulen inzicht in hoe man en vrouw elkaar dwars kunnen zitten, zonder dat ze dat zelf in de gaten lijken te hebben. De vrije huwelijksmoraal van eind jaren zestig blijkt zijn keerzijde te hebben, begeerte en jaloezie, list en bedrog, ze zijn van alle tijden.

N.B. Eerder publiceerden op Athenaeum.nl we voor uit Schoppenvrouw en uit Liefde heeft geen hersens.

 

1 januari 1977

De klok op de televisie sloeg twaalf. Gelukkig nieuwjaar.
We waren in het appartement van John J., die er net twee dagen woonde. Fl 150.000 voor drie kamers en dat schijnt mee te vallen. Een paar jongetjes op de Nieuwe Herengracht staken vuurwerk af. Ik moest, zoals elk jaar, denken aan de kerstbomenjacht vroeger in mijn Haagse buurt, de fik die het afsloot, soms zo gigantisch dat er ramen sprongen.
C kwam, ging bij Lon in een hoek zitten en is er niet meer uit gekomen. Uiteindelijk zaten ze belachelijk ernstig te fluisteren. Om me heen deed iedereen of er niets aan de hand was en ik probeerde te luisteren en af en toe deel te nemen aan het gesprek en mee te lachen, terwijl mijn hart als een gek tekeerging.
Gelukkig nieuwjaar.
Ik liet de auto staan op de gracht, ter hoogte van het Vrouwenhuis, waar straat en stoep schoon waren. Het was tussen vijf en zes. Ik rende zowat naar huis, zag mijn witte laarsjes stappen. We zeiden geen woord. Gingen naar bed. Geen woord. Toen Lon sliep ging ik naar mijn kamer, dronk een glas whisky en viel op het logeerbed in slaap.
Een of twee uur later stond Lon naast me. Hij kroop bij me in het smalle bed. We gingen naar boven, sliepen verder. Toen we ontwaakten, was hij aanhankelijk, ik bleef voor dood liggen. Op een gegeven moment ging ik overeind zitten en zei zonder erbij na te denken: ‘Thee? Koffie?’
‘Blijf nog even liggen.’
En toen, ik weet niet meer hoe ik begon, stroomden de woorden eruit. Af en toe hoorde ik mezelf van alles uitroepen. Hij bleef geduldig, veegde mijn tranen weg.
Ik zei het ineens: ‘Ik weet zeker dat je wat met haar hebt. Ze kijkt naar me of ze last van haar geweten heeft of iets van me wil. Wat een plaatje vannacht, niet om aan te zien!’ Ik ging maar door en hij liet me maar praten, werd niet kwaad, liep niet weg. Het kan niet waar zijn, dacht ik. Het kan niet, het mag niet, ik heb zelf ook wel wat te vertellen. En zal dan meteen erachteraan zeggen: ‘Maar het stelde niets voor.’ Dat cliché, al is het gemeend. Zou het helpen? Zou het juist erger worden? Hij kan de laatste tijd zo onverschillig, koud zijn.
Hij ontkende. Noemde me achterdochtig. Te veel fantasie. Hij suste. Het maakt hem gelukkig als ik aan het werk ben, zei hij. Mij ook, zei ik, maar het gaat niet en dat komt ook omdat jij zo anders bent, al een hele tijd. Hij liet het zich zeggen. Het was of ik weggleed, alles voelde schamel, de woorden, de inhoud van de woorden, mijn aanwezigheid, ik was niet meer dan wat vlees, iets wat bij elkaar geveegd was.

3 januari

De zaal van Bellevue, waar het VPRO-programma Piet Ponskaart wordt uitgezonden, was opgeluisterd door slingers, lampjes, topless juffrouwen die taartjes en cider ronddeelden. Henk Spaan oogstte succes, naast Brandt Corstius en Wim T. Schippers. Ook zijn versje (onderwerp: met wie doe je het het liefst?) viel goed bij het publiek. Simon van Collem, Jan de Bont en Monique van de Ven werden geïnterviewd. Na afloop van het programma gingen we naar Américain. In een groot gezelschap zitten voelt altijd onwennig.

‘Ik kan niet meer werken,’ zegt Eva Biesheuvel. ‘Om Maarten. Ik moet thuisblijven.’
Maarten had de hele dag in bed gelegen, hij had liggen piekeren, was er moe van. Na het eten ging hij met een slaappil weer naar bed. Eva is altijd in zijn buurt. Ik zou gek worden als ik dagenlang een man om me heen zou hebben. Ondanks alles heeft Maarten het afgelopen jaar een aantal verhalen geschreven. Ik zeg hem dat ook herhaaldelijk en hoop dat het hem troost.

5 januari

De assistente van Thomas Rap had me wat te vertellen, zei ze. En ze vertelde dat Rap zijn uitgeverij naar Baarn wil verhuizen en dat ze niet mee wil. Ze zou sowieso ontslag nemen, want ze had er genoeg van. Waarvan? ‘Streken,’ zei ze en legde met ‘ssst’ een vinger tegen haar lippen.
Ze heeft ook haar buik vol van feministen, wil een eigen uitgeverijtje beginnen voor uitsluitend vrouwen, maar niet voor radicale vrouwen. Of ik dat geen goed idee vond? Ik raadde haar aan Boosaardige Boeken uit te geven in de z.g. BoBoreeks.
Mijn verzoek de boeken die ik uit de voorraad mee naar huis wilde nemen op mijn rekening te zetten, wapperde ze weg met: ‘Pak maar, neem maar mee als rente voor het geld dat hij je niet uitbetaalt.’
Ze gaf me het boek van Van het Reve met etsen van Pannekoek, waar nauwelijks meer aan te komen is. Ik maakte haar duidelijk niet bij De Arbeiderspers weg te gaan, maar ze bleef erbij dat ik het meenam. Mede door een fles malt whisky scheurde het plastic tasje waar de boeken in verdwenen.
Heeresma, die bijna dagelijks bij Rap langskomt, kwam binnen met zijn zoon. De zoon is af en toe een echo van zijn vader, hij dient ook als een wandelend bureau: stencils komen uit de ene zak van zijn jas, aantekeningen verdwijnen in de andere zak.
Toen ik thuiskwam was het huis grotendeels opgeruimd door mijn moeder. Lieve ma. Ze had er schik in met ons bij Arti te eten, was geestig. Ze bleek de nieuwste plaat van de Eagles te hebben gekocht, omdat Danny de deur uit is en ze zijn muziek mist.

Vannacht heb ik Matti door de wijn te meegaand lieve woordjes toegefluisterd. Ik geloof dat ik toe moet geven dat de hartstocht over is, dat ik die alleen voor hem kan oproepen als ik heb gedronken en als hij er goed uitziet en niet al te domme dingen zegt. Ik erger me aan zijn te korte broek en lelijke schoenen. Als hij zegt dat ik hem ontloop, wuif ik het weg. Hij bemint jong en wild en het lukt me dan wel mijn ogen te sluiten en het puur om het genot te ondergaan. Soms is het of ik zijn verdriet voel en ik hoop dan zo dat ik me vergis en doe mijn best hem lief te vinden, wat hij tenslotte ook is.

Post. Twee verzoeken om voor te lezen. Een uitnodiging voor de opening van een tentoonstelling van een kunstenaar die ik niet ken. Een uitnodiging voor een receptie ter gelegenheid van het vijfjarig bestaan van restaurant Les Quatre Canetons. Grote bruine enveloppen met mogelijke kopij voor Maatstaf, zoals wel vaker aan de randen gescheurd. In een ervan een kopie van de brief die Martin Ros naar Hannes Meinkema (die onlangs in een interview opmerkte als schrijver ‘niet het Mensje van Keuleneffect te willen, maar het Hermanseffect’) heeft gestuurd. Dat schiet dan lekker voor haar op met een afwijzing van haar verhaal. Martin doet in die brief overigens – foei – of dat negatieve oordeel niet aan hem ligt, maar aan de andere redacteuren.

Zondag

Donderdag liet George Lampe me in zijn atelier in Den Haag zijn laatst vervaardigde schilderijen zien. Daarna toonde hij me foto’s van een paar jaar terug. Hij stond er zelf bloot op, op een ervan lag Bibeb achter hem op bed. Er waren foto’s van naakte modellen, sommige op een kluitje, close-ups van een kut. Het was gênant ze door te bladeren terwijl hij naast me zat. Ik voelde zijn geilheid en wist telkens net wat ik moest opmerken om hem op afstand te houden. Later op de avond, bij ze thuis, werd ik ineens zo somber dat de helft van wat ze zeiden niet tot me doordrong.

[...]

 

© 2018 Mensje van Keulen

MINDBOOKSATH : athenaeum