Leesfragment: Het kind en de rekening

21 november 2019 , door Sophie Zijlstra
|

Op vrijdag 22 november presenteren Uitgeverij Querido en Sophie Zijlstra het pamflet Het kind en de rekening bij Athenaeum Roeterseiland. Vandaag publiceren wij voor!

Het kind en de rekening is een prikkelend pamflet waarin Sophie Zijlstra hartstochtelijk van leer trekt tegen het huidige onderwijssysteem in Nederland

Te volle klassen, een nijpend lerarentekort, te weinig bevoegde leraren voor de klas in kwetsbare wijken, teruglopende budgetten voor onderwijsachterstanden en de explosieve groei van particulier onderwijs – het lijkt erop dat Nederland de droom van gelijke kansen voor ieder kind heeft losgelaten. De terugtrekkende beweging van de overheid uit het onderwijs sinds de jaren negentig heeft desastreuze gevolgen. Den Haag is de regie over het onderwijs kwijt, een visie ontbreekt en 'meer geld voor het onderwijs' komt zelden in de klas terecht. Het is een vaudeville waarin bestuurders, onderwijsgoeroes en marketingboys en -girls er grijnslachend met de hoofdrol en de centen vandoor gaan.

N.B. We publiceerden eerder een fragment uit Potifars vrouw.

 

Kansenongelijkheid

 

De definitie van kansenongelijkheid in het onderwijs is: de uiteenlopende kans van leerlingen met dezelfde cognitie, afkomstig uit verschillende maatschappelijke lagen, op het bereiken van een hoog onderwijsniveau.
Waarom is het vergroten van kansengelijkheid nodig en zinvol? Ik zal die open deur toch voor je intrappen, Mark: omdat er een relatie is tussen het behaalde onderwijsdiploma en de kansen op de arbeidsmarkt. Anders gezegd: het behaalde diploma is een vorm van economisch kapitaal.
Los van de kansen op de arbeidsmarkt heb je met een hoger diploma een hoger inkomen, leef je langer en heb je een hogere status in de maatschappij.
Het belangrijkste aspect van kansengelijkheid is dat je wilt dat ieder kind in staat wordt gesteld zijn talent te ontwikkelen.

Waar begint kansenongelijkheid voor een leerling? Wat is het cruciale moment, het uur U, voor de leerling? Het begint in de wieg. Het is hard, maar zo is het. Waar je wieg staat bepaalt voor een groot deel je toekomst. De deterministen onder de lezers zullen zeggen:'Zo is het altijd geweest en daar valt niets aan te doen. Wie voor een dubbeltje...' Dat verhaal.
Ik snap dat het gezin waarin je geboren bent voor een groot gedeelte je toekomst bepaalt, maar ik snap niet waarom en ik weiger te accepteren dat wij in een maatschappij leven waarin leerlingen met gelijke cognitie ongelijke toekomstmogelijkheden hebben.
Arnold Jonk, plaatsvervangend inspecteur-generaal bij de Onderwijsinspectie, zegt: 'Wanneer we kinderen met dezelfde intelligentie vergelijken, zien we dat leerlingen met hoogopgeleide ouders twee keer zo vaak doorstromen naar een hoger onderwijsniveau. Een enorm verschil.'

Laten we kijken naar het moment waarop wordt bepaald naar welk vervolgonderwijs een leerling gaat. In het Nederlandse stelsel hanteren we een systeem van vroege selectie, dat wil zeggen dat de keuze in groep 8 wordt gemaakt; meestal ben je dan twaalf jaar. Dit moment lijkt steeds bepalender te worden.
Het systeem van vroege selectie is uitzonderlijk. De meeste landen hanteren een systeem van late selectie: de leerlingen gaan samen naar de middelbare school of high school, en pas halverwege die school maken ze een keuze voor een vervolgtraject met bijbehorend niveau.

De definitie van het begrip brugklas luidt: een algemeen leerjaar in het voortgezet onderwijs waarin de leerling nog geen keuze heeft gemaakt voor een bepaalde onderwijssoort. Het begrip werd in de Mammoetwet uit 1968 gebruikt; de brugperiode vormde de verbinding tussen de basisschool en de middelbare school.
Helaas versmallen de brugklassen, dat wil zeggen dat leerlingen steeds vaker naar één niveau worden ingedeeld bij binnenkomst in het voortgezet onderwijs. Vooral voor laatbloeiers en achterstandsleerlingen zijn de gevolgen van dit systeem groot.
Smalle brugklassen zijn brugklassen waarin leerlingen verzameld zijn die les krijgen op één onderwijsniveau, in tegenstelling tot brede, heterogene of dakpanbrugklassen, waarin leerlingen met diverse niveaus verzameld zijn. Smalle brugklassen maken opstromen lastig. 'Opstromen' is de term voor het volgen van een hoger onderwijsniveau dan dat waarop je bent beoordeeld door je leerkracht van groep 8.
Op veel scholen moet een leerling om vanuit een smalle brugklas naar een hoger niveau tweede klas te mogen een 7,5 gemiddeld staan. Een bijna onmogelijke opgave. Uitzonderingen daargelaten lukt het een brugklasser niet om dit cijfer bij elkaar te sprokkelen.
Er zijn gelukkig nog wel scholen met brede, heterogene of dakpanbrugklassen, bijvoorbeeld vmbo-t/havo, of havo/ vwo-brugklassen. Deze scholen zouden beloond moeten worden, ze zijn roependen in de woestijn.
De stap van de basisschool naar het voortgezet onderwijs is groot: het aanpassen aan het niveau van de lessen, de eisen van de verschillende docenten, de zware rugzak, de soms verre fietstocht en de lange dagen; een 7,5 gemiddeld rolt per saldo zelden uit de hogehoed, en daardoor blijft vrijwel iedereen op het niveau waarop hij/zij in groep 8 is ingedeeld. De smalle brugklas belast het moment van vroege selectie nog meer.
Een smalle brugklas is eigenlijk geen brugklas in de betekenis zoals die in de Mammoetwet bedoeld is. Het is gewoon de eerste klas van een school in het voortgezet onderwijs.

De Mammoetwet uit 1968 gaf ruimte aan stapelaars en laatbloeiers. De oude mammoet was heel wat idealistischer dan zijn nakomelingen. Hij stormde de met prehistorische bomen beplante onderwijsvlakte binnen, vernietigde dat wat voor zijn poten kwam en waar zijn slurf vat op kreeg, riep veel verzet op, maar blijkt, met de kennis van nu, en natuurlijk is het achteraf makkelijk constateren, helemaal zo gek nog niet.
De wet voorzag in een brede, heterogene brugklas. Daar is niets van over. De mavo had in deze wet een emanciperen de werking door de overstap naar de havo relatief makkelijk te maken en vervolgens een makkelijke stap van de havo naar het vwo.

Het vmbo (waarin de mavo is opgegaan) kent vier leerwegen: de theoretische, de gemengde, de kaderberoepsgerichte en de basisberoepsgerichte. Het bereidt de leerlingen voor op het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Vanuit het vmbo doorstromen naar de havo is moeizaam, door het verschil in praktijkgericht en meer theoretisch gericht onderwijs.
Voor de doorstroom van de theoretische- en de gemengde-leerwegleerlingen naar de havo is er een wet in aantocht die hun 'doorstroomrecht' garandeert mits zij 'in ten minste één extra algemeen vormend vak op het vmbo eindexamen hebben gedaan'. Deze wet zou in het schooljaar 2019-2020 van kracht zijn maar is vertraagd. Reden van de vertraging is dat de 'curriculumkloof' tussen de schoolsoorten nog niet is overbrugd.
In de Volkskrant schrijft Remco Meijer in een bericht over de vertraging die de wet heeft opgelopen:'Maar het uitstel van de wet betekent wel dat enkele honderden leerlingen (mogelijk meer, exacte cijfers ontbreken) hun havoperspectief in rook zien opgaan, ondanks het feit dat zij een extra vak hebben gevolgd.'
Zolang de wet er niet is, hanteren de meeste scholen de hoge eis dat leerlingen met een 6,8 gemiddeld hun vmbo-g- of vmbo-t-diploma moeten hebben behaald om te kunnen worden toegelaten tot de havo.
De Mammoetwet, een voortrekker van formaat, is door jagers met vergunning in de loop der jaren in het nauw gedreven en met een precisieschot geveld.

Kenmerk van de vroege selectie is dat het schooladvies van de leerkracht op de basisschool bepalend is voor de keuze van het vervolgonderwijs. Tot het schooljaar 2014-2015 was de Cito-score leidend. Om de druk van de Cito-toets af te halen werd het advies van de school, lees: de leerkracht van groep 8, leidend. De gedachte erachter was dat de Cito-toets een momentopname is en niet representatief voor het niveau van het kind.
Het levert een specifieke groep leerlingen bepaald geen voordeel op. Gemotiveerde, intelligente kinderen met laagopgeleide ouders moeten vaak opboksen tegen lage verwachtingen. Zij lopen het gevaar een te laag schooladvies te krijgen, in jargon: onderadvisering. Het cpb constateert ook dat kinderen van ouders met lagere inkomens nu vaker een lager schooladvies krijgen, en dat zo'n advies zelden wordt gewijzigd.
Tijdens de Getallen & Gelijke Kansen Bijeenkomst in Utrecht in juni 2019, die tot doel heeft dat professionals en geïnteresseerden kennis opdoen over beschikbare data omtrent gelijke kansen in het onderwijs, hoor ik dat de leerkrachten, rekening houdend met persoonlijke omstandigheden, leerlingen uit kwetsbare milieus een lager advies geven.
Onderwijsminister Slob besluit in juni 2019, wanneer ik dit schrijf, dat het advies van de leraar leidend blijft. Onbegrijpelijk. Drie hoogleraren en een universitair docent noemen de minister in een opiniestuk in Het Parool gevaarlijk naïef in zijn vertrouwen in het menselijk beoordelingsvermogen. 'Een eeuw onderwijskundig onderzoek heeft [...] ondubbelzinnig uitgewezen dat het menselijk oordeel juist gewantrouwd moet worden.'
Ook hekelen ze de eveneens gevaarlijk naïeve gedachte van de onderwijsminister dat het bestaan van verschillende eindtoetsen naast elkaar geen probleem is. Ze betogen dat de testresultaten van de verschillende eindtoetsen niet met elkaar te vergelijken zijn en dat daarmee de eerlijkheid van de selectieprocedure niet goed vast te stellen is. Volgens de schrijvers van het stuk zou landelijk van één gestandaardiseerde eindtoets gebruik moeten worden gemaakt. Ze pleiten voor een advies gebaseerd op een combinatie van de testscore en het oordeel van de docent.
De heren zijn mild in hun oordeel. De minister is namelijk niet gevaarlijk naïef, hij nam deze beslissing gevaarlijk bewust. Hij geeft het goede geen gehoor, maar stopt als een adder zijn oor. Met de groeten van psalm 58.

 

Copyright © 2019 Sophie Zijlstra

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum