Leesfragment: De Revisor #22. De periferie

25 juni 2019 , door Rob van Essen
| |

Vandaag verschijnt De Revisor #22, een nieuw nummer in een nieuw jasje. Lees bij ons alvast een deel van Rob van Essens verhaal 'Vleesmolen, Taffelberg en ik'.

Deze Revisor gaat over de periferie. De periferie als datgene wat niet het centrum is, maar zich daar wel onontkoombaar toe verhoudt. De buitenwijk, het randgebied, de voorstad, het achterland – ze bestaan vanwege het centrum, in het staccato contrast of de geleidelijke gumbeweging van kern naar buitenrand.

Twaalf schrijvers verkennen wat het woord periferie voor hen betekent. Het leverde een diverse verzameling teksten op, waarin we ons van Brussel naar Istanbul, Luanda en Overschie verplaatsen. In het hart van De Revisor ligt Binnenin, waarin de gedichten zijn opgenomen waaromheen de verhalen en essays elk op eigen wijze de grenzen opzoeken. De grenzen van het thema, een gebied, een gedachte.

N.B. Luister ook naar de podcast van het interview met Rob van Essen, en lees onze voorpublicaties uit De goede zoon, Winter in Amerika en Hier wonen ook mensen. Pieter Hoexum besprak voor ons Van Essens Kind van de verzorgingsstaat. Dat was ook een van de vijf boeken van Roos van Rijswijk.

 

Vleesmolen, Taffelberg en ik

We waren met z’n drieën, Vleesmolen, Taffelberg en Wally. Taffelberg was een aanzienlijk deel van zijn leven kwijt met het telefonisch of in levenden lijve aan ambtenaren, receptionisten en andere functionarissen uitleggen dat hij geen Tafelberg heette maar Taffelberg, met dubbel f. Dat beweerde hij tenminste altijd, waarbij hij de zinsnede ‘een aanzienlijk deel van mijn leven’ een paar keer herhaalde, om het belang van de boodschap te onderstrepen. Niemand van ons (dat zijn dus Vleesmolen en Wally) had ooit daadwerkelijk meegemaakt dat Taffelberg zijn naam moest verdedigen tegen dit terugkerende misverstand, terwijl hij toch ook een aanzienlijk deel van zijn leven in ons gezelschap doorbracht, maar dat was waarschijnlijk een ander aanzienlijk deel. Vleesmolen heette geen Vleesmolen, hij had zichzelf vernoemd naar zijn favoriete methode om met tegenstanders af te rekenen. Ik was Wally. Dat ben ik nog steeds, maar dit verhaal speelt in het verleden. We waren toen net in ongenade gevallen, dankzij Vleesmolen, die volgens boven ons geplaatsten de verkeerde dealer door zijn vleesmolen had gehaald, namelijk eentje die voor ons werkte, maar we waren solidair en sloten ons bij hem aan toen hij uit L. werd verbannen — nee, dat is niet waar, we werden als driemanschap gezien en Taffelberg en ik moesten tegelijk met hem weg.
We reden in Taffelbergs Oldsmobile de straat uit, bedrukt zwijgend. Terwijl we de woestijn inreden zon ik op iets luchtigs om de spanning te breken. Dat was mijn onuitgesproken taak, voor verlichting en vermaak zorgen, en hoewel ik daar doorgaans goed in was (en ben, maar zoals gezegd, dit verhaal speelt in het verleden), schoot me op dat moment niets te binnen. Een uur eerder, toen we door de laatste buitenwijken van L. reden, had ik omdat ik niets beters kon verzinnen maar weer eens gevraagd wat een Taffelberg eigenlijk voor soort berg was, maar dat was niet goed gevallen bij onze chauffeur. (Taffelberg zelf, niemand anders mocht met zijn auto rijden.) We wisten natuurlijk alle drie dat zijn achternaam het gevolg moest zijn van een verschrijving, maar het beste was om de man alleen te laten met zijn achternaam en zo nu en dan de mededeling over het aanzienlijke deel van zijn leven te doorstaan.
We hadden geen idee waar we naartoe moesten. Een andere stad, dat was duidelijk, het platteland was niets voor ons, van de woestijn werden we zenuwachtig. Toen we tankten bij een benzinepomp die in het midden van nergens langs de weg stond, boog Vleesmolen zich over een uitgevouwen landkaart, geen idee waar hij die vandaan had. Taffelberg werd meteen kwaad omdat Vleesmolen de kaart over de neus van de auto had uitgespreid. ‘Niet de hele kaart,’ zei ik, ‘maar toch wel een aanzienlijk deel’, maar die viel niet goed, niet bij Taffelberg en ook niet bij Vleesmolen. Alleen de pompbediende grinnikte terwijl hij de slang terughing, en we wierpen hem een verwonderde blik toe, waar bemoeide hij zich mee, en hoe kon hij de grap begrijpen tenzij hij wist wie we waren? Terwijl Vleesmolen de kaart opvouwde keken we elkaar aan, Taffelberg maakte even een gebaar naar de plek waar in betere dagen zijn schouderholster had gezeten, maar Vleesmolen en ik schudden ons hoofd en we besloten dat de pompbediende mocht blijven leven.

[...]

 

Copyright © 2019 Rob van Essen

MINDBOOKSATH : athenaeum