Leesfragment: Soms is liefde dit

13 april 2018 , door Daan Borrel
| |

19 april verschijnt Soms is liefde dit. Een brief over lichaam, seks en verlangen Athenaeum publiceert voor.

Als ze heeft gekust met een man die niet de hare is, schrijft Daan Borrel vanuit een kamer in Berlijn een brief aan haar vriend. De brief draait uit op een zelfbevragend relaas over verlangens, intimiteit en seksualiteit. Mogen wij elk verlangen onderzoeken en uitleven? En hoe combineren we dat met onze behoefte aan intimiteit? Vrouwen zijn tegenwoordig vrij om hun eigen verlangen te volgen, maar hoe moet dat als ze nooit hebben geleerd hiermee om te gaan? Of zijn mannen er net zo slecht in? En wat creëert verlangens eigenlijk, de geest of het lichaam? In hoeverre worden ze bepaald door verhalen? In dit persoonlijke essay zien we Daan Borrel in haar hongerige zoektocht naar antwoorden. Ze richt zich daarbij tot verlichte denkers, de literatuur, oosterse filosofie, popzangeressen en films, maar ook tot haar eigen lijf en tot de vrouwen die het opgevoed hebben.

 

Vier maanden geleden kuste ik een man die niet de mijne was. Jij zat nietsvermoedend thuis in het huis dat we een halfjaar eerder samen hadden betrokken. Nu zit ik voor een tijd in Berlijn en schrijf ik je. Het is precies het nikserige weer waarop ik van tevoren hoopte: grijs en koud, maar van allebei niet té. Vanmiddag op straat viel me op hoeveel meer kleine kinderen hier rondlopen dan in Amsterdam. Het geeft de lucht een aangename, hoopvolle trilling. Moeders hadden hun kindertjes flink ingepakt met mutsen, sneeuwschoenen en skibroeken, het waren net kleine pakketjes, Michelinmannetjes. Al die stof bemoeilijkte het lopen, dus ze hupsten wat achter elkaar aan. Op de weg terug naar huis, net toen de schemering inviel, liep ik langs een smoezelig café. In het raam stond een groot bord met de handgeschreven tekst: Ich will ein kind von dir, dir, dir. Dat verlangen om elke leuke man je intiemste en kostbaarste bezit te geven: een kind, je lijf. Als er verbinding moet zijn, dan maar meteen de hele mikmak. Alsof zulke gretigheid het pijnlijke grijze schemergebied tussen verbonden en alleen-zijn ooit kan laten verdwijnen.
Die Duitse tekst, de dag die alweer nacht werd, de wisseling van seizoenen in een vreemde stad, van samen naar alleen: het gaf me een weeïg gevoel. Alles verandert constant, of je nou wilt of niet. Pas nu realiseer ik me dat de tekst in het raam van het café verwijst naar een nummer van de Blues Brothers: I need you, you, you. Iedereen heeft iemand nodig om van te houden.
Thuis in Amsterdam had ik bedacht dat ik in Berlijn over die kus zou gaan schrijven: niet over wat er werkelijk was gebeurd, maar een gefictionaliseerde versie. Ik had die vreemde man destijds een paar brieven geschreven, niet per se om te versturen, maar om iets uit mijn lichaam, uit mijn systeem te schrijven. Ik had bedacht dat ik die brieven hier kon aandikken en aanvullen met wat brieven aan een fictieve geliefde, en dat het schrijvende hoofdpersonage uiteindelijk het meest van die laatste, de fictieve versie van jou dus, hield en dat het dan wel goed zou komen. Een soort hoofse roman anno nu. Een romantische geruststelling, een vertrouwd concept. Mensen maken fouten, toch overwint liefde alles.
Maar eenmaal achter mijn laptop kromp ik ineen van onzekerheid. Zoenen met een ander, dat is één ding, daar dan vervolgens op een oneerlijke manier mee koketteren een heel ander verhaal. Dit was het plan van een egocentrische tuthola. Een die alles wel eens even zou opschrijven, zou concluderen hoe het hart soms van de lust gescheiden is, uitleggen hoe en waarom de wereld draait, maar zichzelf er mooi buiten zou houden. Had je ooit verwacht dat ik zo zelfzuchtig kon zijn?
Of is dit nog veel hypocrieter: een brief beginnen waarvan ik van tevoren al een sterk vermoeden heb dat het een groter verhaal wordt?

*

Zoals je weet vond ‘het incident dat niet had mogen gebeuren, maar waar ik destijds geen spijt van had’ plaats tijdens een vakantie in Portugal, in een winderig kustplaatsje boven Lissabon. Wat je niet weet is dat ik op dat moment de vertaalde roman I Love Dick (2016) las, wat me achteraf aanspoorde om brieven aan die vreemde man te schrijven. In I Love Dick wordt het vrouwelijke hoofdpersonage, de negenendertigjarige filmmaker Chris Kraus – dik steil haar, kleine ogen als halvemaantjes, ze beschrijft zichzelf als afstotelijk –, na een etentje met haar man Sylvère en zijn collega Dick hopeloos verliefd op die laatste. Ze vertelt Sylvère direct als ze thuiskomen over haar verliefdheid: ze hebben al een paar jaar geen seks meer en onderhouden hun intimiteit door elkaar alles te vertellen. Ze besluiten Dick te schrijven. Samen.
Dat begint onschuldig: ze schrijven om beurten brieven naar hem, bekritiseren elkaars woorden, maar versturen die brieven nooit. Uiteindelijk laten ze een bericht achter op zijn antwoordapparaat waarin ze hem vertellen over hun project.
Chris geniet ervan om zich zo te voelen: een bonkend hart, zwetende handpalmen. Tien jaar lang had ze haar leven zo ingericht dat ze die pijnlijke, primitieve staat kon vermijden, maar nu haar lichaam zo aandringt, kan ze niet anders dan het hongerig ondergaan. De vraag waarom Chris haar hopeloze verliefdheid niet uit de weg gaat is dus niet zo moeilijk te beantwoorden. Ze lijkt niet anders te kunnen; ze voelt haar lijf na jaren weer. Maar waarom gaat haar man Sylvère in haar obsessie mee?
Misschien omdat hij pervers is. Misschien omdat hij niet wil dat Chris droevig is, misschien omdat hij haar voor het eerst sinds lange tijd weer levendig en bezield ziet, omdat hun relatie weer levendig en bezield voelt. Misschien omdat hij in een impasse is beland met het schrijven van zijn wetenschappelijke boek en door de liefdesbrieven opnieuw woorden uit zijn pen krijgt.
Voor het eerst in jaren hebben Chris en Sylvère weer seks met elkaar.
Na een tijdje wordt Chris wanhopig. Radeloos. Gek van verlangen. Zeikerig. Grieperig. Ze wil zó graag seks met Dick, ze wil zo graag dat hij contact met haar opneemt. In een brief aan hem beschrijft ze haar verliefdheid als volgt: ‘Als je alles zo intens in je hoofd ervaart, dan is er geen verschil meer tussen wat je je inbeeldt en wat er daadwerkelijk gebeurt. Alles zo intens in je hoofd ervaren dat er geen grenzen meer zijn. Het is een verwrongen vorm van absolute macht, een negatieve psychische kracht, alsof wat er in je hoofd gebeurt daadwerkelijk de wereld daarbuiten stuurt.’
Ze vergelijkt haar staat met de psychose van de puberteit. Een tijd waarin het kan voelen alsof jouw denken de buitenwereld aanstuurt. Dat als de kat van de buren plots overlijdt, je denkt dat het jouw schuld is omdat jij dat beest zo vaak in stilte dood hebt gewenst. Dat als je maar constant hoopt dat de ander je binnenkort een berichtje stuurt, dit daadwerkelijk invloed zou kunnen hebben. Dat als je maar genoeg aan iets denkt, het ook buiten je hersenpan bestaat. Ze denkt en schrijft de aantrekkingskracht tussen Dick en haar tot leven. Denkt zij.

Voor me op tafel liggen enkele oude aantekeningen van deze zomer: brieven aan míjn onbekende Dick. Een Dick die ik nooit gekend heb, nooit zal kennen ook, met wie ik alleen een kus deelde. Al kan ik me herinneren dat die dagen erna ook psychotisch aanvoelden, alsof ik niet meer in staat was te onderscheiden wat er precies speelde en wat ik hoopte dat er speelde. Een hoge energie gierde door mijn lijf en geest. Dit is wat er staat:

Lieve M.,

Het is nu een week geleden dat we kusten. Op precies dit moment aten we een sappige nectarine op een trapje in de eerste ochtendzon, recht tegenover het supermarktje dat op weg van de club naar onze beider slaapplaatsen al open bleek. Of eigenlijk at ik een nectarine en jij dikke kersen. Je hing ze als oorbellen om mijn oor en hapte ze met je mond van het steeltje af. Dat deden mijn broertjes en ik vroeger ook bij elkaar. De kleren die ik die nacht droeg, heb ik inmiddels gewassen, alleen het zachte bh’tje nog niet. Misschien is dat wat me het meest bijblijft: niet je ogen, je lippen of nek, maar hoe je zorgvuldig met je handen het elastieken bandje over mijn schouder terug op zijn plaats schoof. Toegewijd, zoals een cadeautje wordt ingepakt op de sieradenafdeling van De Bijenkorf.

Begin nooit aan schrijven, dan kun je je vroegere zelf tenminste vergeten. Het voelt akelig om dit terug te lezen, als het eten van drie dozen vette bonbons op een verder lege maag in de ochtend. Ik herinner me de plek nog te goed, de warmte van de mediterrane zon die net was opgekomen, het sap van het rijpe fruit dat op de grond druppelde. Het zorgeloze. Maar met de kennis van nu maakt dat me juist misselijk. Niet alleen omdat ik tijdens mijn leven heb geleerd dat intimiteit alleen gerechtvaardigd is als die duurzaam is, als die zin heeft – en dit was intimiteit in haar meest zinloze vorm: vanaf het begin was duidelijk dat dit niet meer dan een zeer tijdelijke verbinding zou zijn –, maar vooral omdat een verlangen het ene moment zo rechtvaardig kan lijken, zo bestemd en noodzakelijk, en later zo kinderachtig en vreselijk onbestemd. In die context – zon, vakantie, ver weg – leek het verlangen met hem te willen zoenen en dit daadwerkelijk te doen gepermitteerd; vier maanden later begrijp ik niet meer waarom die twee dingen, verlangen en verwezenlijking, zo dringend voelden. Terwijl ik nog steeds dezelfde ben. Wat is het verschil tussen die twee momenten? Kun je dat wegen? ‘Een pondje minder in het hoofd, juffrouw.’ Of zit het toch in de zone rond mijn buik?
Al moet het voor jou waarschijnlijk nog vervelender zijn, dit te lezen.

[...]

 

© 2018 Daan Borrel

MINDBOOKSATH : athenaeum