Leesfragment: Onder de paramariboom

20 februari 2019 , door Johan Fretz
|

Johan Fretz is met Onder de paramariboom een van de kanshebbers op de Boekhandelsprijs 2019! Lees daarom nu een fragment.

Johannes Fretz is een Nederlander. Dat hij gemengd bloed heeft, is hem tot nu toe nauwelijks opgevallen; vooral anderen lijken zich tegenwoordig druk te maken over zijn afkomst. Daar komt verandering in als hij oude gedichten van zijn Surinaamse grootvader ontvangt, en wordt uitgenodigd om op te treden in Paramaribo in het kader van de verkiezingen.
Samen met zijn moeder vliegt hij naar haar geboortegrond. Daar wordt niet alleen duidelijk dat het land meer herkenning in hem oproept dan hij voor mogelijk had gehouden, maar ook dat het tijd is om de demonen van zijn familie eens en voor altijd te begraven.
Onder de paramariboom is behalve een ontwapenende en geestige roadtrip door Paramaribo, een ontroerend verhaal over een moeder en een zoon, identiteit en hoop.

 

Proloog

Wanneer de volwassenen naar me keken, met de wrange bewondering voor iets wat ze zelf waren kwijtgeraakt, vroegen ze: ‘Waar kom je vandaan?’
‘Dordrecht!’ zei ik dan.
Aan de manier waarop ze me vervolgens uitdrukkingsloos aanstaarden, begreep ik dat dit niet het goede antwoord was.
‘Of zoals papa zegt: hoe dichter bij Dordt, hoe rotter het wordt.’
Ik lachte hard. Nog altijd niet het goede antwoord. Ze glimlachten en zeiden: ‘Maar waar kom je echt vandaan?’
Ik begreep niet wat ze bedoelden. Dachten ze soms dat ik loog? Moest ik maar wat uit mijn duim zuigen? Mijn vader had me weleens verteld dat ik uit de buik van mijn moeder kwam, maar dat leek me een leugen. De buik van mama, daar was ik veel te groot voor. Ik trok mijn wenkbrauwen, die toen al enorm waren, in een diepe frons en keek de volwassenen aan.
‘Ik kom uit… de buik van mama.’ Hun gezichten klaarden op.
‘Ah,’ zeiden ze, ‘en waar komt mama dan vandaan? En papa?’
Waarom hadden ze dit niet gewoon meteen gevraagd?
‘Papa komt uit Den Haag en mama komt uit de paramariboom, dat is een boom aan de andere kant van de zee en in die boom groeien zwarte mensen zoals mama en Ruud Gullit.’
Ik begreep nooit waarom ze zo hard moesten lachen, want ik sprak gewoon de waarheid. Tijden – maanden of jaren, dat verschil kende ik nog niet – heb ik me afgevraagd hoe die paramariboom eruit zou zien. Eerst maakte ik me een voorstelling van de stam, de takken, de bladeren, de geuren – ‘Waar zou de boom naar ruiken? Naar kokos misschien of anders naar roti?’ –, en later, toen ik eenmaal oud genoeg was om te begrijpen waarom de volwassenen om mijn antwoord hadden moeten lachen, werd de boom een stad, een land waarvan ik slechts vage contouren zag in mijn hoofd. Ik wilde er verder niks meer van weten.
Zei ik ‘oud genoeg’? Misschien was ik helemaal niet oud genoeg om het te begrijpen. Misschien verloor ik mijn kinderlijke verbeeldingskracht wel omdat er nu eenmaal andere zaken waren die belangrijker werden, zoals: overleven. Misschien haatte ik mijn moeder wel zo omdat ze gek geworden was, dat ik met dat hele kloteland van haar verder ook niks meer te maken wilde hebben. Ik ontwikkelde een felle afkeer van alles wat met mijn halve oorsprong te maken had. Alleen al van hoe mijn moeder sprak, kon ik in woede ontvlammen. Ze sprak alsof ze zong, articuleerde overdreven, alsof haar toehoorders slechthorend waren – en ze legde klemtonen verkeerd.
‘Johannes zit op tafeltennissen,’ zei ze dan, of: ‘Het is morgen oud en nieuw!’ Wanneer ze echt Surinaams sprak, Sranantongo, riep ik dat ze moest ophouden.
‘Je bent weri ede!’ zei ze.
‘Waarom zeg je niet gewoon dat ik vervelend ben?’ antwoordde ik. ‘We wonen in Nederland en we praten hier Nederlands!’
Ik zei dingen tegen mijn moeder waarmee ik een licht fascistisch publiek eenvoudig in extase had kunnen brengen. En ik had het niet eens door, omdat ik alleen maar bezig was om mijn hoofd boven water te houden. Mijn naam was Johannes. Ik woonde in achterbuurten van een stad waarin het goed was om Johannes te heten. Het was een onschuldige naam: rond, zacht en gevaarloos. Een naam die ik graag uitsprak, omdat ik er iets heel belangrijks mee vertelde aan de witte buurtbewoners: ‘Ik ben niet een van de anderen, ik ben een van jullie.’ Het uitspreken van mijn naam was de sleutel tot ontwapening. Het werkte eigenlijk altijd. Ze geloofden me. Zelden gaf iemand mij ooit te kennen dat ik geen Nederlander was, en op den duur vergat ik zelfs helemaal dat ik ook ander bloed had.
Maar soms, als er niemand anders thuis was, liep ik de slaapkamer van mijn ouders in en keek ik naar de vergeelde foto die mijn moeder aan de wandspiegel had vastgemaakt. Door die foto wist ik heel zeker dat mijn grootvader, die al gestorven was lang voordat ik op de wereld kwam, een echte zwarte man was geweest, een neger, al mocht ik dat nooit zeggen van mijn moeder en van sommigen mag ik het ook nu niet zeggen, niet eens om uit te leggen dat ik het toen zei. Blijkbaar kom ik niet uit een boom, maar uit een mijnenveld. Maar het was zo: mijn grootvader was een zwarte man, een knappe, lange creool, André Emiel Gilbert Brouwn, met o, u, w. Op de foto droeg hij een beige linnen pak en een grijze hoed. Hij keek naar de vrouw die tegenover hem stond, mijn grootmoeder Erna Tjen-ATak. Twee jonge verliefden, stil hangend in de tijd. De laatste tijd bestudeer ik dat beeld grondig en dan vooral opa Miel, zoekend naar gelaatstrekken waarin ik mezelf herken. Ik probeer via die ene foto in zijn hoofd te kruipen, zodat ik kan rondzwemmen in zijn gedachten, ze in me op kan nemen en zal ontdekken dat wij, hij en ik, uit hetzelfde hout zijn gesneden. Dat moet haast wel: van alle vier mijn grootouders zijn het opa Miels genen die mij het krachtigst hebben bereikt, die zich het nadrukkelijkst laten gelden in de versmelting van alle rassen en soorten bloed die in mijn lichaam zitten. Sinds ik zijn gedichten heb ontdekt, raak ik daar alsmaar meer van overtuigd. Maar ik loop op de zaken vooruit. Laten we beginnen bij het begin.

 

© Johan Fretz, 2018
© Lebowski Publishers, Amsterdam 2018

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum