Leesfragment: Chalet 152

20 oktober 2019 , door Anton Valens
|

22 oktober verschijnt de nieuwe roman van Anton Valens: Chalet 152. Wij publiceren voor.

In Chalet 152 van Anton Valens zit Djoeke van ’t Hull bijna aan de grond; hij trekt in een chalet op het verlaten vakantiepark ’t Ezeltje, in de winter bewoond door een groepje outcasts. Zijn masturbatiefrequentie is beduidend gedaald als hij over de heg de exuberante Audrey d’Audretsch ontwaart: hij wordt haar minnaar. Audrey gaat voor in een ritueel bij vollemaan in een duinpan aan de Noordzeekust. Middels het brouwsel van een meesterplant, ayahuasca, kunnen de deelnemers, veelal bewoners van ’t Ezeltje, hun blokkades opheffen. Heftige hallucinaties, ontluchtingen en bizarre gedragingen zijn het gevolg. Djoeke van ’t Hull vliegt langs intergalactisch puin de diepste leegte in. Besprongen door jeugdherinneringen, een verloren liefde en angstaanjagende wanen zoekt hij in gesprek met het Ander antwoord op de eeuwige vragen: Wie ben ik? Wat ben ik? Is er een leven na de dood?

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Het compostcirculatieplan en besprak Maarten Dessing de roman.

 

Het eerste hoofdstuk

Een van de eigenaardigheden waarvoor de schilder van lantaarnpalen zich gesteld ziet is dat hij bij voortduring tegen het licht in kijkt. Ook als ze niet branden is dit het geval – want zelfs bij bewolkt weer staan ze betrekkelijk donker afgetekend tegen de hemel. En nog lange tijd na zijn verblijf op ’t Ezeltje, een vakantiepark, wordt Djoeke van ’t Hull aan deze wetmatigheid herinnerd: wanneer zijn ogen droog en vermoeid zijn verschijnt vanzelf het zinnebeeld van een matzilveren lantaarnpaal op zijn netvlies. Direct gevolgd door het veroverende gezicht van Audrey.
Het was bij benadering vijf of zes jaar geleden dat hij van zijn oom (een oudere broer van zijn moeder) het verzoek kreeg gedurende de winter op diens chalet te passen. Zijn oom had zijn koffie nog niet uitgedronken of hij zei, opstaande: ‘Je tante is het helemaal kwijt.’ Djoeke, de duimen in de broekzakken gehaakt, knikte, hij begreep het: haar verstand. (Hij was ook maar overeind gekomen uit zijn stoel.)
Het was een noodsituatie. Een trieste geschiedenis: ze was ten prooi gevallen aan een agressieve vorm van dementie en zou worden opgenomen in een verpleegtehuis. Thuis wonen kon niet langer. Ze was snel afgetakeld, binnen het jaar. Oom Graham, een gedrongen man met sluik grijs haar, wreef zorgelijk in zijn handen. Kort na zijn pensionering stond hij weer alleen, na een huwelijk van bijna vijfenveertig jaar. Hij had het plan opgevat dagelijks langs te gaan in het verpleegtehuis om samen te middageten. Zij had geen flauw idee wie hij was. ‘Ze herkent de kinderen ook niet meer…’ Hij bleef de hele tijd spreken van ‘je tante’, alsof ze met haar geestelijke vermogens ook haar naam verloren had.
Djoeke en hij bevonden zich in de huiskamer van een eengezinswoning uit de jaren zeventig, in een anonieme voorstad van Rotterdam. De muren van de zitkamer waren behangen met gebroken wit structuurbehang. Een deel van oom Grahams spiegelbeeld weerkaatste in een ovale spiegel met een leren lijst terwijl hij met korte pasjes heen en weer dribbelde. Hij droeg een nachtblauw colbert. Telkens detecteerde Djoeke vanuit zijn ooghoek een donkere flits, gevolgd door een lichte flits in het glas aan de gebroken witte muur. Het was een kamer waar de warmte uit was.
‘Enfin, het huisje… Chaletje moet ik zeggen…’ hernam oom Graham. ‘Ik kom er niet aan toe. Misschien, als je tante er niet meer is, dan…’ Hij aarzelde om verder te gaan.
Djoeke durfde niet naar de prognose te vragen. Hij keek naar de ijsberende man via de spiegel. Sinds zijn jeugdjaren was hij hier niet meer op bezoek geweest.
‘Het gaat erom dat ik een soort “rentmeester” zoek voor de komende maanden voor op het chaletje.’
‘Tot het einde?’
‘Juist.’ Er klonk een heel lichte irritatie door in oom Grahams stem. ‘Tot het voorbij is. Haar lijdensweg.’
Dit zou in november moeten zijn geweest. Een echte, gure herfstdag. Oom Graham opperde dat zijn neef op zijn chalet zou passen, voorlopig dan. Een vergoeding zat er helaas niet in maar Djoeke zou de huur niet hoeven te betalen, alleen voor elektra en gas, dat uit een fles kwam. Zelf woonde Djoeke op een zolderkamertje met weinig gemakken, waar hij uit moest. uit. Hij stond op non-actief. Hij ontving een minimale uitkering, tot die plotseling stopgezet werd, en leefde van spaargeld dat aan snelle ontwaarding onderhevig was. Had hij nog iets te zoeken in de stad? Was het niet zinniger zijn leven in een weekendtas op te bergen en op een andere plaats weer voor de dag te halen? Hij liep al langer met zulke plannen rond. Als kind was hij een paar keer met zijn moeder bij zijn oom en tante op visite geweest in het chalet. Hij wist zelfs het nummer nog: 152. Hij herinnerde zich het bos. De houten ezel.
Korte tijd later had Djoeke zijn zaakjes in Rotterdam afgehandeld en het chalet betrokken. Het was er kil en het rook lichtelijk naar bladeren en verrotting, maar toen hij de butagaskachel eenmaal aan de praat had gekregen werd het snel behaaglijk. Er stonden een driezitter en een tafel met houten stoelen. In de slaapkamer vond hij een tweepersoonsbed met gecapitonneerd hoofdeind en een roomkleurige wollen sprei waar in rood een afbeelding van het Canal Grande uit Venetië op was geborduurd. Wat hem het meest aansprak was de boekenkast, waar een gevarieerde verzameling oudere en vertaalde literatuur in prijkte – pockets met vergeelde pagina’s, delen Russische Bibliotheek, een door vochtvlekken en plaagdiervraat aangetaste Statenbijbel, een serie misdaadromans zoals Havank.
De eerste maanden voerde hij behalve lezen welbeschouwd niets uit. Misschien was deze langdurige lethargie, een gebrek aan energie, toe te schrijven aan een natuurlijke rustperiode om te herstellen van een fase waarin alles om hem heen leek te desintegreren. Vaak had hij het beeld van een verlaten fabriek voor zijn geestesoog gehad, die met explosieven werd opgeblazen en in elkaar stortte in stofwolken. Eens in de tien dagen ging hij eropuit om boodschappen te halen bij de Nettorama in de nabije badplaats; het brede strand en de zee maakten echter een onherbergzame indruk, zodat hij van de prijsvechterssupermarkt meteen weer terugreed naar het vakantiepark om de koude, sombere regen, natte sneeuw en hagel die uit de lucht neervielen te ontvluchten. In chalet 152 had hij genoeg aan zijn eigen bespiegelingen. Zijn masturbatiefrequentie, een belangrijke graadmeter, was beduidend gedaald – geen teken van vitaliteit. Maar langzaamaan klauterde hij toch omhoog – de schlemiel was taaier, minder slap en schlemielig dan hij was gaan geloven. En op een van de eerste stralende dagen van het jaar, vroeg in april, kon hij gesignaleerd worden tussen de strandwandelaars met hun vliegers, honden en kinderen. De westenwind waaide hard. De vloed was net begonnen zich terug te trekken. Djoeke trok zijn schoenen en sokken uit en liet het ijsfrisse water over zijn voeten wassen. Hij stond een poosje in de zee, de benen uit elkaar, en liet zijn voeten en enkels wennen aan de kou. Geen zwemmers voor zover hij kon overzien, enkel een viertal surfers in zeeleeuwpak, die op hun planken dobberden en op een hoge breker wachtten. Afgetekend tegen de blinkende witten van het omslaande en uitrollende zeeschuim, met in iedere hand een schoen en de benen iets gespreid, leek hij een sculptuur van Giacometti. Zijn wangen werden ontsierd door de littekens van acne. Vroeger, in zijn pubertijd, stootte zijn smoelwerk hem af in die mate dat hij spiegels meed en slechts met grote tegenzin op de foto ging, maar inmiddels, op zijn tweeëndertigste, konden zijn fletse, smalle gezicht en dunne lichtbruine haar hem niet meer deren. Wat betreft zijn innerlijk daarentegen, dat was een volstrekt ander verhaal; o wee, als hij tot zichzelf inkeerde werd hij bevangen door huiver – voor de eenzaamheid daar, het zeer, was het woord lelijk nog te mooi en hij verbloemde het door erover te zwijgen.

[...]

 

Copyright © 2019 Anton Valens en uitgeverij Augustus, Amsterdam

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum