Leesfragment: Mea Culpa

02 januari 2019 , door Edzard Mik
|

9 januari wordt bij Athenaeum Boekhandel & Nieuwscentrum de nieuwe roman van Edzard Mik gepresenteerd: Mea culpa. Vandaag publiceren we voor.

Waarvoor zijn we verantwoordelijk in ons leven? En wat betekent het ergens verantwoordelijkheid voor te nemen?

‘Ik keek naar Sybil en vroeg me af of ze in dezelfde afgrond staarde. Het kon niet anders of het duizelde haar zoals het mij duizelde. Ze had niets gedaan maar alles gezien, aangelicht door straatlantaarns had die opeenvolging van gebeurtenissen zich voor haar ogen afgespeeld, van ons allen wist zij nog het beste wat er was gebeurd, dubieus voorrecht van de getuige.’

In zijn jeugd is de zoon van de officier van justitie, Marten Landman, bevriend met de Turkse arbeiderszoon Erol. Hij raakt betrokken bij een vechtpartij tussen twee Turkse families, waardoor een jongen invalide wordt. Als Marten in gezelschap van Sybil, zijn eerste liefde en inmiddels echtgenote van Erol, met een speciale missie terugkeert naar de stad waarin hij opgroeide, ontdekt hij hoezeer de vechtpartij zijn leven heeft getekend. Een antwoord op de vraag wat er toen gebeurde kan hij niet langer uit de weg gaan.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Tussen ergens en nergens en bespraken we Bleke hemel.

 

1

Zijn vrouw kwam overeind maar Nazim hief zijn arm en stond erop zelf thee voor ons te halen. Hij ontworstelde zich aan zijn fauteuil en moest bij elke stap uit alle mogelijke posities van hoofd, schouders, romp en armen de juiste kiezen om zijn evenwicht te hervinden. Het was de eerste keer dat ik met eigen ogen zag dat hij nooit helemaal hersteld was. Ik begreep er niets van, dat wil zeggen, ik begreep wel hoe het een tot het ander leidde, de wurgende wetmatigheid van oorzaak en gevolg, maar wat ik begreep, begreep ik niet écht: ik kon me niet voorstellen dat de man die nu schommelend als een galjoen in de keuken verdween dezelfde was als de jongen die ooit met zijn broers voor ons was opgedoken en even later was afgevoerd, ons achterlatend in stervend zwaailicht.
Ik keek naar Sybil en vroeg me af of ze in dezelfde afgrond staarde. Het kon niet anders of het duizelde haar zoals het mij duizelde. Ze had niets gedaan maar alles gezien, aangelicht door straatlantarens had die opeenvolging van gebeurtenissen zich voor haar ogen afgespeeld, van ons allen wist zij nog het beste wat er was gebeurd, dubieus voorrecht van de getuige. Maar haar gezicht glom, haar handen hield ze tussen haar dijen, haar onderbenen stonden uiteen, haar voeten staken naar binnen, ze zat er als een schoolmeisje bij, en als ze al ten prooi was aan vertwijfeling, dan liet ze daar niets van blijken. Uit de keuken gekletter, in de woonkamer stilte, en achter het raam gleed de stad al even stil weg in het dal. Ik liet mijn blik ronddwalen, sofa en fauteuils groot, kitschlamp, foto van de Bosporus, wandkleed met de Bosporus, vaas met de Bosporus, dat was het wel zo’n beetje, nee, er was meer, natuurlijk was er meer, in de hoek, bij de deur naar de gang, zag ik zijn rolstoel, opgevouwen. Zijn vrouw verroerde zich niet, haar hoofddoek sneed een ovaal uit haar gezicht, haar ogen waren groot en vochtig. Misschien kwam het door de zuiverheid van haar blik maar ik was ervan overtuigd dat ze niet van die vechtpartij wist, hij had haar er nooit over verteld, zij wist niet anders of hij was invalide geraakt door een ongelukkige val, motorongeluk of hersenbloeding, voor haar moesten Sybil en ik volstrekte vreemden zijn die uit de hemel waren komen vallen. Ze hoefde er ook niet van te weten, het een stond los van het ander, maar voor ons was dat verband er wel, wij legden het zelf, wij wílden dat het er was, vanwege Nazim, waarom zouden we ons anders aangesproken hebben gevoeld door de verdwijning van hun dochter en naar Maastricht zijn gereisd om hen bij te staan?
Welbeschouwd hadden we niets met die verdwijning te maken. Het was dat we ons erdoor geraakt wisten – de verdwijning van een dochter was een lot dat geen enkele ouder verdiende, maar Nazim nog wel het minst.

Toen hij weer binnenkwam stokte mijn adem. Het theeblad leek onafhankelijk van zijn geschommel door de kamer te zweven, het was een kunstje waarop hij al die jaren geoefend moest hebben, hij was er niet eens trots meer op, of misschien toch, voor het moment, omdat hij ons demonstreerde dat hij de kopjes probleemloos naar binnen kon dragen. Ik glimlachte mijn innemendste glimlach, ik wilde hem op zijn gemak stellen en hem als het even kon met die glimlach van zijn gebrek verlossen, maar toen ik mijn kopje pakte en zag dat hij dat nog niet voor de helft had volgeschonken, besefte ik dat we niet naar hem toe hadden moeten gaan. Er viel niets te herstellen of goed te maken, elke poging daartoe zou niet alleen Nazim maar ook Sybil en mij in de problemen brengen.
Met één hand greep hij de armleuning, de andere plaatste hij op de zitting, en langzaam liet hij zich zakken. Meer dan zijn gebrek was het zijn beheersing die me van mijn stuk bracht. Hij had met zijn gebrek leren leven en het zich eigen gemaakt, onvervreemdbaar van wie hij was, en wreef ons met elke beweging nog eens in dat het niet van ons was, maar van hem, alsof hij het alleenrecht had op wat er voorgevallen was, het eerste en het laatste woord. Dat mag overdreven klinken, als inbeelding, maar wat staat ons anders ter beschikking om de werkelijkheid te vatten dan inbeelding? Er bestaat geen begrip buiten inbeelding, inbeelding is de essentie van begrip, en onvermijdelijk dus ook van ons onbegrip, erzonder zouden we met lege ogen om ons heen staren en ons geen raad weten. Voor Nazim gold dat evengoed, ik twijfelde er niet aan dat hij zich hetzelfde in zijn hoofd had gehaald en om die reden had ingestemd met ons aanbod. Het was zijn kans ons zijn claim op het verleden onder de neus te duwen en ons met de schuld van zijn ongeluk op te zadelen, die schuld moest tenslotte ergens neergelegd worden, al hadden Sybil en ik niets verkeerd gedaan.
Hij nam alle tijd om voorover te buigen en het kopje aan zijn lippen te zetten en, telkens de ogen even sluitend, drie mussenslokjes te nemen. Al even traag zette hij het kopje neer en bleef ernaar staren, hij liet het aan ons over om te beginnen, hij had weliswaar enkele dagen eerder na een lange stilte ‘goed, kom dan maar, als dat is wat je wil’ door de telefoon gemompeld, maar er was hem alles aan gelegen de indruk te vermijden dat hij en zijn vrouw om hulp verlegen zaten, we moesten ervan doordrongen raken dat het ónze wens was, niet de zijne, dat we daar, op de negende verdieping, met onze goede bedoelingen wegzakten in zijn sofa als in drijfzand.
Ik keek hem onverschrokken aan. Alleen zijn hoofd keerde hij naar me toe, en ik zag zijn ogen, droevig als koeienogen, hij bleef me ermee aankijken alsof daarmee genoeg werd gezegd. Ik hield het niet meer en wilde hem iets vragen, iets wat het gesprek in gang zou zetten, ik wilde hem vragen ons nog eens alles te vertellen over hun dochter, alles wat hij en zijn vrouw zich wisten te herinneren van die avond en wat eraan vooraf was gegaan, maar de eerste woorden kwamen van hem, ‘we worden niet serieus genomen,’ zei hij met een stem die van ver weg leek te komen, en toen, na een stilte waarin zijn blik zich nog dieper in die van mij boorde, ‘ze nemen ons niet serieus, ze zeggen, die komt wel weer terug, die is gewoon weggelopen, dat zie je wel vaker, dat pubermeisjes weglopen, dat zeggen ze.’
‘Gülay zou nooit weglopen, ze had geen enkele reden om weg te lopen.’ Nazims vrouw keek me al even indringend aan, wat had ik ook gedacht voor hen te kunnen betekenen, voor hen of voor mezelf?

[...]

 

Copyright © 2019 Edzard Mik

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum