Leesfragment: Melkboer

10 maart 2019 , door Anna Burns
| | |

25 maart verschijnt Melkboer van Anna Burns, in de vertaling van Natasha Gerson en Roland Fagel. Anna Burns is de winnaar van de Man Booker Prize 2018, en genomineerd voor de Women's Prize for Fiction. Lees bij ons alvast een fragment!

Met een verbijsterend, adembenemend tastbaar gevoel voor tijd en plaats verhaalt Melkboer over de roddels en geruchten, de stilte en opzettelijke doofheid in een naamloze stad.

We volgen middelstezus, die druk bezig is haar misschien-vriendje voor haar moeder verborgen te houden, terwijl iedereen in het duister tast over haar ontmoeting met de melkboer - een gebeurtenis waar zij zelf ook geen grip op weet te krijgen. Maar dan komt haar schoonbroer erachter, en spoort hij haar zus aan om haar moeder op middelstezus af te sturen. Plots wordt zij ‘interessant’ – het laatste wat ze wilde. Want interessant worden betekent opgemerkt worden en opgemerkt worden is gevaarlijk.

Melkboer is een zinderend eerlijke roman, even accuraat en onsentimenteel als verwoestend en wreed. Een verhaal dat overal en nergens zou kunnen plaatsvinden – een roman van onze tijd.

N.B. Lees ook onze boekverkopersbespreking van Melkboer.

 

Eén

De dag dat Iemand McIemand een gun op mijn borst zette en me een kat noemde en dreigde me dood te schieten was dezelfde dag dat de melkboer stierf. Hij was afgeschoten door een van de moordcommando’s van de staat en mij kon het niet schelen dat de man dood was. Maar anderen kon het wel schelen, en er waren er ook die mij zogezegd kenden ‘van zien maar niet van spreken’ en over me praatten omdat ze zelf eerder een gerucht begonnen waren – of eigenlijk vooral mijn eerste zwager –, dat ik iets met die melkboer had. Dit ondanks het feit dat ik achttien was en hij eenenveertig. Ik wist hoe oud hij was, niet omdat hij doodgeschoten was en het in de media kwam, maar omdat er al eerder praat was geweest, maanden voor zijn dood al, ook al van die roddelaars, dat eenenveertig en achttien walgelijk was, dat drieëntwintig jaar verschil walgelijk was, dat hij getrouwd was en zich niet door mij had moeten laten beetnemen omdat er genoeg stille, onopvallende mensen waren die je een beetje in de gaten moest houden.
Ja, want die zogenaamde affaire met de melkboer lag dus schijnbaar ook aan mij.
Alleen had ik helemaal geen affaire met de melkboer. Ik moest niets van die melkboer hebben. Hoe hij me steeds achtervolgde en probeerde iets met me te beginnen vond ik eng en verwarrend. En mijn eerste zwager mocht ik ook niet. Vanwege zijn eigen afwijkingen haalde hij van alles in zijn hoofd over het seksleven van anderen. Ook over mijn seksleven. Hij was toen ik jonger was, toen ik nog maar twaalf was, als verwerkingsgeval aan mijn oudste zus blijven plakken nadat ze haar langdurige vriend aan de dijk had gezet omdat hij haar belazerd had. Van de weeromstuit was ze in verwachting van hem geraakt en ze trouwden gelijk.
Hij maakte vanaf het allereerste begin vunzige opmerkingen tegen me. Over mijn rondingen, mijn staart, mijn dingetje, mijn doos, mijn potje, mijn bokkigheid en mijn eenlettergreepje. Hij gebruikte woorden, sekswoorden die ik niet begreep.
Hij wist dat ik ze niet begreep maar dat ik wel snapte dat ze over seks gingen. Dat vond hij wel lekker. Hij was toen vijfendertig. Twaalf en vijfendertig. Dat is ook drieëntwintig jaar verschil.
Dus hij maakte van die opmerkingen alsof hij vond dat hij daar recht op had, en ik zei er niets van omdat ik niet wist hoe ik op zo iemand moest reageren. Maar hij deed het niet als mijn zus in de kamer was. Zodra ze de kamer uit liep, ging er bij hem vanbinnen ergens een knop om. Toen, daar, was mate van geweld ieders enige maatstaf om anderen in te schatten.
Wat scheelde was dat ik niet fysiek bang voor hem was. Ik had gelijk gezien wat er niet in hem zat, dat hij anders in elkaar zat. Toch verstijfde ik iedere keer vanwege zijn roofdierachtige gedrag.
Hij was dus een smeerlap en zij had de pech om van hem in verwachting te zijn terwijl ze eigenlijk nog steeds verliefd was op die andere man, de man met wie ze zo lang samen was geweest. Ze kon nog steeds niet geloven wat die haar had aangedaan, en ze kon ook niet kon geloven dat hij haar niet miste, maar dat deed hij niet omdat hij er met een ander vandoor was. Ze keek niet eens goed naar deze vent, deze oudere man met wie ze getrouwd was. Ze was zelf nog te jong en te ongelukkig en te verliefd geweest – alleen niet op hem – om iets met hem te beginnen.
Ook al was dat zielig voor haar, toch ging ik er niet meer langs, omdat ik niet meer tegen zijn praatjes en zijn blikken kon.
Hoe dan ook, zes jaar later en probeerde hij zich nog steeds aan mij en mijn overgebleven oudere zusters op te dringen, terwijl wij hem alle drie – direct, indirect, beleefd en met fuck-offs, afwezen – toen ineens de melkboer, ook onuitgenodigd maar veel enger, veel gevaarlijker, uit het niets ten tonele verscheen.
Ik weet niet van wie hij de melkboer was. In elk geval niet van ons. Ik geloof dat hij niemands melkboer was. Hij werd nooit met melk gesignaleerd en leverde die ook niet af.
Hij reed niet in een melkkar.
Ondanks dit alles vielen hij en zijn auto’s me pas op toen hij begon zichzelf in die auto’s op mijn pad te zetten. En dan had je dat busje nog: klein, wit, onopvallend, onherkenbaar. Soms zag je hem ook achter het stuur van dat busje.
Op een dag verscheen hij in een van zijn auto’s terwijl ik Ivanhoe liep te lezen. Ik las vaak boeken terwijl ik liep. Ik vond daar niets mis mee, maar het werd gezien als een aanvullende bewijslast jegens mij.
‘Lezen onder het lopen’ stond absoluut op de lijst.
‘Jij bent toch een van de meisjes huppeldepup? Je vader was toch die-en-die? En je broers zijn dinges, dinges, dinges en dinges en ze zaten vroeger toch in het hurly-team? Stap in, dan geef ik je een lift.’
Dit alles heel terloops, de passagiersdeur zwaaide al open.
Ik was opgeschrikt uit mijn boek. Ik had zijn auto niet naast me horen stoppen. Had die man achter het stuur ook nooit van mijn leven gezien. Hij leunde naar me toe, keek me aan, glimlachend, vriendelijk, hulpvaardig. Maar nu ik eenmaal achttien was, waren ‘glimlachend, vriendelijk en hulpvaardig’ enorme waarschuwingssignalen. Het ging niet om de lift zelf. Mensen met auto’s stopten vaak om anderen een lift aan te bieden, de wijk uit of in.
Er waren destijds niet heel veel auto’s en er vielen regelmatig gaten in het openbaar vervoer vanwege toestanden als bommen en gijzelingen.
Mannen die rondjes reden om tippelaars op te pikken, en tippelen op zich bestond misschien wel, maar mij was het nooit opgevallen. Ik wilde hoe dan ook geen lift. Ik hield ervan om te lopen. Te lopen en te lezen, te lopen en te denken. Maar nog specifieker, ik wilde niet bij deze man in de auto stappen. Ik wist alleen niet hoe ik dat moest zeggen.
Hij was namelijk niet onbeleefd, kende mijn familie, als bewijs daarvan had hij de namen van de mannen ervan genoemd, ik kon niet onbeleefd zijn, want hij was dat ook niet. Ik aarzelde dus, of verstijfde, en dat was onbeleefd.
‘Ik loop wel,’ zei ik dus maar. ‘Ik ben namelijk aan het lezen.’ Ik hield mijn boek omhoog, alsof Ivanhoe het lopen kon verklaren, de noodzaak tot lopen. ‘Je mag wel in de auto lezen,’ antwoordde hij. Ik weet niet meer wat ik daarop zei. Uiteindelijk lachte hij en zei: ‘Geen probleem. Maak je geen zorgen. Veel plezier met je boek,’ deed de autodeur dicht en reed weg.
Meer was er die eerste keer niet gebeurd, toch stak er al meteen een gerucht op.
Oudstezus kwam me opzoeken omdat haar man, mijn nu eenenveertigjarige zwager, haar langs had gestuurd. De bedoeling was dat ze me wijzer zou maken en zou waarschuwen. Men had mij met die man zien praten, zei ze.
‘Fuck off,’ zei ik. ‘Wat heeft “men” dan zogenaamd gezien, en wie is “men”? Jouw man?’
‘Even naar me luisteren, voor je eigen bestwil,’ zei ze.
Maar dat deed ik niet, vanwege hem en zijn dubbele moraal, en omdat zij dat allemaal van hem pikte. Ik realiseerde me toen niet dat ik het haar kwalijk nam, haar al langere tijd zijn eeuwige opmerkingen tegen mij kwalijk nam. Ik realiseerde me niet dat ik haar kwalijk nam dat ze met hem getrouwd was terwijl ze niet van hem hield en hem onmogelijk kon respecteren, want ze moest, dat kon niet anders, geweten hebben van de dingen die hij uithaalde.
Ze probeerde door te drammen met allerlei advies, dat ik me moest gedragen, dat ik het mezelf niet makkelijker maakte zo, dat van alle mannen met wie je het mee kon aanleggen… maar toen had ik er genoeg van. Ik werd kwaad en vloekte nog wat omdat ze niet tegen vloeken kon en dat de enige manier was om haar de kamer uit te krijgen. Toen schreeuwde ik haar uit het raam achterna dat als die lafbek me iets te zeggen had, dat hij dan langs mocht komen en het zelf in mijn gezicht zeggen. Dat was een vergissing: zo emotioneel worden, dat er gezien en gehoord kon worden hoe emotioneel ik werd, dat ik uit het raam stond te brullen, de hele straat door, dat ik mijzelf verloor in het moment. Meestal wist ik die valkuil te vermijden. Maar ik was zo kwaad. Ik was zo kwaad op haar, omdat ze zo’n braaf vrouwtje was, omdat ze altijd precies deed wat hij haar opdroeg, en op hem, omdat hij altijd zijn eigen verachtelijkheid aan mij afveegde. Ik voelde al mijn koppigheid, mijn ‘bemoei je met je eigen zaken’ in me opborrelen. Helaas, altijd wanneer dat gebeurde, werd ik prompt onredelijk, en vertikte ik het om iets op te steken van eerdere ervaringen en dan gooide ik mijn eigen glazen in. Wat het gerucht over mij en die melkboer betreft, dat zette ik opzij zonder me er verder over te bekommeren. Hevige bemoeizucht ten aanzien van iedereen was er in de buurt altijd al geweest. Roddel spoelde aan, spoelde weer weg, kwam, ging, verplaatste zich naar een volgend doelwit. Dus ik hield me verder niet bezig met deze zogenaamde liefdesaffaire met de melkboer. Maar toen dook hij weer op, deze keer te voet terwijl ik aan het hardlopen was in het park met de hoge en de lage vijver.

 

© 2018 Anna Burns
© 2019 Nederlandse vertaling Uitgeverij Prometheus en Natasha Gerson en Roland Fagel

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum