Leesfragment: Een oude geschiedenis

13 september 2019 , door Jonathan Littell
|

Vandaag verschijnt het nieuwe boek van Prix Goncourtwinnaar Jonathan Littell: Een oude geschiedenis. Nieuwe versie, vertaald door Ilse Barendregt. Wij brengen een fragment.

Een spiegelpaleis van wrede excessen. Een man, een vrouw, een kind. Een badkuip, een gang, een tuin, een hotelkamer. Een deurklink, een fotoboek, een sprei, een Da Vinci, een pianoconcert van Mozart. Sardientjes, roggebrood, wijn. Dit alles en meer komt steeds – maar steeds anders – terug in de zeven hoofdstukken die deze verontrustende en hallucinante roman beslaat. Maar elk hoofdstuk begint in een zwembad. Een naamloze ikfiguur, soms van fluïde (gender)identiteit, komt uit het water, rent eenmaal aangekleed gedesoriënteerd door een eindeloos gangenstelsel, opent een deur (in elke scène een andere) en duikt aan het eind van elk hoofdstuk weer in het water.

N.B. Eerder publiceerden we een fragment uit De welwillenden en lichtten vertalers Jeanne Holierhoek en Janneke van der Meulen de eerste zin van die roman op Athenaeum.nl toe.

 

I

Mijn hoofd brak door het oppervlak en mijn mond ging open om lucht te happen terwijl mijn handen, in een lawaai van spetters, de kant vonden, steun zochten en met de kracht van mijn vaart, overgebracht naar mijn schouders, mijn druipende lichaam uit het water hesen. Een ogenblik bleef ik op de kant staan, gedesoriënteerd door de gedempte echo’s van het geschreeuw en van de geluiden van het water, versuft door het gefragmenteerde beeld van mijn lichaam in de grote spiegels rond het bad. Rond mijn voeten vormde zich een steeds groter wordende plas; een kind schoot voor me langs, waardoor ik bijna achteroverviel. Ik kwam weer tot mezelf, deed mijn muts af en mijn bril en liep, nadat ik een laatste blik over mijn schouder had geworpen naar de glanzende lijn van mijn rugspieren, door de klapdeuren. Eenmaal afgedroogd en gehuld in een grijs, zijdeachtig trainingspak, fijn aanvoelend op de huid, ging ik de gang weer in. Zonder aarzelen liep ik een splitsing voorbij, en nog een, het was hier tamelijk donker en in het schimmige licht waren de muren nauwelijks te zien, ik begon te rennen, met kleine passen zoals bij joggen. De wanden, vaal van kleur, trokken aan me voorbij, soms dacht ik een opening te bespeuren, of op zijn minst een donkerder vlak, ik kon me er niet van vergewissen, soms ook streek de stof van mijn jasje langs de muur en dan week ik uit naar het midden van de gang, die leek af te buigen, maar dan heel licht, haast onmerkbaar, net genoeg om te twijfelen aan de rechtheid van het parcours, ik zweette al, toch was het warm noch koud, ik ademde regelmatig: om de drie passen ademde ik een teug weeë lucht in, die ik vervolgens met een fluitend geluid weer uitblies, mijn ellebogen hield ik tegen mijn lichaam gedrukt om niet tegen de muren te stoten, die nu eens verder weg leken en dan weer dichterbij, alsof de gang was gaan kronkelen. Voor me zag ik niets, ik liep zo’n beetje op goed geluk verder, boven mijn hoofd zag ik geen enkel plafond, misschien liep ik wel in de openlucht, misschien ook niet. Een harde klap tegen mijn elleboog deed een pijnscheut door mijn arm trekken, meteen bracht ik er mijn andere hand naartoe en ik draaide me om: een glanzend voorwerp, aan de muur, maakte zich los uit de grauwheid. Ik legde er mijn vingers op, het was een klink, ik drukte en de deur ging open, voerde me met zich mee. Ik bevond me in een mij vertrouwde, vredige tuin: de zon scheen, lichtvlekken lagen verspreid over de met elkaar vermengde bladeren van de klimop en de bougainvilles, die netjes gesnoeid tegen hun latwerk groeiden; verderop kwamen de knoestige stammen van oude blauweregens uit de grond omhoog om de hoge gevel van het huis, dat als een toren voor me oprees, met loof te overdekken. Het was warm en met mijn mouw veegde ik het op mijn gezicht parelende zweet weg. Aan de zijkant, deels verscholen achter het huis, glinsterde het water van een zwembad of vijver, een blauw vlak omgeven door kalkstenen tegels; het bleke oppervlak ervan was witgerimpeld en lag half in de schaduw van de lange gewelfde bladeren van een gedrongen, massieve palmboom. Er glipte een grijze kat tussen mijn benen, die, met opgerichte staart, zijn rug tegen mijn kuit aan wreef. Met de punt van mijn voet gaf ik hem een duwtje en hij schoot weg naar het huis, waar hij verdween door een halfopen deur. Ik volgde hem. Van achter uit de gang, door een andere halfopen deur, kwam een reeks vreemde geluiden op me af, min of meer lage plofklanken, onderbroken door gefluit: het leek erop dat het kind oorlogje aan het spelen was, waarbij hij zijn tinnen soldaatjes achter elkaar omverwierp in een stortvloed van schoten en explosies. Ik liet hem rustig verder spelen en ging de wenteltrap op naar boven, waarbij ik even op het tussenplateau bleef staan om naar de serieuze, starende blik te kijken van de grote ingelijste reproductie van De dame met de hermelijn die daar hing. De vrouw stond in de keuken, bij het geluid van mijn voetstappen legde ze haar mes neer en draaide zich glimlachend om, waarna ze zich teder tegen me aan drukte. Ze droeg een parelgrijze makkelijke jurk; door de dunne, lichte stof heen streelde ik haar lieflijke zij, en groef toen mijn gezicht in haar Venetiaans blonde haar, dat ze kundig in een rommelige knot had opgestoken, om er de geur van hei, mos en amandel uit op te snuiven. Ze barstte uit in een zacht lachen en maakte zich los uit mijn omhelzing. ‘Ik ben met het eten bezig. Het duurt nog even.’ Met haar vingertoppen streek ze langs mijn gezicht. ‘De kleine is aan het spelen.’ ‘Ik weet het. Ik hoorde hem toen ik binnenkwam.’ ‘Zou jij hem in bad willen doen?’ ‘Natuurlijk. Alles goed gegaan vandaag?’ ‘Ja, prima. Ik heb de foto’s opgehaald, ze liggen boven, op het meubel. Oh, en nog iets: er is een probleem met onze elektrische installatie. De buurvrouw belde.’ ‘Wat zei ze?’ ‘Er lijken spanningspieken te zijn, waardoor bij hen de stroom uitvalt.’ Ik voelde ergernis opwellen: ‘Ze raaskalt. Ik heb die installatie twee keer laten nakijken, door een vakman.’ Ze glimlachte en ik keerde haar de rug toe om de trap weer af te gaan. De gevechtsgeluiden waren opgehouden. Voordat ik de deur opende, ging ik de aangrenzende badkamer in om het bad vol te laten lopen, waarbij ik controleerde of het water niet te heet was. Vervolgens liep ik de kamer van het kind binnen. Hij droeg alleen een T-shirt; hij zat in zijn blote kont op zijn hurken, en filmde met een kleine digitale camera de kat, die, met felle halen, achtereenvolgens terugwijkend en springend, speels de met lansen en karabijnen gewapende tinnen ruitertjes omverwierp, die zorgvuldig op het grote Perzische tapijt stonden opgesteld. Ik bleef even naar hem staan kijken, als door een glazen wand. Daarna liep ik naar hem toe en tikte hem zachtjes op de billen: ‘Kom, het is tijd voor je bad.’ Hij liet de camera vallen en wierp zich jengelend in mijn armen. Ik tilde hem op en droeg hem naar de badkamer, waar ik zijn t-shirt uittrok voordat ik hem in het water zette. Onmiddellijk begon hij met vlakke handen op het oppervlak te slaan, lachend de muren bespattend. Ik lachte met hem mee, maar week tegelijkertijd terug, op het moment dat mijn rug steun vond tegen de deur zag ik hoe hij zich volledig onder het vloeibare oppervlak liet glijden.

[...]

 

Copyright © 2018 Jonathan Littell
Copyright Nederlandse vertaling © 2019 Ilse Barendregt/ bv Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum