Leesfragment: Op aarde schitteren we even

30 augustus 2019 , door Ocean Vuong
| |

3 september verschijnt het romandebuut van de bekroonde dichter en essayist Ocean Vuong, Op aarde schitteren we even (On Earth We’re Briefly Gorgeous), vertaald door Johannes Jonkers. Wij publiceren voor.

De debuutroman van de dichter Ocean Vuong is een schokkend familieportret en een indringend relaas van een eerste liefde, waarin de bezwerende kracht van taal en verhalen wordt aangewend als middel om te overleven en kloven te overbruggen.

Op aarde schitteren we even is een brief van een zoon aan zijn moeder die niet kan lezen. De schrijver van de brief, de achtentwintigjarige Hondje, legt een familiegeschiedenis bloot die voor zijn geboorte begon - een geschiedenis waarvan het brandpunt in Vietnam ligt. Daarnaast verschaft hij toegang tot delen van zijn leven waar zijn moeder nooit van heeft geweten, en doet hij een onvergetelijke onthulling. De roman is behalve een getuigenis van de problematische maar onmiskenbare liefde tussen een alleenstaande moeder en haar zoon, ook een genadeloos eerlijk onderzoek naar ras, klasse en mannelijkheid. Op aarde schitteren we even stelt vragen die centraal staan in het Amerika van nu, dat ondergedompeld is in verslaving, geweld en trauma. Het is een roman vol mededogen en tederheid over de kracht van je eigen verhaal vertellen en over de vernietigende stilte van niet gehoord worden.

Met verbluffende urgentie en elegantie schrijft Ocean Vuong over mensen die klem zitten tussen onverenigbare werelden, en onderzoekt hij hoe we elkaar kunnen genezen en redden zonder te verloochenen wie we zijn. De vraag hoe we moeten overleven, en hoe we daar een soort vreugde aan kunnen ontlenen, is de drijvende kracht van de belangrijkste debuutroman sinds jaren.

 

I

Laat ik opnieuw beginnen.

Lieve ma,
Ik schrijf je om je te bereiken – zelfs als elk woord dat ik opschrijf één woord verder van jou is verwijderd. Ik schrijf om terug te gaan naar die keer in het wegrestaurant in Virginia, toen je vol afgrijzen naar het opgezette hert staarde dat boven de frisdrankautomaat bij de wc’s hing. Zijn gewei wierp een schaduw over je gezicht. In de auto schudde je voortdurend je hoofd. ‘Ik begrijp niet waarom ze dat doen. Zien ze niet dat het een lijk is? Een lijk hoort weg te gaan, niet zo voor altijd vast te zitten.’
Ik denk nu aan dat hert, hoe je in zijn zwarte glazen ogen staarde en je weerspiegeling zag: je hele lichaam, vervormd in die levenloze spiegel. Hoe je geschokt was, niet door het groteske van een opgehangen onthoofd dier, maar doordat het opgezette hert een dood belichaamde die niet zal eindigen, een dood die blijft sterven als we erlangs lopen om onze behoefte te doen.
Ik schrijf omdat ze tegen me hebben gezegd dat ik een zin nooit moest beginnen met want. Maar ik deed geen poging een zin te maken – ik deed een ontsnappingspoging. Want vrijheid, heb ik gehoord, is niets anders dan de afstand tussen de jager en zijn prooi.

Herfst. Ergens boven Michigan begint een kolonie van ruim vijftienduizend monarchvlinders aan haar jaarlijkse trek naar het zuiden. In twee maanden tijd, van september tot november, trekken ze vleugelslag voor vleugelslag van Zuid-Canada en de Verenigde Staten naar delen van Centraal-Mexico, waar ze de winter zullen doorbrengen.
Ze strijken te midden van ons neer, op vensterbanken en hekken, op waslijnen die nog trillen van het gewicht van de net opgehangen was, op de motorkap van een bleekblauwe Chevrolet. Hun vleugels vouwen zich langzaam op, alsof ze opgeborgen worden, en klappen dan open voor de vlucht.
Er is maar één nacht met vorst nodig om een hele generatie uit te roeien. Leven is dus een kwestie van tijd, van timing.
Die keer dat ik vijf of zes was en een streek uithaalde: ik besprong je van achter de gangdeur en riep ‘Boem!’ Je schreeuwde met een gegroefd en vertrokken gezicht, barstte toen in snikken uit en greep je borst vast terwijl je hijgend tegen de deur leunde. Ik stond perplex, mijn speelgoedlegerhelm scheef op mijn hoofd. Ik was een Amerikaanse jongen en papegaaide wat ik op tv zag. Ik wist niet dat de oorlog nog steeds in jou zat, dat er om te beginnen een oorlog was, dat die, zodra die je leven binnendringt, nooit meer weggaat, alleen maar echoot, een geluid dat het gezicht vormt van je eigen zoon. Boem.
Die keer in groep vijf dat ik met hulp van mevrouw Callahan, mijn lerares Engels als tweede taal, het eerste boek las dat ik mooi vond, een kinderboek van Patricia Polacco met de titel Dondertaart. Als een meisje en haar grootmoeder in dat verhaal een storm zien aankomen aan de groene horizon, gaan ze niet de raamluiken sluiten of planken op de deuren spijkeren, maar een taart bakken. Ik was uit het veld geslagen door deze daad, deze hachelijke maar dappere afwijzing van gezond verstand. Terwijl mevrouw Callahan met haar mond bij mijn oor achter me stond, werd ik steeds dieper de stroom van taal in getrokken. Het verhaal ontvouwde zich, de storm erin stak op terwijl ze sprak, en stak nog een keer op toen ik de woorden herhaalde. Een taart bakken in het oog van een storm; suiker tot je nemen als het gevaar het grootst is.

De eerste keer dat je me sloeg moet ik vier zijn geweest. Een hand, een flits, een afrekening. Mijn mond een vuur van aanraking.
Die keer dat ik je probeerde voor te lezen zoals mevrouw Callahan het me had geleerd, met mijn lippen bij je oor, mijn hand op die van jou, de woorden bewegend onder de schaduwen die we wierpen. Maar die daad (een zoon die zijn moeder onderwijst) zette onze hiërarchie op zijn kop, en daarmee onze identiteit, die in dit land toch al broos en beknot was. Na het gestotter en de hernemingen, de zinnen die verwrongen werden of in je keel bleven steken, na de schaamte over het falen, sloeg je het boek dicht. ‘Ik hoef niet te lezen,’ zei je met vertrokken gezicht, en je duwde je van de tafel af. ‘Ik kan zíén – dat heeft me tot hier gebracht, of niet soms?’
Toen die keer met de afstandsbediening. Een rode striem op mijn onderarm waarover ik loog tegen mijn onderwijzers. ‘Ik ben gevallen toen ik tikkertje speelde.’
Die keer, op je zesenveertigste, dat je plotseling zin had om te kleuren. ‘Laten we naar Walmart gaan,’ zei je op een ochtend. ‘Ik heb kleurboeken nodig.’ Maandenlang vulde je de ruimte tussen je armen met alle kleurschakeringen die je niet kon uitspreken. Magenta, vermiljoen, fuchsia, tin, jeneverbes, kaneel. Elke dag zat je uren gebogen over landschappen met boerderijen, weilanden, Parijs, twee paarden op een door wind geteisterde vlakte, het gezicht van een meisje met zwart haar en een huid die je blanco, wit liet. Je hing er het huis mee vol, zodat het een klaslokaal van een basisschool leek. Toen ik je vroeg: ‘Waarom kleuren, waarom nu?’ legde je het saffierblauwe potlood neer en staarde dromerig naar een onaffe tuin. ‘Ik verdwijn er gewoon een tijdje in,’ zei je, ‘maar ik voel alles. Alsof ik nog steeds hier ben, in deze kamer.’
Die keer dat je de legodoos naar mijn hoofd smeet. Het hardhout bespikkeld met bloed.
‘Heb jij ooit een scène gemaakt,’ vroeg je, terwijl je een huis van Thomas Kinkade inkleurde, ‘om jezelf er vervolgens in te zetten? Heb je jezelf ooit van achteren bekeken terwijl je steeds verder en dieper dat landschap in ging, van jezelf vandaan?’
Hoe kon ik je vertellen dat wat je beschreef schrijven was? Hoe kon ik zeggen dat we elkaar uiteindelijk erg na staan, dat de schaduwen van onze handen, op twee verschillende pagina’s, met elkaar versmelten?
‘Het spijt me,’ zei je, en je verbond de snee op mijn voorhoofd. ‘Pak je jas. Je krijgt McDonald’s van me.’ Met kloppend hoofd doopte ik onder jouw toeziend oog kipnuggets in ketchup. ‘Je moet groter en sterker worden, oké?’

Gisteren herlas ik Rouwdagboek van Roland Barthes, het boek dat hij na de dood van zijn moeder een jaar lang elke dag schreef. Ik heb het lichaam van mijn moeder gekend, schrijft hij, ziek en vervolgens stervend. En daar stopte ik. Daar besloot ik jou te schrijven. Jou die nog leeft.
Die zaterdagen aan het eind van de maand waarop we, als je geld overhad na de rekeningen, naar het winkelcentrum gingen. Sommige mensen doften zich op om naar de kerk of naar etentjes te gaan; wij trokken onze mooiste kleren aan om naar een winkelcomplex bij snelweg 91 te gaan. Jij stond dan vroeg op, deed er een uur over om je op te maken, trok je mooiste zwarte lovertjesjurk aan, deed je ene paar gouden oorringen in, trok je zwarte laméschoenen aan. Vervolgens ging je op je knieën zitten om een handvol pommade door mijn haar te smeren, het te kammen.
Een vreemde die ons daar zou zien, kon niet vermoeden dat we onze boodschappen bij de buurtwinkel aan Franklin Avenue haalden, waar de drempel bezaaid was met gebruikte voedselbonnen, waar basisbenodigdheden als melk en eieren drie keer zoveel kostten als in de buitenwijken, waar de appels, gerimpeld en gekneusd, in een kartonnen doos lagen waarvan de bodem doorweekt was met varkensbloed dat uit de krat met losse varkenskarbonades was gelekt, het ijs allang gesmolten.
‘Laten we luxe chocolaatjes gaan halen,’ zei je dan, wijzend naar chocolatier Godiva. We haalden een papieren zakje met vijf of zes vierkante stukken chocola die we lukraak hadden uitgezocht. Dat was vaak alles wat we in het winkelcentrum kochten. Vervolgens haalden we er al lopend om beurten een uit, tot onze vingers inktachtig en zoet glansden. ‘Zo geniet je van je leven,’ zei je, en je zoog aan je vingers, waarvan de roze nagellak was geschilferd nadat je een week pedicures had gegeven.
Die keer met je vuisten, schreeuwend op de parkeerplaats, toen de late zon je haar rood etste. Mijn armen beschermden mijn hoofd tegen je knokkels die van alle kanten op me neerploften.
Die zaterdagen dat we door de gangen slenterden totdat de winkels een voor een hun stalen rolluik neerlieten. Dan begaven we ons naar de bushalte een eindje verderop; onze adem dreef boven ons, de make-up droogde op je gezicht. Onze handen waren leeg op onze handen na.

 

© Ocean Vuong, 2019
© Vertaling uit het Amerikaans: Johannes Jonkers, 2019

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum