Leesfragment: Het verhaal van een huwelijk

15 april 2019 , door Geir Gulliksen
| | |

Nu in de winkel: Het verhaal van een huwelijk van Geir Gulliksen, dat Geri de Boer vertaalde naar het Nederlands. Gulliksen en De Boer zijn genomineerd voor de longlist van de Europese Literatuurprijs 2019, daarom bij ons een fragment!

In Geir Gulliksens Het verhaal van een huwelijk doet verteller Jon verslag van het pijnlijke verval van zijn huwelijk. Hij probeert hun relatie vanuit het perspectief van zijn vrouw te bekijken, ook al beseft hij dat dit onmogelijk is. Hoe kun je ooit een ander persoon helemaal kennen? Wat is liefde eigenlijk? Is het wel mogelijk om slechts één grote liefde te hebben en te behouden? Het verhaal van een huwelijk is een rauwe, zinnelijke en bijna voyeuristische roman over het verbond tussen twee mensen die op zoek zijn naar geluk en van wie een tot de pijnlijke conclusie komt dat geluk elders gevonden te hebben.

N.B. Bekijk hier ook de volledige longlist van de Europese Literatuurprijs 2019Ook zal Geri de Boer tijdens de Vertalersgeluktournee in Athenaeum Boekhandel Haarlem vertellen over haar samenwerking met Geir Gulliksen.

 

2

Laat ik me voorstellen hoe het voor háár was, dat voorjaar, op zo’n dag voordat het allemaal begon. Ze stond midden in het leven, ze betrad onbevangen alle ruimtes en situaties. De gestalten om haar heen waren als een welwillend bos, ze vond gemakkelijk haar weg bij anderen, kon met iedereen een gesprek voeren. Ze had lang haar gehad, altijd, maar toen ze eenmaal met mij samen was, knipte ze het kort en verfde ze het donkerder. Elke nacht sliep ze op haar zij, met één hand onder haar wang. Ik lag achter haar, we sliepen bloot, ik had mijn armen om haar heen, ze voelde mijn warme voorkant tegen haar rug. ’s Nachts bestonden alleen wij tweeën, ’s morgens werden we aan weerskanten van het bed wakker. Ze werd gewekt door mij of door de kinderen. De kamers waren licht, de stemmen zachtaardig. Lange tijd is er geen andere manier om hieraan terug te denken dan als aan een onverwacht en onverdiend geluk. We zaten gewoonlijk samen aan een ovale tafel, Deens design, gemaakt van staal en wit formica. Op de zaterdag dat we hem kochten, was die tafel veel te duur voor ons, maar we raakten eraan gewend. De schuld werd hoger en we dachten er niet aan. We zaten ’s morgens en ’s avonds aan die tafel, de kinderen maakten er huiswerk aan. Later werd de tafel veel te groot; zij kreeg hem, en de nieuwe keuken waar ze hem in zette, was kleiner. Uiteindelijk verkocht ze hem, en nu staat hij bij anderen: de tafel heeft een nieuw leven gekregen, net als alle andere dingen die wij vroeger samen deelden.

Ze fietste onder lichte boomkruinen. Ze ademde met open mond. Altijd als ze op een hogere verdieping moest zijn, en dat moest vaak, rende ze de trappen op. Ze nam nooit de lift, ze hield niet van stilstaan. Die ochtend hield ze een lezing voor het personeel van een of ander ministerie. Het ging goed, ze merkte dat ze hun aandacht had (hun gezichten: die waren op haar gericht, zoals groene planten zich ’s morgens richten naar het licht). Na afloop wilde het hoofd communicatie een nieuwe afspraak met haar maken. Ze spraken af dat ze erover zouden mailen. Er kwamen diverse mensen naar haar toe om haar te bedanken voor de lezing. En toen, op weg naar de uitgang, was er een man die haar dwong om te blijven staan, ze snapte niet hoe. Ze bleef op hem staan wachten; hij werkte zich door de menigte heen terwijl hij haar aankeek, hij hield haar vast met zijn blik. Zijn ogen – daar zat iets in, iets zachts en volhardends, iets zelfverzekerds en onderzoekends, ze wist het niet. Zelfs toen alles achter de rug was, begreep ze nog niet wat het was geweest, ze had er voor zichzelf geen verklaring voor, en zeker niet voor mij.
Hij was groot en viel gemakkelijk in het oog, maar niet omdat hij groot was. Hij had een lang gezicht; zijn ogen stonden een fractie scheef, er zaten littekentjes op de huid, misschien had hij als tiener puistjes gehad. Hij was niet erg knap, dat mag gezegd worden, zelfs door mij, al was ik niet bepaald een objectieve waarnemer. Er zat echter iets verleidelijks en geheimzinnigs in zijn ogen of in zijn glimlach, of in de manier waarop hij zijn hoofd scheef hield. Ze bleef staan wachten tot hij bij haar was, en hij glimlachte terwijl hij naar haar toe kwam, baande zich doelbewust een weg tussen de anderen door die de zaal uit gingen. Ze kreeg het warm, ze wist niet waarom. Even later stonden ze elkaar aan te kijken, en ze hoopte dat haar gezicht een soort geamuseerde verwachting uitstraalde: wat kwam hij zeggen? Haar gezicht moest hem duidelijk maken dat hij haar ophield en dat ze niet goed wist wat hij van haar wilde, maar dat ze nuchter welwillend stond tegenover wat het ook was. Hij begon te praten. Iets over het volksgezondheidsbeleid, precies datgene wat haar het meest interesseerde. Hij zei iets wat ze zelf had kunnen zeggen, maar hij zei het iets beter, vond ze. Hoewel? Wat hij zei klonk vaag vertekend, alsof hij zijn best deed om het vanuit haar perspectief te zien maar dat niet kon omdat hij niet in staat was zijn eigen gezichtspunt los te laten. Dat laatste is hineingeïnterpreteerd; dat hoeft niemand me uit te leggen, dat snap ikzelf ook wel. Integendeel, ze ervoer zijn woorden als verrijkend, bevrijdend. Hij ging met haar mee naar buiten, achter haar aan alle trappen af. Ze liepen naar haar fiets, en ze bleven praten terwijl zij die van het slot haalde en zich klaarmaakte om weg te gaan.
Daarna fietste ze langzaam door de straten. Ze moest naar kantoor, maar nam royaal de tijd. Alles wilde zich die ochtend aan haar laten zien, de elzen of essen, het kon haar niet schelen wat voor bomen het waren, een vrolijke ekster die mooi wipte met zijn staart, jonge bladeren die bewogen in een verder onmerkbare wind. Ze genoot. Ze genoot van zichzelf en van haar leven. Alles wat leefde, stelde zich voor haar open, overal waar ze kwam.
Ze was nergens bang voor.

Ooit was ze een jong meisje geweest, en nu was ze een volwassen vrouw. Ze was vijfentwintig toen ze mij leerde kennen. Dat was nu al lang geleden, en ik was een paar jaar ouder dan zij.
Ik noemde haar Japie. Ze heette anders, had een gewone meisjesnaam die ze zelf niet zo mooi vond. Op een avond, een van de eerste maanden dat we verkering hadden, lagen we in haar oude flat in bed naar Pinokkio te kijken op tv. Eigenlijk keken we nergens naar, we lagen al uren in bed, we waren opgestaan, hadden gegeten en waren weer naar bed gegaan; we waren al zo lang met elkaar bezig, met wat onze lichamen samen konden doen, dat we nu een pauze nodig hadden. We dronken water, ik zapte langs de kanalen, voorbij een oude Disney-film, en ze vroeg me te stoppen en daarnaar terug te gaan. We keken en waren allebei ontroerd, maar alleen ik huilde. Ik had een dochtertje, dat die dag niet bij me was, die hele week niet, omdat ik liever daar was, in bed, met haar. Daarom huilde ik, begreep ze. Ze deed echter alsof ze dacht dat ik ontroerd was door de film, en later vertelde ze dat ze altijd meer van Japie Krekel had gehouden dan van Pinokkio, meer dan van Knabbel en Babbel, meer zelfs dan van Dombo. Ze had zich met Japie Krekel geïdentificeerd, omdat hij altijd overal het beste van probeerde te maken, hij pakte zijn paraplu en ging, en hij zong eerlijk en hoopvol, zelfs als het om hem heen donker werd en hij geen idee had waar hij was.
‘Maar dat ben jíj,’ zei ik. ‘Jij bent Japie Krekel. Jij wilt altijd alles goeddoen en geeft nooit op als je iets voor elkaar wilt krijgen.’
Ik bewonderde haar toen al; dat was mijn manier om van haar te houden. Dat begreep ze pas later, en lange tijd vond ze het overweldigend dat ze in mijn ogen zo mooi was. Ze antwoordde dat ze nog nooit aan zichzelf had gedacht als aan een Japie Krekel, en ik reageerde met een flirterig geintje dat ik het zo fijn vond als ze zo met de achterkant van haar pootjes tegen de mijne wreef. Dat stelde niets voor, het was niet eens grappig, en ze zag dat ik er spijt van had, dat het me zeer deed, dat ik niet gewend was om zoiets te zeggen.
Ze maakte me vrijer dan ik daarvoor was geweest, begreep ze, en dat wekte ontroering bij haar op, of verliefdheid, als daar al verschil tussen bestaat. Na die avond begon ik haar Japie te noemen. Dat hield stand, werd meer dan een koosnaampje, het werd haar naam, zo noemde ze zich. Veel vrienden van ons begonnen haar ook Japie te noemen, en ook haar collega’s, toen ze ging werken.

 

© 2015 Geir Gulliksen og H. Aschehoug & Co. (W. Nygaard), Oslo Published by agreement with Copenhagen Literary Agency ApS, Copenhagen.
© 2018 Nederlandse vertaling Ambo|Anthos uitgevers en Geri de Boer

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum