Leesfragment: Paris-Austerlitz

22 juni 2018 , door Rafael Chirbes
|

Nu in de winkel: de laatste roman van Rafael Chirbes, Paris-Austerlitz, in de vertaling van Eugenie Schoolderman. Wij brengen de eerste pagina's!

In Paris-Austerlitz van Rafael Chirbes kijkt een jonge schilder uit de gegoede middenklasse van Madrid terug op zijn verhouding met Michel, een wat oudere arbeider, in Parijs. Zelf was de schilder op de bonnefooi naar Parijs gegaan om zich los te maken van zijn familie. Michel biedt hem zijn bescheiden onderkomen, zijn bed en zijn liefde. Onbezorgd en gelukkig zijn ze samen. Tot de tegenstellingen toch te groot blijken: afkomst, opvoeding en leeftijd gaan in de weg zitten, en aan de onschuld komt een eind. En nu ligt Michel, die de jongeman redde van de eenzaamheid en hem zijn trots teruggaf, in het ziekenhuis. Ingedikt tot het uiterste, schreef Chirbes met Paris-Austerlitz een intense roman over de liefde.

Ik maakte grapjes, plaagde hem en lachte, terwijl we over het grindpad wandelden. Hij was er altijd wel voor in. Kwam ook met geestige anekdotes over dingen die we samen hadden meegemaakt. Zijn korte oudemannenstapjes werden steeds kwieker. De middagen waarop ik bij hem op bezoek ging in het Hôpital Saint-Louis, leek het alsof de wond die onze onenigheden hadden achtergelaten, begon te helen (maintenant on s’aime comme des bons amis) en alsof zelfs de ziekte er even niet was. Een schittering van onschuld zweefde tussen de stralen van de winterzon, waaraan we ons op een bankje in de tuin tegoed hadden gedaan. Maar wanneer het tijd was om afscheid te nemen, bleef hij onbeweeglijk voor de deur staan en staarde in de leegte met die gelige ogen van hem die volliepen, en dan wisten we allebei dat de adempauze voorbij was: net zomin als de ziekte hem met rust liet, boden mijn bezoekjes hem troost. Zoals zijn vriendin Jeanine zei: ‘Het doet hem pijn je te zien, je brengt herinneringen bij hem boven, je strooit zout in de wonde.’ Zonder om te kijken vertrok ik en ging naar een van de cafés rond de Place de la République om een paar glazen calvados achterover te slaan.

 

1

Laat op de avond ging ik naar de Marokkanenbar. Ik was daar vaak samen met hem geweest. Maar nu bevond Michel zich niet meer onder de schaarse gasten die er op dat uur nog bleven drinken. Hij was verhuisd naar een parallelle stad. Vanuit de keuken van mijn woning kon ik de slecht verlichte binnenplaats zien met aan de andere kant, in duisternis gehuld, het raam van de kamer die we hadden gedeeld. Ik probeerde niet aan hem te denken, hoe hij op dat tijdstip in zijn ziekenhuiskamer lag, de naald van het infuus in zijn hand en het zuurstofmasker over zijn gezicht. Ondanks de pijnstillers die hij kreeg – of juist daardoor – had hij last van nachtmerries. Hij zei dat hij werd vastgebonden op zijn bed en werd gedwongen gruwelijke beelden te bekijken op een scherm dat ’s nachts in zijn kamer werd gezet. Hij leed aan hallucinaties. Wat konden ze hem nou laten zien, hij klaagde immers steeds dat hij amper meer iets zag, al heb ik altijd het gevoel gehad dat er wel iets van waarheid school in dat vastbinden. Ik kan me zo voorstellen dat het, zeker in het begin, niet eenvoudig zal zijn geweest om zijn woedeaanvallen in te tomen, en daar komt nog eens bij dat slachtoff ers van de plaag door artsen en verpleegkundigen vaak worden behandeld met een mengeling van afk eer, wreedheid en minachting. We raken allemaal ondersteboven van het raadselachtige verloop van de ziekte, van de heft igheid ervan. We raken allemaal van slag.
Ondanks mijn pogingen om een praatje aan te knopen zei niemand ooit een stom woord. Ze keken wantrouwig naar me, misschien omdat ik daar altijd in spijkerbroek, leren jack of donsjas kwam, terwijl ze me overdag op straat, op de terugweg van mijn werk of in de rij bij de bakker of de groenteboer, altijd in keurige blauwe jas, colbert en stropdas zagen. Zo’n kerel aan wie te horen was dat hij zijn Frans had geleerd op het Lycée français in Madrid, ondersteund door privéles van moedertaalsprekers, en het nog eens had geperfectioneerd op talenscholen in Bordeaux en Lausanne: ze konden het vast niet erg waarderen dat zo iemand in hun café kwam. Ze waren ervan overtuigd dat ik van de narcoticabrigade of van de vreemdelingenpolitie was, een bemoeial die zijn neus graag in stinkende zaakjes stak, waar ze die ook verborgen hielden, of in het gunstigste geval dachten ze dat ik een journalist was of zoiets, iemand die ver van hun wereld af stond, of – nog erger – uit een wereld die op voet van oorlog stond met de hunne. In dat onopvallende café, waarvan de meeste buurtbewoners niet eens wisten dat het bestond, omdat het in een hoekje van een achterafsteegje zat, werden niet alleen cocaïne en hasj verhandeld, gebruikt, gekocht en verkocht, maar ook menselijk vlees van elk geslacht en elke leeft ijd, en arbeid in elk stadium van illegaliteit. Het kon niet anders dan dat ze zich afvroegen wat zo iemand als ik te zoeken had in dat duistere labyrint waarin Michel de laatste maanden de weg was kwijtgeraakt. De goedgeklede knaap die met de dronken arbeider Michel optrekt. Die zuiplap Michel neukt. Die hem daar ongetwijfeld voor betaalt, omdat hij een rijke viezerik is die opgewonden raakt van randfi guren. Zulke lui heb je. Ze snuff elen rond in de metrotunnels en langs de kademuren. De katholieke santenkraam grossiert in dit soort perverse geesten. Dat je opgewonden raakt van andermans armoe, probeert nog een smeulend restje door nederlagen bijna opgebrande energie te ontdekken en dat dan wilt opslorpen, je die vonken toe-eigenen, dat is toch ziekelijke liefdadigheid. Al denk ik dat de redenering van de stamgasten een stuk eenvoudiger was: die verklikker die aan Michel klit om ons te bespioneren.
Ze waren erbij geweest, de keren dat ik hem bij zijn elleboog had gepakt en hem zo ongeveer had meegesleurd, omdat hij op zijn benen wankelde en de klanten en barmannen uitschold. Toch bekeken ze hem nooit met wantrouwen, ze pikten het van hem wanneer hij weer eens dronken was en reageerden lacherig en met dubbelzinnige opmerkingen op zijn getier: Wat is er, Michel? Staat er soms iets in brand? Kom, kom maar, ik ken wel een spuitgast, kom, dan stel ik je aan hem voor, waarop Michel moest lachen en de grapjas in zijn nek pakte, hem twee zoenen gaf, en er vervolgens samen met hem tussenuit kneep. Het gebeurde ook wel dat de cafébaas of een van de barmannen hem na sluitingstijd liet zitten, met zijn kop op een tafeltje, dronken of in slaap gevallen, en dat andere gasten hem dan wakker maakten en hem meevroegen om ergens anders verder te drinken of wat dan ook, om in het donkere Bois de Boulogne te verdwijnen of bij iemand thuis te belanden. Volgens mij bestaat er in het nachtleven iets van respect – een zekere bewondering zelfs – voor een oudere man die nachten doorhaalt, fl irt en drank en drugs gebruikt alsof hij nog altijd twintig is. Waar ze zich bij ieder ander aan hadden geërgerd, waar ze streng of zelfs hardhandig tegen hadden opgetreden, daar kwam hij allemaal mee weg. Als je hem niet kende, zou je misschien denken dat hij bij het groepje uitsmijters hoorde, zo’n kerel die een extra drankje verdiende door elke idioot die onbeschoft deed tegen de barman of tegen degene naast hem aan de bar bij zijn kraag te grijpen en eruit te zetten. Hij was op zijn leeft ijd nog steeds een potige kerel die eerder kracht uitstraalde dan aft akeling.
Maar Michel hoorde niet bij het groepje uitsmijters. Hij moest niets van hen hebben. Hij liet zich niet met hen in, en al groetten ze hem met iets wat op respect leek, hij liep tussen hen door zoals Garou- Garou, dat Franse fi lmpersonage uit de jaren vijft ig, door muren heen liep. Hij bezat niet eens een speciale status – machtig, gevreesd of begeerd vlees of iets van dien aard –, zoals ik, waarschijnlijk ingegeven door jaloezie, op den duur ging denken. Alleen, hij was geen rijke kerel, en ook geen tipgever van de politie of journalist, hij was een van hen. Ze weten precies van elkaar waar de ander staat en waar hij zich mee bezighoudt, zei hij, toen hij me daar kort nadat we elkaar hadden leren kennen, mee naartoe nam. Jij vindt het sfeertje maar weinig verheff end, of gevaarlijk zelfs, ha, je doet het in je broek, je noemt het louche, en hij lachte: Monsieur ne les trouve pas à la hauteur, maar dit is mijn wereld. Van iemand die is zoals je zelf bent, heb je niets te vrezen, en je maakt ook geen misbruik van hem, je weet hoe je je tegen hem moet beschermen en in zekere zin bescherm je hem ook: je neukt hem en dat was het dan weer.

[...]

 

© De erven van Rafael Chirbes, 2016
© 2018 Nederlandse vertaling Eugenie Schoolderman

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum