Leesfragment: Winter

16 juni 2018 , door Ali Smith
|

Op 22 juni verschijnt Winter van Ali Smith (vertaling door Karina van Santen en Martine Vosmaer). Lees bij ons nu alvast een fragment uit de roman.

Winter is het tweede boek uit Ali Smiths schitterende seizoencyclus, na de Man Booker Prize-favoriet Herfst. Wat de plot en de meeste personages betreft is het geen vervolg, maar de romans hebben wel vergelijkbare thema’s, en ook in Winter keert de liefde voor kunst terug.

Vier mensen – twee oude zussen, een zoon van een van hen en een buitenstaander – vieren samen kerst in een kast van een huis in Cornwall, ook al zijn ze eigenlijk vreemden voor elkaar. Wordt het vrede op aarde voor hen? De winter maakt dingen scherper zichtbaar.

N.B. Lees ook Mirim Rasch' bespreking van de roman.

 

God was dood: dat om te beginnen.
En romantiek was dood. Ridderlijkheid was dood. Poëzie, proza, schilderkunst, ze waren allemaal dood, en kunst was dood. Theater en film waren allebei dood. Literatuur was dood. Het boek was dood. Modernisme, postmodernisme, realisme en surrealisme waren allemaal dood. Jazz was dood, popmuziek, disco, rap, klassieke muziek, dood. Cultuur was dood. Fatsoen, maatschappij, familiewaarden waren dood. Het verleden was dood. Geschiedenis was dood. De verzorgingsstaat was dood. Politiek was dood. Democratie was dood. Communisme, fascisme, neoliberalisme, kapitalisme, allemaal dood, en marxisme, dood, feminisme, ook dood. Politieke correctheid, dood. Racisme was dood. Godsdienst was dood. Nadenken was dood. Hoop was dood. Waarheid en fictie waren allebei dood. De media waren dood. Het internet was dood. Twitter, Instagram, Facebook, Google, dood.
De liefde was dood.
De dood was dood.
Een heleboel dingen waren dood.
Maar sommige waren niet, of nog niet, dood.
Het leven was nog niet dood. Revolutie was niet dood. Rassenongelijkheid was niet dood. Haat was niet dood.
Maar de computer? Dood. Tv? Dood. Radio? Dood. Mobieltjes waren dood. E-readers waren dood. Huwelijken waren dood, sekslevens waren dood, conversatie was dood. Bladeren waren dood. Bloemen waren dood, dood in hun water.
Verbeeld je achtervolgd te worden door de geesten van al die dode dingen. Verbeeld je achtervolgd te worden door de geest van een bloem. Nee, verbeeld je achtervolgd teworden (als er zoiets bestaat als achtervolgd worden, in plaats van gewoon neurose of psychose) door de geest (als er zoiets bestaat als geesten, in plaats van gewoon verbeelding) van een bloem.
Geesten zelf waren niet dood, niet echt. In plaats daarvan kwamen de volgende vragen op:

zijn geesten dood
zijn geesten dood of levend
zijn geesten dodelijk

maar hoe dan ook, vergeet geesten, zet ze uit je hoofd want dit is geen verhaal over geesten, hoewel het zich midden in de winter afspeelt, een vrolijk zonnige, postmillenniumwisseling- broeikaseffectochtend de dag voor Kerstmis (Kerstmis, ook dood), en over echte dingen gaat die echt gebeuren in de echte wereld met echte mensen in de echte tijd op de echte aarde (jaja, de aarde, ook dood):

Goedemorgen, zei Sofia Cleves. Prettige dag-voor- Kerstmis.
Ze praatte tegen het lichaamloze hoofd.
Het was het hoofd van een kind, alleen een hoofd, zonder lichaam eraan vast, dat zomaar in de lucht zweefde.
Het was hardnekkig, het hoofd. Dit was zijn vierde dag in haar huis; toen ze vanochtend haar ogen opendeed was het er nog, deze keer zweefde het boven de wasbak en keek naar zichzelf in de spiegel. Zodra ze ertegen sprak draaide het zich naar haar toe en toen het haar zag, maakte het een – kun je van iets wat geen nek of schouders heeft wel zeggen dat het een buiging maakt? – maakte het duidelijk een duikje, een soort voorwaartse tuimeling met respectvol neergeslagen ogen en dan weer hoffelijk en opgewekt omhoog, een buiging, of een reverence? Was het mannelijk of vrouwelijk? Het was in ieder geval welgemanierd, beleefd, het hoofd van een keurig opgevoed kind (misschien nog pre-taal, want geheel stil) inmiddels zo groot als een kanteloep (was het ironisch of een tekortkoming om beter thuis te zijn in meloenen dan in kinderen? gelukkig voor haar had Arthur toen hij klein was al snel door dat ze liever had dat kinderen ernaar streefden minder kinderlijk te zijn), maar heel anders dan een meloen in die zin dat het een gezicht had, en een dikke bos haar, een paar centimeter langer dan het hoofd zelf, warrig, weelderig, donker, golvend-steil, tamelijk romantisch als een miniatuurcavalier als het mannelijk was, of als het vrouwelijk was zoiets als het met bladeren getooide kind in het park in Parijs met haar rug naar de camera op de oude zwart-witte ansichtkaart van de foto die gemaakt was door de twintigste-eeuwse Franse fotograaf Édouard Boubat (petite fille aux feuilles mortes jardin du Luxembourg Paris 1946), en toen Sofia vanochtend net wakker was en het daar zag, het hoofd met het achterhoofd naar haar toe, had het haar dat verleidelijke zachtjes rijzen en dalen in de lucht van de centrale verwarming gedaan, maar alleen aan één kant, de kant recht boven de radiator; nu zwiepte en zwierde het een fractie van een seconde achter de vrij zwevende wendingen en deiningen van het hoofd als het vertraagde soft-focus-haar van iemand in een shampooreclame. Zie je? Shampooreclame is geest noch gruwel. Niets engs aan.
(Tenzij shampooreclames, of alle reclames misschien, eigenlijk niets anders zijn dan angstaanjagende visioenen van de levende doden en we er zo aan gewend zijn geraakt dat we er niet meer van schrikken.)
In ieder geval was het gewoon niet angstaanjagend, het hoofd. Het was lief, en verlegen in zijn vormelijkheid, en dat zijn geen woorden die je kunt associëren met iets doods of het idee van de rovende geest van iets doods – en het wekte op geen enkele manier een dode indruk, hoewel het best een beetje akeliger zou kunnen zijn aan de onderkant op de plaats waar ooit een nek moest hebben gezeten, waar alleen het vermoeden was van iets wat lichamelijker, gerafeld, vlezig was.
Maar alles wat daar te veel op leek was goed weggestopt achter het haar en de kin, niet het eerste wat je opviel, want dat was het leven, de hartelijkheid ervan, zoals het opgewekt in de lucht naast haar danste en dobberde als een kleine groene boei op kalm water terwijl Sofia haar gezicht waste en haar tanden poetste, en zoals het luchtig voor Sofia de trap af scheerde en zich door de stoffige takken van de verzameling dode orchideeën op de overloop beneden heen weefde, een kleine planeet in zijn eigen micro-universum, straalde het meer welwillendheid uit dan het hoofd van elke Boeddha die Sofia tot nu toe was tegengekomen, elk geschilderd hoofd van elke Cupido of elk verbijsterd kerstengeltje.
In de keuken deed Sofia water en koffie in de espressopot. Ze schroefde de bovenkant van de espressopot erop en stak het gas aan. Toen ze dat deed zwenkte het hoofd weg van de plotselinge warmte. De ogen lachten. Als voor de lol waagde het zich dichter bij en verder van de vlam.
Straks gaat je haar in brand, zei ze.
Het hoofd schudde zijn hoofd. Ze lachte. Kostelijk.
Ik vraag me af of het weet wat Kerstmis is, of het weet van kerstavond.
Welk kind weet dat niet?
Ik vraag me af hoe het vandaag met de treinen is. Ik vraag me af of het met me naar Londen zou willen. We zouden naar Hamleys kunnen gaan. De kerstverlichting.
We zouden naar de dierentuin kunnen gaan. Ik vraag me af of het ooit naar de dierentuin is geweest. Kinderen zijn dol op de dierentuin. Ik vraag me af of de dierentuin open is, zo vlak voor Kerstmis. Of we zouden, ik weet niet, paleiswachten kunnen gaan zien, die zullen er zijn, ondanks Kerstmis, met de berenmuts op, de rode uniformjas aan. Dat zou geweldig zijn. Of het wetenschapsmuseum, waar je dingen kunt zien als je eigen botten door je handen heen.
(O ja.
Het hoofd had geen handen.)
Nou ja, ik zou zelf op de knoppen kunnen drukken, de interactieve dingen, ik zou zelf die dingen kunnen doen als het dat niet kan. Of het Victoria & Albert. Zulke prachtige dingen, hoe oud of jong je ook bent. Het Natural History Museum. Ik kan het in mijn jas stoppen. Ik kan een grote tas nemen. Ik kan er kijkgaten in knippen. Ik kan een sjaal opvouwen voor onder in de tas, een trui, iets zachts.
Het hoofd snuffelde op de vensterbank aan wat over was van de supermarkttijm. Het sloot zijn ogen zo te zien vergenoegd. Het wreef zijn voorhoofd langs de kleine blaadjes. De geur van tijm verspreidde zich door de keuken en de plant kukelde in de gootsteen.
Nu hij daar toch was, de plant, zette Sofia de kraan open en gaf hem te drinken.
Toen ging ze aan tafel zitten met de koffie. Het hoofd nestelde zich naast de fruitschaal, appels, citroenen. Zo zag haar tafel eruit als een kunstgrap, een installatie of een schilderij van de kunstenaar Magritte, Dit Is Geen Hoofd; nee, zoals Dalí, of de hoofden van De Chirico, maar geestig, zoals Duchamp die de Mona Lisa een snor had gegeven; zelfs een beetje als een tafelstilleven van Cézanne, die ze aan de ene kant altijd verwarrend had gevonden en aan de andere kant verfrissend omdat hij onthult, al is het moeilijk te geloven, dat dingen als appels en sinaasappels ook blauw en paars kunnen zijn, kleuren waarvan je nooit had gedacht dat die erin zaten.
In een van de kranten had ze laatst een foto gezien van iets wat eruitzag als een muur van mensen die voor de muur in het Louvre stonden waaraan de Mona Lisa hangt. Ze had zelf de echte Mona Lisa gezien, maar voordat ze Arthur kreeg, dus wel drie decennia geleden, en ook toen al was het best moeilijk er iets van te zien vanwege de grote meute die ervoor stond om haar te fotograferen. Het was ook opvallend klein, het meesterwerk, veel kleiner dan ze had verwacht van zo’n beroemd meesterwerk. Misschien had het op het oog kleiner geleken door de menigte die ervoor stond.
Maar het verschil was dat de mensen die er nu voor stonden niet eens meer de moeite namen om zich ernaartoe te keren. De meesten stonden er met hun rug naartoe omdat ze foto’s maakten van zichzelf met haar; tegenwoordig glimlachte het oude schilderij op zijn superieure manier naar de rug van mensen, mensen die hun telefoon boven hun hoofd in de lucht hielden. Ze zagen eruit of ze een groet brachten. Maar een groet aan wat?
De ruimte voor een schilderij waar mensen staan zonder ernaar te kijken?
Zichzelf?
Het hoofd op de tafel keek haar met opgetrokken wenkbrauwen aan. Alsof het haar gedachten kon lezen schonk het haar een Mona Lisa-grijnsje.
Grappig hoor. Slim hoor.
National Gallery? Zou het de National Gallery leuk vinden? Tate Modern?
Maar al die musea, als ze vandaag al open waren, gingen om twaalf uur dicht zoals de meeste plekken, en in ieder geval gingen er geen treinen meer, vanwege kerstavond.
Dus. Londen niet.
Wat dan? Een wandeling over de klif?
Maar stel dat het hoofd de zee op waaide?
Bij die gedachte deed iets binnen in haar borst pijn.
Wat ik vandaag ook doe, jij mag mee, zei ze tegen het hoofd. Als je lief en stil bent.
Maar dat hoef ik nauwelijks te zeggen, dacht ze. Ik zou geen minder opdringerige gast kunnen bedenken.
Het is erg prettig om jou in huis te hebben, zei ze. Je bent erg welkom.
Het hoofd leek daar beslist blij mee.

[...]

 

© 2017 Ali Smith
© 2018 Nederlandse vertaling Uitgeverij Prometheus en Karina van Santen en Martine Vosmaer

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum