Leesfragment: Kort geluk

06 maart 2019 , door Maarten Asscher
|

11 maart verschijnt Kort geluk, de gebundelde columns van Maarten Asscher. Lees bij ons een fragment!

‘Een kortstondige ervaring van innige compleetheid’, zo luidt Maarten Asschers definitie van geluk. De column is van die kortstondige ervaring het ideale literaire equivalent. Dat geldt zeker voor de columns die Asscher enkele jaren lang voor de zaterdageditie van Het Financieele Dagblad schreef en die nu in Kort geluk zijn gebundeld. Over levenskunst, taal, kennis, nepnieuws, Frankrijk, diversiteit, politiek en literatuur. Zoals het tijdschrift De Revisor het met betrekking tot zijn essays formuleerde: Asscher schrijft altijd in een combinatie van ‘het persoonlijke, het inzicht en de anekdote’.

N.B. Eerder verscheen bij ons een leesfragment en bespreking van Toch zit het anders, leesfragmenten van Het lievelingsboek als zelfportret en Het uur der waarheid, en een recensie van Appels en peren.

 

Inleiding

Als mensen bij de dichte deuren van een lift staan te wachten, breekt na een tijdje het moment aan waarop hun ongeduld toeslaat. Waar blijft die lift nou? Nog eens op het knopje drukken. Is er niet een andere lift? De Amerikaanse socioloog Kheir Al-Kodmany heeft uitgezocht hoe lang het gemiddeld duurt voordat mensen wachtend bij een lift hun geduld beginnen te verliezen. Het antwoord is 28 seconden, zo viel te lezen in een overzichtsartikel over de geschiedenis van de lift in The Economist.
Het is jammer dat de in 1999 overleden Karel van het Reve hier geen kennis meer van kan nemen. Deze grote naoorlogse Nederlandse essayist had namelijk een broertje dood aan de sociologie, en hij hield vol dat er door een socioloog nog nooit iets ontdekt was wat je voordien niet allang op je klompen aanvoelde. Maar die 28 seconden-regel, die zou hem vermoedelijk toch wel hebben geïnteresseerd. Op het eerste gezicht is het immers een ondubbelzinnig antwoord op een vraag die architecten, ingenieurs en ontwerpers menigmaal zal bezighouden, in elk geval bij het indelen en vormgeven van liftschachten en de daarbij behorende ruimtes.
Toch vraag je je af, met de gezonde achterdocht van Van het Reve in het achterhoofd, hoe Al-Kodmany precies aan zijn 28 seconden is gekomen. Op hoeveel waarnemingen is zijn onderzoek gebaseerd? N = 100? N = 1000? N = 10 000? En over hoeveel tijd strekten zijn waarnemingen zich uit? Misschien is het menselijk ongeduld immers wel afhankelijk van het seizoen of het weer. Direct na de vakantieperiode zijn mensen vermoedelijk minder gestrest dan vlak ervoor. Op vrijdagmiddag hebben ze extra veel haast om naar huis te gaan. En heeft professor Al-Kodmany uitsluitend in zijn eigen universiteitsstad Chicago onderzoek gedaan of ook elders in de vs?
Zou een dergelijk onderzoek trouwens niet internationaal opgezet moeten worden? Bij iets wat zo cultureel bepaald is als menselijk geduld zullen er zeker significante verschillen optreden tussen bijvoorbeeld medewerkers in de 155 meter hoge ‘twin towers’ van de Deutsche Bank in Frankfurt en mensen die in een van de wolkenkrabbers aan de Paseo de la Reforma in Mexico City hun dagelijks brood verdienen. Die verschillen kunnen zich onder andere manifesteren in een meer slaafse of juist eerder rebelse houding van het individu ten opzichte van een organisatie die verantwoordelijk is voor de voorzieningen in een gebouw.
Verder is het goed mogelijk dat sinds de alomtegenwoordigheid van smartphones mensen hun wachttijd zodanig nuttig kunnen maken, dat ze minder snel geneigd zijn om protest te laten horen in het geval de lift iets langer op zich laat wachten. Heeft Al-Kodmany de recente ict-ontwikkelingen wel meegewogen in zijn onderzoek? Zo niet, dan moet het onderzoek dringend opnieuw worden gedaan, voordat men in de toekomst voetstoots van die 28-secondenregel blijft uitgaan.
Kortom, als ik moet kiezen tussen het schijnexacte onderzoeksresultaat van professor Al-Kodmany, hoogleraar Urban Planning and Policy aan de University of Illinois in Chicago, en de altijd weer aanstekelijke achterdocht van de Leidse hoogleraar Slavische letterkunde en zelfbenoemde humbugbestrijder Karel van het Reve, dan weet ik het zo net nog niet. Eigenlijk zou ik mij eerst grondig moeten verdiepen in Al-Kodmany’s studie New Suburbanism: Sustainable Tall Building Development (2016), waarin hij zijn 28-secondenregel onderbouwt.
Maar dan komt er wat mij betreft een andere regel om de hoek kijken. Wanneer één iemand zich grondig aan een zo gespecialiseerd onderwerp wijdt, dan is dat wel voldoende. Een mens moet zich eigenlijk alleen met datgene bezighouden wat hij als enige of als beste kan doen. Alle overige dingen moet je aan anderen overlaten en daar moet je nooit meer dan – laten we zeggen – 28 seconden tijd aan besteden. Dat is een wijze carrièreles, die ik helaas veel te weinig in de praktijk heb gebracht.
Ook bijna alle columns in deze bundel zijn het gevolg van mijn onvermogen om mij tot een en hetzelfde vakgebied te beperken. Op zoek naar iets heel anders ren ik soms een steegje in, waar ik een paar reuze interessante dingen op het spoor kom. Gedurende korte tijd ben ik in opperste voldoening bezig met mijn nieuw ontdekte onderwerp, maar dan moet een mens weer verder, op naar volgende ontdekkingen.
Dat is het geluk van het schrijven, en misschien ook wel van het hele leven: een kortstondige sensatie van innige compleetheid. Op het gebied van het literaire proza is de column daar, samen met het aforisme, de meest compacte verschijningsvorm van. Ach, als je dat geluksgevoel op de lezer zou kunnen overbrengen, als je die lezer heel even zou kunnen vasthouden, in een gezamenlijke fascinatie voor een idee, een gedachtegang, een wonderlijke historische gebeurtenis: lang leve het ‘korte geluk’ van de column.

 

© 2019 Maarten Asscher, Amsterdam en uitgeverij Augustus, Amsterdam

pro-mbooks1 : athenaeum