Leesfragment: Wat gebeurde er in de twintigste eeuw?

24 maart 2018 , door Peter Sloterdijk
|

Op 26 maart verschijnt Peter Sloterdijks Wat gebeurde er in de twintigste eeuw? (Mark Wildschuts vertaling van een selectie van essays uit het in het Duits verschenen Was geschah im 20. Jahrhundert?). Lees bij ons alvast een deel van het essay 'Het antropoceen'!

De nieuwste uitgave van bestsellerauteur Peter Sloterdijk biedt een aanzet tot nieuwe perspectieven op globalisering, geschiedenis, ecologie en economie. Wat gebeurde er in de twintigste eeuw? laat zich uitstekend lezen als eerste kennismaking met het werk van Sloterdijk. Sloterdijk toont aan dat de mens een gerichtheid naar buiten heeft: we willen steeds meer en steeds verder. Economische en technologische ontwikkelingen kennen dezelfde gerichtheid. Bedrijven moeten steeds maar groeien, en de nieuwste ontdekkingen zijn steeds weer de overtreffende trap van de vorige. Tegelijkertijd hebben we een niet te ontkennen behoefte aan geborgenheid. Of het nu een veilige relatie, een huis of een sociale gemeenschap is: het is die geborgenheid die de motor is van veel van ons gedrag. De essays in Wat gebeurde in de twintigste eeuw? laten zich situeren in dit spanningsveld.

 

Het antropoceen – een proces-toestand in de marge van de aardgeschiedenis?

1 Gewichtloze mensheid

Toen de Nederlandse atmosfeerchemicus Paul J. Crutzen in het jaar 2000 de uitdrukking ‘antropoceen’ opperde, en daarmee een analoog concept van de Italiaanse geoloog Antonio Stoppani (1824-1891) uit 1873 opnam om het huidige tijdperk vanuit natuurhistorisch oogpunt te typeren, kon je er nog gevoeglijk van uitgaan dat de term deel zou blijven van een hermetisch vertoog, dat achter de gesloten deuren van instituten voor gasanalyse of geofysica wordt gesproken.
Door een onbekende reeks toevalligheden moet het synthetische semantische virus er echter in geslaagd zijn de goed geïsoleerde deuren van de laboratoria te passeren en zich in de algemene leefwereld te verspreiden – waarbij je de indruk krijgt dat het zich in de context van populairwetenschappelijke tijdschriften, van het museale wereldje, van de macrosociologie, van nieuwe religieuze stromingen en alarmistische ecologische literatuur bijzonder gemakkelijk reproduceert.
De proliferatie van dit begrip is waarschijnlijk vooral te herleiden tot het feit dat het onder het mom van wetenschappelijke neutraliteit een boodschap overbrengt van bijna niet te overtreffen moreel-politieke urgentie, een boodschap die in expliciete taal luidt: sinds de aanwezigheid van de mens op aarde niet langer de vorm aanneemt van een meer of minder spoorloze integratie, is hij voor de bewoning en het beheer van de aarde als geheel verantwoordelijk geworden.
Het ogenschijnlijk geologisch relevante begrip ‘antropoceen’ behelst een geste die men in juridische contexten als de benoeming van een verantwoordelijk agentschap zou aanmerken. Met het toeschrijven van verantwoordelijkheid kunnen mogelijke aanklachten geadresseerd worden. Juist daarmee hebben we tegenwoordig te maken, als we aan ‘de mens’ – zonder nadere bepaling – het vermogen tot daderschap in geo-historische dimensies toeschrijven.
Als we ‘antropoceen’ zeggen, zitten we slechts schijnbaar in een geo-wetenschappelijk seminar. In werkelijkheid nemen we deel aan een rechtszitting – om preciezer te zijn aan een voorbereidende hoorzitting vóór de openbare rechtszitting, waarin eerst opheldering moet worden verkregen over de toerekeningsvatbaarheid van de aangeklaagde.
In deze voorbereidende hoorzitting gaat het om de vraag of het met het oog op de minderjarigheid van de vermeende dader eigenlijk wel zinvol is een proces tegen hem aan te spannen. In zulke hoorzittingen zou je onder anderen de auteur Stanislaw Lem als getuige kunnen oproepen, die ‘de mens’ lijkt vrij te pleiten door hem in een tellurische context de status van een quantité négligeable toe te schrijven; in Lems eigen woorden:

Zou je (…) de hele mensheid bijeenbrengen en op één plek samenpersen, dan zou ze een ruimte innemen van driehonderd miljard liter, dus net geen derde van een kubieke kilometer. Dat lijkt heel wat. Maar de wereldzeeën bevatten één miljard tweehonderdvijfentachtig miljoen kubieke kilometer water. Zou je dus de hele mensheid, deze vijf miljard mensenlichamen, in de oceaan dumpen, dan zou de zeespiegel niet eens een honderdste millimeter stijgen. Met deze lichte deining zou de aarde eens en voor al van mensen verlaten zijn.

Bij dit soort kwantitatieve verhoudingen speelt het geen rol als we voor de door Lem aangenomen vijf miljard mensen het thans bereikte aantal van zeven miljard invullen, of zelfs de acht of negen miljard die na het jaar 2050 bereikt zal zijn. Onder het aspect van biomassa zal ook een zich willekeurig snel vermenigvuldigende mensheid een minieme grootheid blijven – als je de mensheid toto genere in de oceaan zou kunnen dumpen. Dus waarom een proces voeren tegen een soort die in verhouding tot de materiële hoofdmassa van het Gaiasysteem, het wereld-water, bijna niets voorstelt? Lems positie ligt overigens heel dicht bij andere klassiekers die de mens met geringschatting bejegenen – denk aan Schopenhauers honende opmerking over het mensenras als vluchtige schimmel op het oppervlak van planeet aarde.
Tegen dit soort bezwaren zal de aanklager inbrengen dat de geaggregeerde mensheid op haar huidige evolutiestadium geenszins louter als biomassa bestaat. Als ze op de beklaagdenbank plaats moet nemen, dan vooral omdat ze een metabiologisch agentschap belichaamt, dat krachtens zijn handelingsbekwaamheid veel en veel meer invloed op het milieu kan uitoefenen dan zijn relatieve fysische gewichtloosheid doet vermoeden.
Uiteraard denk je in dit verband meteen aan moderne technische revoluties en de bijwerkingen daarvan, die niet zonder reden op het conto worden geschreven van het menselijk collectief. In feite spreekt men hierbij in eerste instantie alleen over de Europese beschaving en haar technocratische elite. Het is die laatste die vanaf de zeventiende en achttiende eeuw door het gebruik van steenkool en later aardolie in alle mogelijke krachtwerktuigen een nieuwe actor introduceerde in het spel van globale krachten. Bovendien hebben de ontdekking en beschrijving van de elektriciteit vlak voor 1800 en haar technische beteugeling in de negentiende eeuw een nieuwe universale in het vertoog over energie ingevoerd, zonder welke we ons de stofwisseling van de mens met de natuur – om aan Marx’ definitie van de ‘arbeid’ te herinneren – niet meer kunnen voorstellen. Het collectief dat vandaag de dag met uitdrukkingen als ‘mensheid’ wordt gekarakteriseerd, bestaat in hoofdzaak uit actoren die zich binnen minder dan honderd jaar de in Europa ontwikkelde technieken eigen hebben gemaakt. Als Crutzen over ‘antropoceen’ spreekt, hebben we van doen met een geste van Nederlandse hoffelijkheid – of conflictvermijding. Het zou eigenlijk passender zijn over een ‘Euroceen’ of een door Europeanen geïnitieerd ‘technoceen’ te spreken.
Dat menselijke actoren een uitwerking hebben op de natuur is geen volstrekt nieuwe constatering. Al in de oudheid signaleerde men in Griekenland en Italië ontbossingen, die tot de behoefte aan hout voor de scheepsbouw te herleiden waren. Ook is het ontstaan van het Europese cultuurlandschap zonder de invloed van akkerbouw, wijnbouw en veeteelt ondenkbaar. Vooral die laatste is tot op heden een explosieve post gebleven op de rekening die het ecosysteem ‘aarde’ de mens zal presenteren. Pas recentelijk heeft men het verband tussen menselijke pastorale macht en politiek expansionisme onderzocht. Er bestaat kennelijk een macro-historisch gezien relatief jong, dat wil zeggen een circa drieduizend jaar omspannend oorzakelijk verband tussen runderteelt en rijkspolitiek: een groot aantal historische imperia – zoals dat van de Romeinen, van de Britten, van de Habsburgers en van de Amerikanen – berustten uiteindelijk op het cultiveren van grote kuddes vee, die de veehouders een belangrijk overschot aan arbeidskracht, mobiliteit, proteïne en leer opleverden, nog afgezien van het verband tussen verzekerde alledaagse calorieëntoevoer en politiek expansionisme. Sinds kort weten we ook dat kuddes runderen op grond van hun metabolische functies een noemenswaardige invloed uitoefenen op het milieu.
Er moeten op dit moment circa anderhalf miljard koeien zijn op aarde – zou je die allemaal in de oceaan dumpen, dan zou de zeespiegelstijging ongeveer vijf keer zo groot zijn als die welke uit het dumpen van de mensheid zou resulteren. Je zou in elk geval in de dimensie van tienden van millimeters terechtkomen en toch het domein van de quasi-gewichtloosheid nog altijd niet verlaten.
Niettemin is de indirecte antropogene milieubelasting door veeteelt imposant: elke door mensen gehouden koe produceert in een driejarig leven door spijsverteringsflatulentie een hoeveelheid broeikasgassen die overeenkomt met een rit van 90.000 kilometer met een middenklasse motor.
Met de verwijzing naar de menselijke pastorale macht in de actuele dimensies van haar uitoefening verlaten we het domein van de te verwaarlozen grootheden. Als producent van enorme indirecte emissies komt de ‘mensheid’ van het industriële tijdperk, ongeacht haar gewichtloosheid als biomassa, mogelijk inderdaad een geologisch relevante rol toe – namelijk in haar hoedanigheid van uitbater van enorme wagenparken en vloten vliegtuigen en schepen die worden aangedreven door verbrandingsmotoren, maar ook met het oog op hun warmtehuishouding in aardse contreien waar strenge winters aanleiding geven tot pyrotechnisch en architectonisch compenserende maatregelen. Het proces over het ‘antropoceen’ kan tot de openbare rechtszitting worden toegelaten.

[...]

 

© Suhrkamp Verlag Berlin 2016
© Nederlandse vertaling: Boom uitgevers Amsterdam 2018

MINDBOOKSATH : athenaeum