Leesfragment: Machines zoals ik

08 mei 2019 , door Ian McEwan
| |

Vanaf 15 mei ligt Ian McEwans Machines zoals ik in de winkel, vertaald door Rien Verhoef. Lees bij ons alvast een fragment!

Na het succes van de recent verfilmde roman De kinderwet, confronteert McEwan de lezer opnieuw met fundamentele vraagstukken in een meeslepend, dystopisch verhaal, gesitueerd in het Londen van net na de Falklandoorlog: Thatcher is aan de macht en Alan Turing bereikt een beslissende doorbraak in de artificiële intelligentie.

De werkeloze Charlie is verliefd op Miranda, een intelligente studente die een verschrikkelijk geheim met zich meedraagt. Ze raken verwikkeld in een driehoeksrelatie met de androïde Adam, wiens persoonlijkheid ze samen hebben ontworpen. Maar kan een machine de matters of the heart wel begrijpen? Wat is het dat ons menselijk maakt?

N.B. Lees ook onze recensie van Machines Like Me

 

Een

Het was een religieus verlangen dat mocht hopen, het was de heilige graal van de wetenschap. We hadden hoge en lage ambities – tot een scheppingsmythe die werkelijkheid werd, tot een monsterlijke daad van eigenliefde. Zodra daar zicht op was, hadden we geen andere keuze dan ze na te jagen en niet stil te staan bij de gevolgen. Verheven gesteld wilden we ontkomen aan onze sterfelijkheid en de godheid weerstaan of zelfs vervangen door een volmaakt ik. In praktischer zin waren we eropuit een verbeterde, modernere versie van onszelf te bedenken en genoegen te scheppen in het uitvindplezier, de sensatie van het meesterschap. In de herfst van de twintigste eeuw kwam het er ten slotte van, de eerste stap naar de vervulling van een aloude droom, het begin van de lange les die we onszelf zouden gaan leren dat wij nog zo ingewikkeld mochten zijn, nog zo gebrekkig en moeilijk te beschrijven in zelfs onze eenvoudigste handelingen en hoedanigheden, maar dat we dan toch nagemaakt en verbeterd konden worden. En als jongeman was ik daarbij, als geestdriftige early adopter in die kille dageraad.
Maar kunstmatige mensen waren lang voor hun komst al een cliché, dus toen het eenmaal zover was, leken ze voor sommigen een teleurstelling. De verbeelding, die sneller is dan de geschiedenis, dan de technische vooruitgang, had deze toekomst al gerepeteerd in boeken en toen in films en tv-drama’s, alsof daar menselijke acteurs liepen die met een bepaalde glazige blik, gekunstelde hoofdbewegingen en een zekere stijfheid in de onderrug, ons konden voorbereiden op het leven met onze neven en nichten uit de toekomst.
Ik was een van die optimisten, gezegend met een onverwacht kapitaal na de dood van mijn moeder en de verkoop van het ouderlijk huis, dat op waardevolle bouwgrond bleek te staan. De eerste vervaardigde mens die echt bruikbaar was, met een intelligentie en uiterlijk die acceptabel waren en met geloofwaardige bewegingen en wisselende gelaatsuitdrukkingen, kwam in de verkoop de week voordat de Falkland Task Force zich aan zijn hopeloze missie zette. Adam kostte 86.000 pond. In een gehuurd busje bracht ik hem naar mijn onaantrekkelijke flat in Noord-Clapham. Ik had een drieste beslissing genomen, maar ik werd gesterkt door de berichten dat sir Alan Turing, oorlogsheld en schutspatroon van het digitale tijdperk, hetzelfde model had besteld. Dat wilde hij waarschijnlijk door zijn lab uit elkaar laten halen om de complete werking te onderzoeken.
Van die eerste editie heetten er twaalf Adam en dertien Eva. Melig, dat vond iedereen, maar zeker commercieel. Omdat het idee van de biologische rassen wetenschappelijk in een kwade reuk stond, waren de vijfentwintig zo ontworpen dat ze etnisch een hele scala bestreken. Er waren geruchten en vervolgens klachten dat de Arabier en de Jood niet uit elkaar te houden waren. Door een willekeurige programmering en levenservaring was bij allemaal het hele spectrum aan seksuele voorkeur gewaarborgd. Aan het eind van de eerste week waren alle Eva’s verkocht. Oppervlakkig beschouwd had ik mijn Adam misschien voor een Turk of een Griek kunnen aanzien. Hij woog vijfenzeventig kilo, dus moest ik mijn bovenbuurvrouw Miranda vragen me te helpen om hem op de wegwerpdraagbaar die bij de koop was inbegrepen van de straat naar binnen te brengen.
Terwijl zijn batterijen oplaadden, zette ik koffie voor ons en bladerde daarna de 470 pagina's van het online handboek door. Het taalgebruik was meestal helder en nauwkeurig. Maar Adam was door verschillende instanties gemaakt, waardoor de gebruiksaanwijzing soms de charme van een nonsensgedicht had. Ontsluit bovenzijde van B347k-vest voor zorgeloos emoticon met moederbordoutput ter vermindering van stemmingswisselingen.
Uiteindelijk zat hij naakt aan mijn minuscule eettafel, met de kartonnen en piepschuim verpakking om zijn enkels verspreid en zijn ogen dicht, terwijl er een zwart snoer van het contactpunt in zijn navel naar een dertienampèrestopcontact in de muur liep. Het zou zestien uur duren om hem aan de praat te krijgen. En dan nog de downloadsessies van updates en persoonlijke voorkeuren. Ik wilde hem nú, en Miranda ook. Als hunkerende jonge ouders verlangden we naar zijn eerste woordjes. Er zat geen goedkope luidspreker in zijn borst verscholen. Uit de opgewonden publiciteit wisten we dat hij klanken vormde met adem, tong, tanden en gehemelte. Zijn levensechte huid voelde nu al warm aan en zo glad als die van een kind. Volgens Miranda zag ze zijn wimpers knipperen. Ik wist zeker dat ze de trillingen zag van de metrotreinen die dertig meter onder ons reden, maar ik zweeg.
Adam was geen seksspeeltje. Maar hij was wel tot seks in staat en bezat werkzame slijmvliezen, waarvan het onderhoud dagelijks een halve liter water vergde. Toen hij aan tafel ging zitten, merkte ik op dat hij niet besneden was, gemiddeld geschapen, met overvloedig donker schaamhaar. Dit zeer geavanceerde model van een kunstmatige mens weerspiegelde vermoedelijk de begeerten van zijn jonge programmeurs. De Adams en Eva’s moesten levendig zijn, was de gedachte.
Hij werd aangeprezen als een metgezel, een intellectuele sparringpartner, vriend en manusje-van-alles dat kon afwassen, bedden opmaken en ‘denken’. Elk moment van zijn bestaan, alles wat hij hoorde en zag, sloeg hij op en was terug te halen. Autorijden kon hij nog niet en hij mocht niet zwemmen of douchen of zonder paraplu in de regen gaan lopen, of zonder toezicht een kettingzaag bedienen. Qua actieradius kon hij dankzij doorbraken in de elektriciteitsopslag zonder bijladen in twee uur tijd zeventien kilometer rennen, of met evenveel energieverbruik twaalf dagen lang aan één stuk door converseren. Hij had een levensduur van twintig jaar. Hij had een gedrongen bouw, vierkante schouders, een donkere huid en dik zwart naar achter gekamd haar, en hij had een smal gezicht met een lichte haakneus die een felle intelligentie deed vermoeden, dromerige geloken ogen, strakke lippen die onder onze ogen al hun doodse geelwitte tint verloren en een rijke menselijke kleur kregen en bij de hoeken misschien zelfs wel iets ontspanden. Miranda zei dat hij op ‘een havenarbeider van de Bosporus’ leek.
Tegenover ons zat het ultieme speeltje, de droom van eeuwen, de triomf van het menszijn – of zijn engel des doods. Onmetelijk spannend, maar ook frustrerend. Zestien uur was een lange tijd om afwachtend toe te kijken. Ik vond dat Adam voor het bedrag dat ik na de lunch had overhandigd wel opgeladen en startklaar had mogen zijn. Het was een winterse namiddag. Ik maakte toast en we dronken nog een kop koffie. Miranda, die sociale geschiedenis had gestudeerd en bezig was met haar promotie, zei dat ze graag Mary Shelley als tiener hier bij ons had willen hebben, niet verdiept in een monster als Frankenstein, maar in deze knappe donkere jongeman die nu tot leven kwam. Wat beide wezens gemeen hadden, zei ik, was een hang naar de bezielende kracht van elektriciteit.

 

Copyright © Ian McEwan 2019
Copyright © Nederlandse vertaling Rien Verhoef en Uitgeverij De Harmonie 2019

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum