Leesfragment: Het ijspaleis

23 juni 2019 , door Tarjei Vesaas
|

27 juni verschijnt Tarjei Vesaas' Het ijspaleis, door  Marin Mars vertaald uit het Noors. Lees hier alvast een fragment!

In een klein Noors dorp gaan twee jonge meisjes, de eenzelvige Unn en de levendige Siss, een intense vriendschap aan. Bij het meer buiten het dorp staat het ijspaleis: een bevroren waterval, door de elementen omgetoverd tot een fantastische constructie van doorschijnende muren, fonkelende torens en geheime kamers. Wanneer Unn besluit het ijspaleis in haar eentje te verkennen en niet terugkeert, gaat het hele dorp naar haar op zoek, maar tevergeefs. Siss moet proberen het hoofd te bieden aan dit verdriet, maar dreigt zich te verliezen in haar eigen bevroren wereld.

N.B. Eerder publiceerden we een fragment uit Vesaas' De vogels voor. 

 

I
Siss

Een jong, wit voorhoofd dat zich door het donker boorde. Een meisje van elf jaar. Siss.
Eigenlijk was het nog middag, maar het was al donker. Stijfbevroren late herfst. Sterren, maar geen maan, en geen sneeuw die het licht kon weerkaatsen – dus het donker was dicht, ondanks de sterren. Aan weerszijden van de weg was doodstil bos – met alles wat daar nu in leven moest en geplaagd werd door de kou. Terwijl Siss daar liep, dik ingepakt tegen de vrieskou, schoten er allerlei gedachten door haar hoofd. Ze ging naar het half onbekende meisje Unn, voor het eerst, naar iets wat ze niet kende, daarom was het spannend.
Ze kromp ineen: Een luid gekraak midden in deze gedachten, deze verwachting. Een lang scheuren, dat steeds verder ging, terwijl het geluid uitdoofde. Dat was het ijs op het grote meer hier beneden. En het was niet gevaarlijk, integendeel, het was juist fijn, het gekraak vertelde dat het ijs weer wat sterker werd. Het donderde als een geweerschot en maakte lange scheuren, zo dun als een mes, van het oppervlak de diepte in – en toch was het ijs iedere ochtend sterker en veiliger. Het had die herfst ongewoon lang en hard gevroren, zonder dat er sneeuw was gevallen.
Bittere kou. Maar Siss was niet bang voor de kou. Dat was het niet. Ze schrok van het gekraak in het donker, maar toen zette ze haar voet weer stevig neer.
Het was niet ver naar Unn. Siss wist de weg, die was bijna hetzelfde als die naar school – op een afsteekweggetje na. Daarom mocht ze ook alleen, ook al was het al donker. Vader en moeder waren niet bepaald bang uitgevallen wat dat betreft. De grote weg, zeiden ze toen ze die avond wegging. Dat hoefden ze niet te zeggen. Ze was zelf bang in het donker.
De grote weg. Toch was het niet niks om hier alleen te lopen. Ze hield haar hoofd kaarsrecht. Haar hart bonsde zachtjes tegen de warme voering van haar jas. Haar oren waren gespitst – omdat het al te stil was aan weerszijden van de weg en omdat je wist dat daar nog scherpere oren naar jou luisterden.
Daarom moest je je voet stevig en resoluut op de keiharde weg zetten, de klapperende voetstappen moest je kunnen horen. Als je de verleiding om zachtjes te lopen niet kon weerstaan, was het gedaan met je. Laat staan als je het dwaas op een lopen zou zetten. Dan zou je al snel als een kip zonder kop rondhollen. Siss moest vanavond naar Unn. En ze kon het makkelijk halen, zo lang als de avonden waren. Het werd zo vroeg donker dat Siss een tijdje bij Unn kon blijven en dan nog voor bedtijd weer thuis kon zijn.

Ben benieuwd wat ik bij Unn te weten kom. Zal zeker iets te weten komen. Heb de hele herfst gewacht, vanaf de eerste dag dat de onbekende Unn op school kwam. Ik weet niet waarom. Dit afspreken was helemaal nieuw en pril, het was net vandaag gebeurd. Na lange voorbereidingen kwam het onverwacht snel.
Op weg naar Unn. Met een fijne trilling van verwachting. Het gladde voorhoofd kliefde een ijskoude luchtstroom.

II
UNN

Op weg naar iets spannends – Siss dacht na over wat ze van Unn wist, terwijl ze zelf stijf en rechtop doorliep en probeerde haar angst voor het donker de baas te worden.
Ze wist maar weinig. En het zou vast weinig zin hebben om de mensen hier naar haar te vragen, die konden nauwelijks iets meer over haar vertellen.
Unn was zo nieuw hier, ze was afgelopen lente naar het dorp gekomen – uit een dorp vrij ver weg, waar ze dus geen contact mee hadden.
Er werd verteld dat Unn hierheen was gekomen nadat ze in de lente wees geworden was. Haar moeder was ziek geworden en ze was gestorven, in hun dorp. Haar moeder was niet getrouwd en had daar geen naaste familie, maar hier in het dorp had ze een oudere zus, en bij deze tante was Unn terechtgekomen.
Unns tante woonde hier al lang. Siss kende haar nauwelijks, hoewel ze niet ver bij hen vandaan woonde. Ze zat helemaal alleen in een klein huisje en wist zich zo goed en zo kwaad als het ging te redden. Je zag haar bijna nooit, je kwam haar alleen weleens tegen op de weg naar de winkel. Siss had horen zeggen dat Unn daar in huis van harte welkom was. Siss was er een keer met haar moeder geweest, haar moeder had hulp nodig bij het een of andere handwerkje. Dat was een paar jaar geleden, toen ze van het bestaan van Unn nog niet eens afwist. De tante had daar in haar eentje gezeten en ze was aardig, kon Siss zich herinneren. Je hoorde ook nooit een kwaad woord over haar.

Met Unn was het net zo toen ze kwam: ze deed niet meteen mee met de meisjes – wat ze wel hadden verwacht en gehoopt. Ze vingen soms een glimp van haar op op de weg of op plekken waar je wel mensen moest tegenkomen. Ze keken als vreemden naar elkaar. Zo was het nu eenmaal. Ze had geen ouders en dat gaf haar iets speciaals, een glans die ze niet echt konden verklaren. Ze wisten ook dat dit vreemde niet lang meer zou duren: in de herfst zouden ze elkaar op school zien – en dan zou het snel over zijn.
Siss had in de zomer ook niets gedaan om bij Unn in de buurt te komen. Ze zag Unn af en toe, met haar oude, vriendelijke tante. Ze was haar tegengekomen en had gezien dat ze ongeveer even groot waren. Ze hadden verwonderd naar elkaar gekeken en waren langs elkaar heen geglipt. Waarom ze verwonderd waren, wisten ze niet, maar het was zo, om de een of andere reden – Unn was schuw, werd er gezegd. Dat klonk spannend. Alle meisjes keken uit naar de ontmoeting op school met de schuwe Unn.
Siss had een speciale reden om ernaar uit te kijken: zij was zonder meer degene die buiten schooltijd de leider was. Ze was gewend het voortouw te nemen, ze had er nooit bij stilgestaan, het was gewoon zo, en ze vond het best. Ze had zich erop verheugd de leider te zijn als Unn kwam en in hun kring zou worden opgenomen.

Toen de school begon, verzamelde de klas zich zoals gewoonlijk rond Siss, zowel de meisjes als de jongens. Ze voelde duidelijk dat ze het ook dit jaar prettig vond, en deed misschien ook wel het een en ander om die positie te behouden.
De schuwe Unn stond een eindje van hen af. Ze keken onderzoekend naar haar en accepteerden haar meteen. Er was niets met haar aan de hand, zo te zien. Een meisje met pit. Aardig.
Maar ze stond waar ze stond. Ze probeerden stilaan wel om haar naar hen toe te lokken, maar tevergeefs. Siss stond te midden van haar groep en wachtte op haar, en zo verstreek de eerste dag.
Zo verstreken er verschillende dagen. Unn maakte geen aanstalten om naar hen toe te komen. Ten slotte stapte Siss op haar af en vroeg:
‘Wil je er niet bij komen?’
Unn antwoordde met een hoofdschudden.
Maar ze zagen al snel dat ze elkaar mochten. Iets speciaals in hun ogen dat oversprong. Haar moet ik leren kennen! Onbegrijpelijk, maar onmiskenbaar.
Siss zei nogmaals verbaasd:
‘Wil je niet bij ons komen!’
Unn glimlachte verlegen.
‘Ach, nee –’
‘Maar waarom niet?’
Unn glimlachte nog steeds verlegen.
‘Ik kan niet –’
Tegelijkertijd was er een lokkend spel tussen hen aan de gang, meende Siss.
‘Wat is er dan met je?’ vroeg Siss bot en dom, zodat ze er onmiddellijk spijt van had. Unn zag er niet uit alsof er iets met haar was. Integendeel.
Unn werd een beetje rood.
‘Nee, dat is het niet.’
‘Ja, ik bedoelde het ook niet zo! Maar het zou leuk zijn als je erbij kwam.’
‘Laat nou maar,’ zei Unn.
Voor Siss was het alsof ze een plens koud water over zich heen kreeg, en ze zweeg. Ging gekwetst terug naar haar groepje en bracht verslag uit.
Ze vroegen haar ook niet meer. Unn mocht blijven staan waar ze stond, ze deed niet mee aan hun spelletjes. Sommigen zeiden dat ze verwaand was, maar dat bleef niet hangen, en niemand plaagde haar – ze had iets wat dat soort dingen tegenhield. In de klas bleek meteen dat Unn een van de besten was. Maar ze liet zich er niet op voorstaan en ze kregen, enigszins tegen wil en dank, respect voor haar.
Siss had dat alles haarfijn in de gaten. Voelde dat Unn sterk stond op haar eenzame plekje op het schoolplein – ze was niet hulpeloos of zielig. Siss deed haar best om de groep bij zich te houden, en dat lukte – maar toch had ze het gevoel dat Unn daar verderop sterker was, hoewel ze niets deed en er niemand bij haar was. Ze leek het van Unn te gaan verliezen, en misschien zag de groep het ook zo? Ze durfden alleen niet naar Unn toe te gaan. Unn en Siss stonden daar als twee partijen, maar het speelde zich in stilte af, het was een zaak tussen haar en de nieuweling. Er werd met geen woord op gezinspeeld.
Na een tijdje gebeurde het dat Siss in de klas Unns ogen op haar voelde rusten. Unn zat een paar tafels achter haar, dus had ze er alle gelegenheid toe.
Siss voelde het als een wonderlijke tinteling in haar lijf. Ze vond het zo fijn dat ze het bijna niet kon verbergen. Ze deed alsof ze niets merkte, maar voelde zich verweven in iets onbekends en goeds. Het waren geen onderzoekende of jaloerse ogen, er zat verlangen in – als ze snel was en de blik opving. Er was verwachting. Zodra ze buiten waren deed Unn alsof er niets aan de hand was, zocht geen toenadering. Maar steeds weer voelde Siss die zoete tinteling in haar lijf: Unn zit naar me te kijken. Ze zorgde er bijna altijd voor die ogen niet te ontmoeten, durfde het nog niet – slechts een enkele keer even snel, als ze niet oplette.
Maar wat wil Unn?
Op een dag zegt ze het.

 

© Tarjei Vesaas, 1963
© Vertaling uit het Noors: Marin Mars, 2019
© Nederlandse uitgave: Lebowski Publishers, Amsterdam 2019

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum