Leesfragment: Zoeklicht op het gazon

28 november 2018 , door Auke Hulst
|

Op 29 november verschijnt Zoeklicht op het gazon van Auke Hulst. Wij publiceren voor!

8 november 1960, Zuid-Californië. Vicepresident Richard Nixon heeft zojuist zijn stem uitgebracht voor de presidentsverkiezingen waarin hij het opneemt tegen de talentvolle senator John F. Kennedy. Het belooft de spannendste verkiezing ooit te worden, een strijd tussen twee werelden: de verbeten Quaker versus het gelikte rijkeluiskind. Dan verdwijnt Nixon opeens - op een roadtrip die hem naar Tijuana, Mexico zal brengen. Vanwaar dat impulsieve vluchtgedrag? En welke beschadigingen - opgelopen in een leven dat in armoede begon, in een gezin waar de dood altijd boven tafel hing - zullen bepalend zijn voor de fatale fouten die jaren later het vonnis zullen voltrekken over Nixons carrière?

In Zoeklicht op het gazon beschrijft Auke Hulst op intelligente wijze de invloed van karakters op de loop van de geschiedenis van de Amerikaanse politiek. Het resultaat is een historisch psychologisch portret dat uiterst actueel is.

 

Nocturne

9 mei 1970

Het spookte in het Witte Huis en hij was de geestverschijning van dienst. Zijn spieren deden pijn, zijn nek was stijf, zijn godverdomde hart een beurs geslagen vuist, en nu hij in een raam zijn weerspiegeling trof, schrok hij van het uitgewoonde gelaat dat naar binnen keek. Hem bespiedde. Ook Lincoln had aan slapeloosheid geleden, wist hij, en aan melancholie, naar verluidt omdat diens geliefde zoontje Willie in het ouderlijk bed aan buiktyfus was bezweken – psychologengelul, als je het hem vroeg. Zo er al iets was wat presidenten van de vredig sluimerende massa onderscheidde, dan was het het gewicht van verantwoordelijkheid, en niets anders.
Hij had 200 milligram Seconal weggespoeld met twee duimen whisky, maar een angstdroom had het effect tenietgedaan. In de badkamer had hij met moeite een eierdopje urine geproduceerd en met een washandje het zweet van zijn bovenlijf gewassen – zijn huid leek wel beschimmeld papier. Zich vervolgens aangekleed, een maatpak onder zijn kamerjas voor het geval dat. De nachtmerrie had zich ontvouwd tot een hem bekend scenario: hij was terug in het huis waar hij was opgegroeid, een kruidenierszaak in Whittier, Californië, in de slaapkamer die hij deelde met zijn broer Harold en zijn broertje Arthur, maar gek genoeg niet met Don, noch met Edward, die nog niet geboren was. De jongens sliepen en hij was klaarwakker – buiten stampte een Tyrannosaurus rond het verduisterde pand, de tanden druipend van het speeksel. Aardbevinkjes deden het servies in de keuken rinkelen en de piano in de woonkamer metalig kreunen; dode insecten dansten in de vensterbank, ogenschijnlijk met zwarte magie weer tot leven gewekt. Hij trok de dekens over zich heen, bad tot God, vervloekte God, sprong toen met bonkend hart uit bed en probeerde vergeefs Harold en Arthur wakker te schudden. Hij riep om hulp, maar niemand kwam. Dat was een fout, want nu ramde het voorwereldlijke beest zijn hoofd naar binnen, greep de blote voetjes van de zevenjarige Arthur – die nog steeds niet wakker werd – en beukte het slappe lichaampje tegen de vloer tot het aan stukken scheurde in dieprode slagregens. Richard M. Nixon, de 37ste President, schreeuwde het uit en probeerde de T. Rex te verjagen met zijn zelfgemaakte hengel, mikkend op een oog zo groot als een ontbijtbord. Maar hij was een oude man, angstig en ingesteld op zelfbehoud – het leek allemaal nergens naar.
Hij ging de Lincoln Sitting Room binnen, zijn favoriete schuilplaats voor de nacht, de kruipruimte van de tijd. Hier, vanaf de eerste verdieping, had hij uitzicht op de Mall, waar Lincolns monument schelpwit werd uitgelicht. Ondanks de nawarmte van de dag stak hij de onwillige haard aan; hij schonk zichzelf een borrel in en liet zich in de luie stoel zakken. De antieke klok op de schoorsteenmantel sloeg vier uur, in koor met de tachtig andere in het Witte Huis – de laatste slag onthulde een venijnige stilte. Het marmer zweeg, het victoriaanse behang zweeg, het hele huis leek met stomheid geslagen, hoewel een niet gering aantal mannen op dat moment waakte over dit ene echtpaar van huisbewaarders. Pat sliep in haar eigen kamer, onder ’s werelds lelijkste kroonluchter, omdat ze zijn nachtelijke expedities niet verdroeg – zij sliep beter dan hij, zeker na twee of meer martini’s. Hij was haar ergens kwijtgeraakt, al jaren geleden, maar ze zou ooit terugkeren; hij hield van haar; ze was spijkerhard. Alle zwakte, dacht hij, is zondig, behalve liefde. Hij nam zijn notitieblok van het bijzettafeltje, bladerde door zijn aantekeningen en maakte de punt van een ballpoint nat met zijn tong. De droom noteren? Nou, nee. Het ging de geschiedenis geen bal aan – het zou enkel het geouwehoer van kwakzalvers stimuleren.
Cambodja was belangrijker – het pr-vraagstuk, niet het land. Zijn besluit tot militaire operaties voorbij de Vietnamese grenzen was kolen op het vuur van de studentenprotesten. Waarom begrepen die vlegels niet dat hij de oorlog moest verbreden voor die tot een wiskundig punt kon worden vernauwd? Zeker nu de communisten zich gesterkt voelden door zijn pogingen de oorlog af te bouwen. Uiteindelijk streefden de studenten en hij hetzelfde na, maar de manier waarop zou vergaande implicaties hebben voor de delicate balans tussen de supermachten. Zoete broodjes hadden nog nooit een geopolitiek conflict beslecht.
En toch, en toch… Dat de Nationale Garde het vuur had geopend op die rellende dienstplichtontwijkers, velen jonger nog dan zijn eigen dochters, had hem uit balans gebracht. Het land leek goddomme langs de ruggengraat in tweeën te scheuren, onder zíjn toezicht.
De nachtmerrie, besloot hij, was vast het gevolg van de live uitgezonden persbriefing van gisteravond. Van de stress daarvan. Stress was altijd de oorzaak. Hij had zich rechtstreeks tot de jeugd gericht, over de hoofden van journalisten heen, om duidelijk te maken dat hij begreep dat ze vrede wilden, een eind aan het moorden en de dienstplicht, maar dat zwakte dat doel niet diende. Dat hij de oorlog enkel kon bekorten door de Vietminh en Vietcong vrijplaatsen in Cambodja te ontzeggen – daarna zouden 150.000 manschappen huiswaarts kunnen keren, beloofd. Hij had zich goed voorbereid, zin voor zin bijna, en toch was hij uit zijn gewone doen geweest. Onder de hete televisielampen in de East Room had hij zich onthecht gevoeld van zijn drijfnatte lijf, niet in staat met zijn handen goed getimed de woorden te benadrukken. Hij wou dat hij controle had over dit vreselijke vlees, de controle van de atleet of de acteur, of desnoods van Jack, hoewel diens mannelijke houding te danken was geweest aan de steun van een korset. Alles beter dan met een onzichtbare schurk worstelen die de ruimte had ingenomen die hem rechtens toebehoorde.
Al een tikje aangeschoten hees hij zich op zijn benen om een tweede borrel in te schenken, gekend risicogebied. Daarna bladerde hij op zijn knieën door de platencollectie, koos Rachmaninoffs Tweede pianoconcert in C mineur, blies het stof van het vinyl. Met de randen tussen zijn handpalmen geklemd liet hij de langspeelplaat teder op de draaitafel zakken, plaatste de naald. Het beloftevolle kraken ging over in een pianomotief dat tegelijk kerk en kerker suggereerde, zijn vrome moeder en drieste vader. Toen: het marcheren van zware voeten in de Russische nacht, opgezweept door een orkestrale wind. Met gespreide vingers hamerde hij op een onzichtbaar instrument.

[...]

 

© 2018 Auke Hulst

MINDBOOKSATH : athenaeum