Leesfragment: Mijn Poolse huis

27 mei 2019 , door Dore van Duivenbode
| | |

Dore van Duivenbode wint de Bob den Uylprijs 2019 met Mijn Poolse huis. Vakanties naar Auschwitz. Benieuwd? Lees een fragment bij ons.

Wie aan Auschwitz denkt, denkt niet aan vakantie. 
Voor Dore van Duivenbode is dat anders. Vanaf haar prille jeugd reist ze met haar Poolse moeder in een knalroze touringcar vanuit Rotterdam naar het familiehuis bij Auschwitz (Oswiecim). Pas later wordt Dore zich bewust van de geschiedenis die aan de plaats kleeft. 
Wanneer haar moeder overlijdt, moet Dore het door everzwijnen en steenmarters geteisterde familiehuis verkopen. Voordat ze definitief afscheid neemt, doet ze wat ze al heel lang van plan was: de bewoners van Auschwitz vragen hoe ze met het verleden leven. Het levert bijzondere verhalen op. Inclusief het verhaal van haar moeder, haar grootmoeder en dat van haarzelf.

 

Karolina

Aan de sleutelbos die ik uit Nederland heb meegenomen, hangen tientallen exemplaren. Ze klemmen, glijden te gemakkelijk het sleutelgat in en uit, of ze haperen. Het is hartje zomer, negenendertig graden en het zweet druppelt langs mijn slapen. Ik sta buiten onder het oranje puntdak van ons huis in het zuiden van Polen. Uit de regenpijp steken verdorde bladeren. Ervoor hangt een spinnenweb. Rechts van het huis begint het bos. Aan de rand liggen gekapte boomstammen. Ik hoor vogels en krekels. Op die geluiden na is het stil. Bij de buren is de vitrage gesloten. Het muurtje waarop ik vroeger wachtte tot mijn moeder de deur had geopend, is overwoekerd door mos. De groenbruine laag groeit door tot aan de tegels, waar hij de grond in lijkt te verdwijnen. Naast de voordeur zit een scheur. Verf bladdert af. Een jaar geleden was ik hier voor het laatst. Sindsdien is ons witte huis vergrijsd. De muren zijn vuil en een laag roet bedekt de kozijnen. Ik probeer een volgende sleutel, trek met meer kracht aan de houten voordeur, geen beweging.

*

Mijn moeder bewaarde de sleutelbos in haar heuptas, die alles bevatte wat voor een reis naar Polen werd geadviseerd. Onze paspoorten (de originele en de kopieën) zaten erin, een portemonnee met Nederlands geld, een portemonnee met Pools geld en een portemonnee met het groene goud: dollars. De vervoersbewijzen in viervoud, een Pools-Engels woordenboek — een Nederlandse versie was er niet —, tissues, wagenziektepillen, suikerzakjes en plastic tasjes voor als de pillen niet zouden werken.
‘Granica’, fluisterde ik als zevenjarige in 1992. ‘Grens’. Granica, granicy, granicę, granicą. De Poolse vervoegingen weerkaatsten over het parkeerterrein naast Station Rotterdam Centraal. Tegenover Perron Nul, de afhaalchinees voor drugsverslaafden, begonnen vanaf 1985 tot midden jaren negentig de vakanties naar mijn moeders geboorteland. Omdat mijn vader in de zomer vaak moest werken, mijn ouders jong waren getrouwd en gescheiden, en mijn moeder niet in haar eentje naar Polen wilde rijden, gingen we jarenlang met de bus.
Als klein meisje hoopte ik van de meest glanzende, chique bus die de parkeerplaats op kwam rijden, dat die de onze was. Een bus zoals mijn Barbies hadden, met plek voor paarden en een zwembad op het dak. Een bus die zo min mogelijk op een bus leek, want in zo’n ding op vakantie gaan, deed geen van mijn klasgenoten. Mijn vriendinnen vlogen naar de Franse Rivièra, hadden huizen met zwembaden of togen naar het pied-à-terre van hun ouders in kosmopolitische steden. Sommigen bleven in Nederland en een enkeling ging naar Polen. Die enkeling was ik.
Er waren meer verschillen. Mijn moeder was kleiner dan de moeders van mijn vriendinnen, ze sprak anders en er logeerden vaak familieleden bij ons. Vaak en lang. Een vaste gast was babcia (oma), dat je uitspreekt als ‘babtsja’. Met haar krulspelden en lichtroze nachtjapon sliep ze in mijn bed met mij op een matje ernaast, turend naar het ingedeukte matras. Op het nachtkastje lag een dichtgeknoopt, doorzichtig plastic tasje gevuld met een fl esje oogdruppels, haar bloeddrukmeter en oranje en roze pillen. Babcia ademde zwaar en hoestte als een haperende auto in de winter. Ze rook naar Oil of Olaz en had maar één oog. Het andere was verloren gegaan tijdens een mislukte operatie om de gestegen druk in haar oog te verhelpen. Mijn moeder vond de Nederlandse oogziekenhuizen beter dan de Poolse en wilde de behandeling in Rotterdam voortzetten. Haar broer vond dat waanzin en noemde haar een arrogante tuthola. Uiteindelijk maakte een Oostenrijkse arts een prothese op maat. Zo sloop er toch een beetje buitenland bij babcia naar binnen. ’s Ochtends smeerde ze boterhammen met mierikswortel, liep mee naar school, zei mij gedag, waarbij ik hoopte dat niemand het Pools zou horen. Vervolgens ging ze naar de Poolse kerk en bracht de rest van de dag bij ons thuis voor de televisie door, waarop ze alle programma’s zonder ondertiteling volgde. Het hoogtepunt van haar verblijf was het bezoek aan de supermarkt. Als een museumgids leidde mijn moeder babcia door de winkel. Al pratend gooide ze het ene na het andere product in de boodschappenkar. Wasmiddel, chocoladebonbons, Franse kazen, keukenpapier. Nooit de aanbieding, altijd het A-merk. Ten slotte was de kar zo vol dat zij hem amper kon voortduwen. Trots pakte ze haar pinpas terwijl de kassière het laatste product scande: de streepjescode van een leeg zakje. Op de lopende band lagen de kruimels van een croissant die mijn moeder al winkelend had opgegeten. Babcia slaakte een kreet van verwondering. Deze West-Europese luxe was onovertroffen.
Mijn moeders broer logeerde als twintiger op onze woonkamerbank. Marek werkte als illegale seizoenarbeider in de Nederlandse kassen. Iedere ochtend ging hij voor zonsopgang de deur uit. ’s Avonds kwam hij pas terug nadat we gegeten hadden. Marek spaarde duizend dollar per maand, een veelvoud van zijn salaris in Polen. Na een van zijn bezoeken scharrelde er een muis door onze flat. Dat het dier zelfstandig naar de tiende etage was geklommen, leek onwaarschijnlijk. De muis moest in mijn ooms koff er hebben gezeten. Ik wilde hem terugbrengen naar Polen, maar dat was uitgesloten. Hij zou in de stad worden vrijgelaten. Waar precies en hoe, werd in het midden gelaten. Ik hoorde het doorspoelen van de wc en zag de veldmuis in gedachten door het Rotterdamse riool zwemmen. Sindsdien werden de koffers van familieleden uitvoerig gecontroleerd.
Op een dag bereikte ons via gebrekkige telefoonlijnen het nieuws dat een neef was overleden. Zijn naam zei mij niets. Toch moest ik op school onbedaarlijk huilen. De gymnastiekles mocht ik overslaan. Mijn moeder had gezegd dat haar familie zou uitsterven nu een naamgever zonder zonen was gestorven. Ik had nog nooit zoiets triests gehoord. Ik dacht aan mijn Poolse familie en de niet te bevatten hoeveelheid tijd die zonder hen zou verstrijken.

 

© Dore van Duivenbode, 2018

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum