Leesfragment: Rode hongersnood. Stalins oorlog tegen Oekraïne

04 februari 2018 , door Anne Applebaum
| |

25 januari verscheen Rode hongersnood: het verhaal van de hongersnood van Oekraïne, opgeschreven door Anne Applebaum (vertaling door Bep Fontijn en Willem van Paassen). Lees bij ons een fragment.  

In Rode hongersnood vertelt Anne Applebaum het onthullende en controversiële verhaal over de hongersnood die Oekraïne doelbewust veroorzaakte, en die tot op de dag van vandaag sporen achterlaat.

In 1929 lanceerde Stalin de collectivisatie, die Sovjetboeren dwong hun land en bedrijf op te geven voor nieuwe collectieve boerderijen. Het resultaat was een enorm voedselgebrek, dat de meeste doden veroorzaakte in de Europese geschiedenis. Tussen 1931 en 1933 stierven er vijf miljoen mensen van de honger. Anne Applebaum onthult in dit boek dat drie miljoen van deze doden, in de Oekraïne, niet slechts slachtoffer waren van een ongelukkig beleid, maar eerder van een doelbewust plan om een groot deel van de Oekraïense bevolking te vervangen door Russisch sprekende boeren. Oekraïne moest, naast de graanschuur voor de Sovjetsteden, een buffer worden tussen de Sovjet-Unie en Europa. Toen de provincie in opstand kwam, sloot Stalin de grenzen en stopte hij de toevoer van voedsel.

Een ongekende en catastrofale hongersnood was het gevolg. Mensen aten alles wat voorhanden was: gras, boomschors, honden, en in sommige gevallen zelfs elkaar. Rode hongersnood vertelt het schokkende verhaal van de Oekraïense genocide.

N.B. 21 februari geeft Anne Applebaum de achtste Marchantlezing in Utrecht. En op Athenaeum.nl bespraken we eerder Applebaums IJzeren gordijn.

 

De Oekraïense kwestie

Inleiding

Eeuwenlang werd het lot van Oekraïne bepaald door de geografie van Oekraïne. Het Karpatisch Gebergte gaf de grenzen aan in het zuidwesten, maar de glooiende bossen en velden in het noordwestelijk deel van het land konden binnendringende legers niet tegenhouden, en ook de weidse open steppe in het oosten kon dat niet. Alle grote steden van Oekraïne – Dnjepropetrovsk en Odessa, Donetsk en Charkov, Poltava en Tsjerkasy en natuurlijk Kiev, de oude hoofdstad – liggen op de Oost-Europese Vlakte, een vlak gebied dat zich over het grootste deel van het land uitstrekt. Nikolaj Gogol, een Oekraïner die in het Russisch schreef, merkte eens op dat de Dnjepr door het midden van Oekraïne stroomt en een bekken vormt. Daarvandaan ‘vertakken alle rivieren zich vanuit het midden; geen enkele ervan stroomt langs de grens of dient als een natuurlijke grens met een buurland’. Dit feit had politieke consequenties: ‘Als er aan één kant een natuurlijke grens van bergen of zee zou zijn geweest, zouden de mensen die zich hier vestigden hun politieke levenswijze voortgezet hebben en een zelfstandig land gevormd hebben.’
Het ontbreken van natuurlijke grenzen helpt te verklaren waarom Oekraïners er, tot eind twintigste eeuw, niet in zijn geslaagd om een soevereine Oekraïense staat te stichten. Aan het eind van de middeleeuwen bestond er een aparte Oekraïense taal, met Slavische wortels, die verwant was aan, maar verschilde van het Pools en het Russisch, net zoals het Italiaans verwant is aan, maar verschilt van het Spaans of Frans. Oekraïners hadden hun eigen gerechten, hun eigen gewoonten en plaatselijke tradities, hun eigen schurken, helden en legenden. Net als in andere Europese naties werd het Oekraïense gevoel van identiteit sterker in de achttiende en negentiende eeuw. Maar gedurende het grootste deel van zijn geschiedenis was het gebied dat we nu Oekraïne noemen, net als Ierland en Slowakije, een kolonie die bij een ander Europees rijk hoorde.
Oekraïne – de naam betekent zowel in het Russisch als het Pools ‘grensgebied’ – behoorde tussen de achttiende en twintigste eeuw tot het Russische Rijk. Voor die tijd hoorde hetzelfde gebied bij Polen, of liever het Pools-Litouwse Gemenebest, dat het in 1569 geërfd had van het Groothertogdom Letland. Nog eerder lag het Oekraïense gebied in het hart van Kiev-Rus (het Kievse Rijk), de middeleeuwse staat die in de negende eeuw werd gevormd door Slavische stammen en een Viking-adel en die, in het collectieve geheugen van de regio, een bijna mythisch koninkrijk was waarvan zowel de Russen, Wit-Russen als Oekraïners beweren af te stammen.
In de loop van de eeuwen hebben imperiale legers om Oekraïne gevochten, soms met Oekraïenssprekende troepen aan beide zijden van het front. Poolse huzaren streden in 1621 tegen Turkse janitsaren om de zeggenschap over wat nu de Oekraïense stad Chotyn is. De legers van de Russische tsaar vochten in 1914 in Galicië tegen die van de Oostenrijks-Hongaarse keizer. Hitlers legers vochten tussen 1941 en 1945 tegen die van Stalin in Kiev, Lviv, Odessa en Sebastopol.
De strijd om de macht over het Oekraïense grondgebied had altijd ook een intellectueel element. Al sinds de Europeanen over de betekenis van naties en nationalisme begonnen te discussiëren, hebben historici, schrijvers, journalisten, dichters en etnografen discussies gevoerd over de omvang van Oekraïne en de aard van de Oekraïners. Vanaf het moment van de eerste contacten tussen Polen en Oekraïne, aan het begin van de middeleeuwen, hebben de Polen altijd erkend dat de Oekraïners taalkundig en cultureel van hen verschilden, zelfs toen ze tot dezelfde staat behoorden. Veel van de Oekraïners die in de zestiende en zeventiende eeuw Poolse adellijke titels ontvingen, bleven Russisch-orthodoxe christenen en werden geen rooms-katholieken; de Oekraïense plattelandsbevolking sprak een taal die de Polen ‘Roetheens’ noemden, en er werd altijd van hen gezegd dat ze andere gebruiken, andere muziek en andere gerechten hadden.
Hoewel ze op hun imperiale toppunt aarzelden het te erkennen, voelden Moskovieten instinctief ook aan dat Oekraïne, dat ze soms ‘zuidelijk Rusland’ of ‘Klein-Rusland’ noemden, van hun noordelijke vaderland verschilde. Een vroege Russische reiziger, prins Ivan Dolgoroekov, schreef in 1810 over het moment waarop zijn groep eindelijk ‘de grenzen van de Oekraïne binnen reisden. Mijn gedachten gingen naar [Bohdan] Chmelnytsky en [Ivan] Mazepa’ – vroege Oekraïense nationale leiders – ‘en de bomenlanen verdwenen […] overal, zonder uitzondering, waren er lemen hutten en was er geen ander onderdak.’3 De historicus Serhiy Bilenky merkte op dat negentiende-eeuwse Russen vaak dezelfde paternalistische houding ten opzichte van Oekraïne hadden als de Noord-Europeanen van die tijd ten opzichte van Italië. Oekraïne was een geïdealiseerde, alternatieve natie, primitiever en tegelijk authentieker, emotioneler, poëtischer dan Rusland. Ook de Polen bleven nostalgisch terugdenken aan ‘hun’ Oekraïense grondgebied, lang nadat ze dat kwijtgeraakt waren, en ze schreven er veel romantische poëzie en fictie over.
Maar ook al erkenden ze dat er verschillen waren, Polen en Russen probeerden toch op gezette tijden het bestaan van een Oekraïense natie te ondermijnen of ontkennen. ‘De geschiedenis van Klein-Rusland is als een zijrivier die samensmelt met de hoofdrivier van de Russische geschiedenis,’ schreef Vissarion Belinski, een vooraanstaande theoreticus van het negentiende-eeuwse Russische nationalisme. ‘De Klein-Russen waren altijd een stam en nooit een volk, laat staan een staat.’Russische wetenschappers en bureaucraten behandelden de Oekraïense taal als ‘een dialect, of een half-dialect, of een andere manier van spreken van de Russische taal, met andere woorden een volkstaal, en de taal had daarom geen recht op een zelfstandig bestaan’. Onofficieel gebruikten Russische schrijvers de term om de spreektaal of plattelandstaal aan te duiden. Poolse schrijvers hadden ondertussen de neiging om nadruk te leggen op de ‘leegheid’ van het gebied ten oosten van hen, en ze beschreven het Oekraïense gebied vaak als een ‘ongeciviliseerd grensgebied waar zij zelf cultuur en staatkundige formaties naartoe hadden gebracht.’De Polen gebruikten de uitdrukking dzikie pola, ‘wilde velden’, om het lege grondgebied van oostelijk Oekraïne te beschrijven, een regio die, in hun nationale verbeelding, net zo functioneerde als het Wilde Westen in Amerika.
Achter deze houdingen gingen stevige economische redeneringen schuil. De Griekse historicus Herodotus schreef zelf over de beroemde ‘zwarte aarde’ van Oekraïne, de rijke bodem die met name vruchtbaar is in het lagere deel van het Dnjepr-bekken: ‘Nergens groeien betere gewassen dan langs de oevers van deze rivier, en waar geen graan is gezaaid, groeit het gras weelderiger dan waar ook ter wereld.’Het gebied van de zwarte aarde neemt ongeveer twee derde van het moderne Oekraïne in beslag en loopt daarvandaan door in Rusland en Kazachstan. Gecombineerd met het relatief milde klimaat kan Oekraïne jaarlijks twee oogsten produceren. ‘Wintertarwe’ wordt in het voorjaar ingezaaid en in juli en augustus geoogst; lentegranen worden in april en mei gezaaid en in oktober en november geoogst. De oogsten die de bijzonder vruchtbare bodem van Oekraïne oplevert, vormden al jarenlang een inspiratiebron voor ambitieuze handelaren. Vanaf de late middeleeuwen hebben Poolse handelaren Oekraïens graan noordwaarts vervoerd naar de handelsroutes van de Oostzee. Poolse prinsen en edelen hebben al vroeg vrijhandelszones avant la lettre opgezet: belastingvrij en met militaire bescherming voor boeren die bereid waren om het Oekraïense land te ontginnen en bewerken. Achter de koloniale discussies lag vaak de wens om een dergelijk waardevol bezit in handen te houden: noch de Polen noch de Russen wilden toegeven dat hun landbouwkundige korenschuur een onafhankelijke identiteit had.
Niettemin vormde er zich, ondanks wat hun buurlanden dachten, een aparte en onderscheiden Oekraïense identiteit in de gebieden die het huidige Oekraïne vormen. Vanaf het eind van de middeleeuwen deelden de inwoners van deze regio een besef van wie ze waren en ze definieerden zichzelf vaak, hoewel niet altijd, als tegenstanders van de buitenlandse bezetters, of die nu Pools of Russisch waren. Net als de Russen en Wit-Russen ging hun geschiedenis terug tot de koningen en koninginnen van Kiev-Rus (het Kievse Rijk), en velen voelden zich onderdeel van een grote Oost-Slavische beschaving. Anderen zagen zichzelf als underdogs of opstandelingen, en bewonderden met name de Zaporozje-Kozakken, die in de zeventiende eeuw onder aanvoering van Bohdan Chmelnytsky tegen de Poolse overheersing in opstand kwamen, en aan het begin van de achttiende eeuw onder aanvoering van Ivan Mazepa tegen de Russische overheersing. De Oekraïense Kozakken – semimilitaire gemeenschappen onder zelfbestuur, met hun eigen interne wetten – waren de eerste Oekraïners die dat gevoel van een eigen identiteit en wrok omzetten in concrete politieke projecten, waarmee ze bij de tsaren ongebruikelijke privileges en een mate van autonomie van de tsaren wisten te bedingen. Gedenkwaardig was het (en latere generaties Russen en Sovjetleiders zouden het nooit vergeten), dat de Oekraïense Kozakken zich bij het Poolse leger aansloten bij hun opmars naar Moskou in 1610, en nogmaals in 1618. Daar namen ze deel aan een beleg van de stad en zorgden er mede voor dat er (in ieder geval voorlopig) een einde kwam aan het Pools-Russische conflict van die tijd, wat in het voordeel uitviel van Polen. Later gaven de tsaren de Oekraïense Kozakken en de Russischsprekende Don-Kozakken een speciale status om zich ervan te verzekeren dat ze loyaal bleven aan het Russische Rijk. Met die status konden ze hun specifieke identiteit bewaren. Hun privileges zorgden ervoor dat ze niet in opstand kwamen. Maar Chmelnytsky en Mazepa drukten hun stempel op het Poolse en Russische geheugen, en tevens op de Europese geschiedenis en literatuur. ‘L’Ukraine a toujours aspiré à être libre,’ schreef Voltaire toen het nieuws over Mazepa’s opstand Frankrijk bereikte. ‘Oekraïne heeft altijd naar vrijheid gestreefd.’

[...]

© 2017 Anne Applebaum

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum