Leesfragment: De wetten van water

15 oktober 2019 , door Cynan Jones
|

Nu in de winkel: de nieuwe Cynan Jones, De wetten van water (Stillicide, vertaald door Jona Hoek). Wij brengen een fragment.

Water is schaars geworden. De Watertrein die de stad bedient, loopt steeds meer het risico gesaboteerd te worden. Wanneer bekend wordt dat meer mensen dan aanvankelijk werd gedacht hun huis zullen moeten verlaten door de bouw van een IJsdok, gaan demonstranten de straat op en beginnen de levens van verschillende mensen in elkaar te grijpen. De wetten van water is een aangrijpend verhaal over liefde en verdriet en de wil om te overleven, dat een verontrustende glimp laat zien van de nabije toekomst.

N.B. Eerder publiceerden we al voor uit Jones' romans De lange droogte en Inham en plaatsten we een toelichting van de vertaler over Jones' roman De burcht. 

 

De Watertrein

De hand van de jongen opende en sloot zich alsof hij een glas water wilde pakken maar het waren slechts de zenuwen die afstierven in zijn lichaam.

Door de zware regen liep het bloed waterig roze uit de wond.

Dichtbij klonk opnieuw het gekraai van een fazant, een toeterende roep zoals ze laten klinken voor onweer.

De kogel was bij de kaak van de jongen binnengedrongen en had die kant weggeslagen.

Branner stond over het lichaam gebogen, de regen sloeg tegen zijn capuchon, roffelde boven het laatste geraas van de trein uit. Zwaar en ritmisch, zwaar en ritmisch.

Voelde het trillen uit de grond verdwijnen naarmate de trein verder weg raakte.

De hand van de jongen trok nog steeds, een vis stervend op het droge.

De regen tikte tegen Branners capuchon. Tik. Tak. Vormde een schuilplaats voor zijn geest. Een bouwwerk dat hij nog niet verlaten had. Het schermde hem af.

De bovenste zijde van het gezicht van de jongen was zichtbaar en volmaakt en niet door de kogel aangetast.

Branner droeg het oortje los zodat hij de regen kon horen en de stem van de brigadier leek van ver te komen.

– Het was een kind, zei Branner tegen het microfoontje.

*

Er heerst een stilte als na een stevige windvlaag.

Ze staan boven in het veld, kijken uit over de oceaan, over de pijnbomen die in hun blikveld staan.

Ze verstevigt haar greep als ze zijn woorden voelt opkomen.

– Ik wil niet dat er pijn is.

Haar hand knijpt steviger. Niets zeggen.

Hij wil zeggen: Ik wil niet dat er tijd is, om aan je te denken als je pijn hebt.

– Ik wil geen tijd om aan je te denken als je pijn hebt.

Het licht wordt sterker, alsof het in volume toeneemt. Tijd. Er zit geen beweging in de lucht, maar in de grond begint nu een allerlichtst schudden.

Dan lijkt plotseling in de verte de zee aan de horizon gladgestreken te worden, zoals zachte boter wanneer er een bot mes overheen gaat.

Ze knijpt in zijn hand, alsof ze de aarde tot stilte maant. Hem tot stilte maant.

Ik dacht dat ik sterker zou zijn dan dit. Niet zo, deze boosheid.

Hij is zich de laatste tellen bewust van haar grootse waardige angst terwijl de bomen voor hen exploderen. Exploderen in stilte.

Een vogel doorkruist de lucht. Alleen en zwart. Verbrandt midvlucht, valt in as uiteen.

Een fractie van een seconde voor hij wakker wordt, dringt de kracht door zijn ogen.

De droom is als een droge mond.

Het gesuis in het oortje bracht Branner bij zinnen, en hij zag de rode stip knipperen op de omgevingsscanner in zijn hand. Zo tegen de wilg bij de vijftigmetergrens aangedrukt was hij gedeeltelijk tegen de regen beschut. De regen kwam met bakken omlaag. Temperde het ochtendlicht.

De afleiding was een verademing. Toen hij de woorden van de dokter hoorde, klonken ze alsof ze onder water werden uitgesproken. Waren nadien elke seconde in omvang en soliditeit toegenomen. Leken nu te tikken tegen de schaal van de droom die hij al weken had. Een herhaling waartegen hij zich bij het slapen schrap zet. De droom lijkt inmiddels een waarschuwing.

‘Ik heb het gezien,’ zei Branner in zijn microfoontje.

Hij zag hoe de rode stip over de scanner gleed, aarzelde en toen schijnbaar tot rust kwam. Hoe een lichte condens aan de randen van het scherm ontstond.

Je kon op geen enkele manier weten wat de rode stip was, maar het was in de sector en groot genoeg om de sensoren te activeren.

Hert. Hond. Mens. Als het nog leefde en aanwezig was wanneer de watervracht passeerde, zou het afweergeschut van de trein automatisch vuren.

Ze namen nu geen enkel risico meer. Aanvallen op de spoorlijn waren toegenomen.

Branner stond voor de keuze om uit de buurt te blijven of om zelf het gevaar te neutraliseren. Hij kon schieten, of, als hij het als ongevaarlijk kon beoordelen, het bij de toren melden en dan konden zij het geschut van de trein uitschakelen.

‘Kun je er komen?’ De stem van de brigadier klonk door het oortje, door het tikken van de regen tegen Branners capuchon.

‘Ik kan er komen,’ antwoordde Branner. Het was redelijk dichtbij. Aan de andere kant van het spoor.

‘Laat het geschut van de trein het pakken,’ zei de brigadier.

Branner voelde hoe het oude litteken op zijn kaak lichtjes aan de voering van zijn capuchon bleef haken.

‘Nee, ik ga wel.’

Het zal een dier zijn, dacht Branner. Het hoeft niet onnodig te sterven.

De druppels kwamen samen en vielen log van de lange wilgenbladeren.

Branner controleerde zijn geweer en liep de regen in.

~

Er heerste een zekere loomte bij de uitkijkpost. De regen klopte zachtjes op het golvende dak.

De brigadier en de spoorlijnagent bekeken Branner op de monitor – een groene stip – ingezoomd tot op een paar kilometer. Ze vonden het moeilijk om enkel de groene stip te zien en zich niet Branner zelf voor te stellen.

Door wat ze wisten van Branners vrouw zagen ze hem anders.

‘Waar is de trein?’ De stem die abrupt de kamer binnendrong leek geen verband te houden met de stip.

‘Op tijd. Veertig seconden tot de sector.’ De cijfers knipperden.

De regen nam toe, roffelde tegen de uitkijkpost. Bonsde omlaag.

‘Lekker hè, zomer?’ zei de brigadier.

‘Ze hadden een goot naar de stad moeten bouwen,’ zei de agent. ‘Deze regen. Niet een treinspoor.’

‘Nou, wij komen niet zonder te zitten.’

De brigadier voelde de warmte van de koffie door de kop, was een ogenblik gebiologeerd door de krullen aan de oppervlakte van de vloeistof. Door het beheerste gekletter van de afgevoerde regen.

De vijandige rode stip verplaatste zich niet. Hij bewoog slechts sporadisch op dezelfde plaats.

‘Het is aan het wachten,’ giste de brigadier. In een poging iets uit de stip op te maken.

Gisteravond was het een hond, verstrikt in de doornstruiken. Verloederd, gedrongen vuilnisbakkenmormel.

‘Is de begroeiing daar weggehaald?’ vroeg hij aan de spoorlijnagent.

‘Achttien maanden geleden.’

Branner deed er lang over voordat hij het spoor overstak. Waarom deed hij dat?

Een nauwelijks waarneembare trilling begon in het water dat in de regenvanger buiten hing. De brigadier zocht naar de trilling in zijn kop koffie.

‘Ze zouden het elk jaar weg moeten branden,’ zei hij.

Hij kon de laatste paar seconden zijn ogen nooit van de teller houden. De flikkerende cijfers. Verdomme, hij doet er lang over.

Ze wisten dat het kwam maar hun lichamen verstarden toch toen de toon klonk.

‘Oké,’ zei de brigadier door de communicatiekanalen. ‘Trein in de sector. Het moet sneller, John.’

~

Branner stak het spoor over bij een van de oude steunen van de pijpleiding die het water naar de stad had vervoerd voor de komst van de trein.

De herinnering bonsde tegen de schaal die de droom om zijn geest vormde, een versufte mot tegen helder glas. De keer dat ze elkaar ontmoetten. Hierbuiten als een jonge soldaat op patrouille, voor hij overstapte naar de politie. Een activistische groepering had een bomaanslag op de pijpleiding gepleegd. Hij was een van de weinigen geweest die nog overeind stonden. Die verdrinkende mannen uit het overgestroomde water sleepte.

Zij zat bij het medische team. Hij was de eerste persoon die ze ooit had gehecht.

De regen had de stekende insecten naar buiten gelokt en ze hingen in hechte wolkjes boven de spoorlijn, gehypnotiseerd door de hoge bromtoon die als feedback terugkwam van de drukconvertoren.

Er hing een geur van nat metaal en steen.

Branner stond niet goed in contact met zichzelf. Hij kon niet uit het moment met haar stappen in zijn droom vlak voordat de bomen explodeerden.

Het was een muntjak die we die dag aten, dacht hij. Voordat de springstof afging. Het is waarschijnlijk een muntjak, deze rode stip.

Terwijl hij het spoor overstak hield hij even stil om zijn hand op de rails te leggen, zijn gewoonte om de wereld aan te raken in een poging hem terug te brengen. Maar hij kon zich niet volledig concentreren.

Hij zag zichzelf een fractie van een seconde weerspiegeld in de regen die zich op de zonnebielzen verzameld had. Een zwarte vogel die in as uiteenspat.

Opgaan in lucht, terwijl de regen zijn kortstondige beeltenis uiteendreef.

Niet al te ver weg kokkerde een fazant, klapperde met zijn vleugels, zich gewaar van de naderende trilling in de lucht.

~

Bij de uitkijkpost begonnen de merels te roepen en al spoedig drong hun lawaai overal doorheen. De regenvanger trilde nu waar hij opgehangen was, en de paal gonsde van het bizarre, toevallige lied dat in zijn ijzeren kabels ontstond.

‘Waarom is hij er nog niet?’ vroeg de brigadier. De groene stip was in ieder geval sneller gaan bewegen. Een tijdlang leek hij te haperen, alsof de stip zelf zich een weg door de zwarte achtergrond van het scherm moest banen.

Ze zagen Branner toen hij in beeld van de camera’s kwam, toen hij het spoor overstak.

‘Ga je het halen?’ vroeg de brigadier botweg door de communicatiekanalen.

Ze zagen Branner, de regen vormde op een of andere manier een lichtkrans om hem heen, alsof hij zich in een bubbel voortbewoog.

‘Dat ga ik.’ Maar de stem was ver weg.

‘Hij doet er lang over, brigadier.’

‘Het is Branner,’ zei de brigadier. ‘Hij schiet wel.’

De regen nam weer toe. Een naderend geluid. De trein die vijfenveertig miljoen liter water met driehonderd kilometer per uur naar de stad vervoert.

Niet rood worden, John, dacht de brigadier. Daar ben je het type niet voor. Je zei dat je in orde was.

Hij hoeft alleen maar zijn groene sein uit te zetten en...

De flikkerende cijfers, de inmiddels zwiepende regenvanger.

‘Laat maar, Branner. Blijf uit de buurt. Het zal wel weer een hond zijn.’

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum