Leesfragment: Moeders van anderen

31 maart 2019 , door Mirthe van Doornik
| |

Mirthe van Doorniks roman Moeders van anderen is genomineerd voor de ANV Debutantenprijs 2019! Daarom nu een fragment.

Een buitenwijk in de jaren negentig. Nico en Kine hebben eigen regels om de wereld bij elkaar te houden. Altijd in de voorste metrowagon staan, altijd een groene trui dragen op donderdag. Maar de belangrijkste regel: nooit praten over hun moeder, nooit over haar drankgebruik, nooit over de dingen waar ze bang voor zijn. Reikhalzend kijken de zusjes uit naar het moment dat ze een scooter kunnen kopen. Terwijl ze hun wereld langzaam uitbreiden lijkt vooral Kine zich te ontplooien.
Nico daarentegen raakt steeds meer vervreemd van haar leeftijdsgenoten. Nauwkeurig analyseert ze de rampen die er om hen heen gebeuren, tot ze in haar fatalisme niet meer ziet welke ramp er werkelijk op hen afkomt.

Van Doornik heeft een bijzonder talent om lichtvoetig over de worsteling met onveiligheid, onmacht en loyaliteit te schrijven. Moeders van anderen is een geestige, ontroerende roman over een disfunctionele familie met een groot verlangen naar het leven.

Mirthe van Doornik (1982) is journalist en documentairemaker. In 2016 vestigde ze zich als belangrijk schrijftalent: Van Doornik won de vakjuryprijs van zowel de NPO Boekenweek Schrijfwedstrijd als de Scheltema Schrijversacademie. Moeders van anderen is haar debuut.

  • 'Twee zussen verstrikt in het drama van een drinkende moeder: aangrijpend, vol humor en met een continue onderliggende dreiging - een debuut van formaat.' Thomas Rosenboom

 

1997 Kine

Omdat we kinderen zijn, denken mensen dat ze alles tegen ons mogen zeggen. Hoe het vroeger was, dat je niet op de rand van het perron moet staan, dat we best hun hond mogen aaien. Maar dat we met een vreemde mee naar huis moeten, dat hebben we niet eerder gehoord.
De vrouw is een beetje scheef op ons af komen lopen, alsof ze eerst tien rondjes heeft gedraaid en toen ons in haar vizier kreeg.
‘Wat een mooie vlechtjes heb jij,’ zegt ze als ze voor mij staat. ‘Waar gaan jullie naartoe?’ De dikke glazen in haar enorme bril vergroten haar ogen tot die van een spookdier. Ik kijk naar haar handen. Spookdieren hebben lange vingers, een beetje zoals et, met kussentjes aan de toppen, maar de vingertoppen van de vrouw laten zich niet zien omdat ze een supermarkttas omklemmen.
‘Jullie moeten met mij mee naar huis komen,’ zegt de vrouw als de metro de tunnel uit dendert. ‘Vier haltes, dan zijn we er.’
Dit is niet goed, dat zie ik ook aan het gezicht van Nico. Gelukkig weet zij altijd wat we moeten doen. Met een licht knikje geeft ze mij het teken dat we elkaar ook geven als er controle komt. Ik weet wat ze bedoelt.
Nadat de mensen uit de metro zijn gestapt, gaat de vrouw ons voor.
‘Waarom gaan jullie niet zitten?’ zegt ze als we in de metro staan. ‘Kom, we gaan zitten.’ Ze spreekt een beetje langzaam, is ze dronken? Nico blijft naast de deur staan, bukt zich om haar veter vast te maken. Tijdrekken. Nog een keer geeft ze me het teken, voor de zekerheid. Ik knik, friemel aan mijn rugzak, kijk naar het perron dat langzaam leger wordt. Drie metro’s stoppen hier die buiten de stad allemaal een andere kant op buigen. De uitgestapte mensen zijn al bijna allemaal verdwenen, de paar mensen die overblijven hebben een andere bestemming.
De vrouw loopt op een paar lege stoelen af en neemt plaats bij het raam. Dan richt ze zich weer tot ons. ‘Kom! Hier kunnen jullie zitten.’
De metro piept dat de deuren gaan sluiten, ik zet mijn voet tegen de deur als we naar buiten springen. ‘Wat doen jullie nou?!’ hoor ik de vrouw roepen. Ik ruik de tocht, die eeuwige lucht van ondergrondse metrostations. Mijn keel is droog, mijn benen voelen zwaar. We zien de metro in beweging komen, het spookdier bij ons vandaan sleuren. Zelfs nadat Nico mijn hand pakt kost het moeite mijn benen in beweging te krijgen.

De man achter het glas eet een broodje en kijkt voor zich uit. Pas als Nico harder tegen het raam klopt kijkt hij omlaag.
‘Iemand probeert ons te ontvoeren,’ zegt Nico. In het glas zitten gaatjes, zodat de man ons kan verstaan. Nico doet haar best om haar woorden door de gaatjes te persen. Ze staat op haar tenen en zegt: ‘Een vrouw. Een vrouw met een grote bril.’ De man kijkt ons lang aan. Hij heeft net een nieuwe hap genomen waar hij heel langzaam op kauwt. Als zijn mond weer leeg is, pakt hij een walkietalkie, wijst naar een bankje aan de overkant en gebaart dat we daarop moeten gaan zitten.
Boven is het fijner wachten dan beneden. Door de rode en blauwe tegels lijken de muren op een level in een computerspel. De gekleurde tegels lopen precies tot aan de trap. Alsof iemand dacht: goed, ik tegel tot hier, maar bij de roltrap stop ik, daarbeneden is het toch kansloos, daar kunnen zelfs gekleurde tegels niet tegenop. Op het perron wachten altijd mensen waar iets mis mee is. Jongens die je omverduwen, mannen die hun piemel door hun gulp steken en oude mensen die zeuren dat kinderen geen respect meer hebben. En op de plastic banken die niet kapot kunnen ligt altijd iets. Cola, spuug, chips, soms een man die al zijn kleding over elkaar heeft aangetrokken.

Zeker vier metro’s gaan voorbij voor er zich twee mannen melden. Ze hebben allebei een dikke buik, of een te krap pak. Een van de twee heeft een kaal hoofd. Hij lijkt op het topje van mijn wijsvinger als je er een gezichtje op tekent. Samen lopen we langs het hokje, van waarachter de toezichthouder zijn hand naar zijn collega’s opsteekt, naar de roltrap waar we ons vaak vanaf laten glijden. Je moet de rubberen band pakken, je door het mechanisme de leuning op laten trekken, bij de knik van de afdaling je billen iets over de rand schuiven en dan loslaten. Nico zegt dat je alles mag gebruiken op de manier waarop je dat zelf fijn vindt, dus ook roltrappen, maar beneden staat altijd wel iemand om te zeggen dat het gevaarlijk is, dat een roltrap daar niet voor bedoeld is. Nico zegt dat ik niet hoef te luisteren naar oude mensen omdat die alles gevaarlijk vinden behalve de echt gevaarlijke dingen, zoals autorijden op je tachtigste en schuifelend de weg oversteken. Oude mensen weten niet dat ook stilstaan op een roltrap dodelijk kan zijn. Als je met je jas klem komt te zitten bijvoorbeeld. Het mechanisme trekt je dan gewoon mee, het maakt een roltrap niet uit of jij vastzit of niet. In Duitsland kwam een vrouw met haar lange jas klem te zitten en toen ze beneden omviel werden haar haren heel langzaam van haar hoofd getrokken. Sinds dat nieuwsbericht houdt mama op elke roltrap angstig haar rok omhoog en denk ik elke keer als ik op de roltrap sta aan het woord scalperen. Dat is veertig keer per maand. Ik weet niet hoe ik daar weer mee moet stoppen. Net zoals ik elke avond onder het afwassen aan de buurman denk omdat ik stond af te wassen toen hij kwam vertellen dat er bij hem was ingebroken. Hoelang is die inbraak inmiddels geleden? Een paar weken misschien? Ik ken hem alleen van gezicht, hij woont aan de andere kant, tussen de lift en een huis waar volgens mama een moeder met een ongelukkig jongetje is komen wonen. Ik heb het jongetje nog nooit gezien, maar ik heb me wel al vaak afgevraagd waarom hij dan ongelukkig is, ik bedoel, wat is er zo erg dat iedereen moet weten dat hij ongelukkig is?
De buurman van het ongelukkige jongetje vertelde dat zijn televisie weg was en dat zelfs de afstandsbediening was meegenomen. Ik wist alles al, maar dat durfde ik niet te zeggen. Nog steeds durf ik dat niet, maar vanavond zal ik aan Nico vertellen hoe het precies is gegaan.

Op dezelfde plek als waar we door de vrouw werden aangesproken kijken we nu de zwarte tunnel in. Ik doe mijn ogen dicht. Ik denk aan de twee mannen die naast ons staan en hoe ze eruitzien. De ene is kaal, niets specifieks, de andere man heeft de nek van een gier. Geen lange nek, maar wel met zo’n knikje erin, waardoor zijn hoofd iets voor zijn lichaam uit lijkt te zweven. Eerst is er het geluid. Met je ogen dicht lijkt geluid altijd luider. Ik voel een hand op mijn schouder. De hand trekt me een stukje naar achter. Pas als ik de deuren hoor opengaan open ik mijn ogen. De mensen stappen uit, de hand op mijn schouder gaat met me mee naar binnen. In de metro heeft iemand met een dikke viltstift de wagon vol met piemels getekend. Piemels op het raam, piemels op het plafond, piemels op de stoel waar de gier gaat zitten.
De metro is zijn geld niet waard, wat dat betreft heeft mama gelijk. Mama betaalt alleen hoeveel ze zelf redelijk vindt. Ze weegt drie appels in de supermarkt en stopt er daarna nog drie appels bij. Uit de kledingbak naast onze flat haalt ze truien die anders naar Afrika worden gestuurd: een grote wollen trui waar Nico astmatisch van wordt, een lange gele trui waar ik nog tien jaar in kan groeien. Nico vindt dat mama de truien heeft gestolen, maar mama zegt dat niemand in Afrika op een trui zit te wachten, dat wij truien nodig hebben voor de winter en dat Afrika eten en water nodig heeft omdat het daar altijd zomer is.

[...]

 

© 2018 Mirthe van Doornik

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum