Leesfragment: Romanschrijver van beroep

06 januari 2019 , door Haruki Murakami
|

Op 15 januari verschijnt Romanschrijver van beroep van Haruki Murakami (uit het Japans vertaald door Luk Van Haute). Lees bij ons nu alvast een fragment.

In Romanschrijver van beroep schrijft Haruki Murakami zeldzaam openhartig over zichzelf. Murakami is wereldwijd een van de meest geliefde en gelezen auteurs. Tegelijkertijd geldt hij als een van de meest teruggetrokken en verlegen schrijvers: hij reist niet graag en geeft zelden interviews over zijn werk.

In Romanschrijver van beroep krijgen we een eenmalig kijkje in de ziel van Haruki Murakami. Hij vertelt in detail over zijn schrijfproces, zijn inspiratiebronnen, de betekenis van muziek en bepaalde lievelingsschrijvers voor zijn leven en werk. Hij strooit gul met advies aan aspirant-schrijvers. En hij schrijft zeldzaam openhartig over zichzelf. Stukje bij beetje ontstaat haast datgene wat Murakami in zijn bescheidenheid nooit zou schrijven: een autobiografie. In ieder geval van een schrijverschap.

 

1

Zijn romanschrijvers ruimdenkende mensen?

Als ik zeg dat ik over romans ga praten, dreigt mijn verhaal van meet af aan te breed uit te waaieren en dus zal ik het eerst even hebben over ‘de romanschrijver’. Dat is concreter, je kunt hem voor je zien en ik denk dat het verhaal zo ook een stuk makkelijker opschiet.
Als ik heel eerlijk mag zijn: voor zover ik zie, zijn veel romanschrijvers – uiteraard niet allemaal – mensen van wie je bezwaarlijk kunt zeggen dat ze over een innemende persoonlijkheid en een onbevooroordeelde blik beschikken. En ik mag dat niet al te hard roepen, maar voor zover ik al zag, blijkt een niet gering aantal van hen er ook eigenaardige, niet meteen lofwaardige neigingen op na te houden, of vreemde levensgewoonten en gedragspatronen. Ongeacht of ze het werkelijk zo zeggen, denken de meeste auteurs (zo’n tweeënnegentig procent schat ik, mezelf inbegrepen): wat ik doe en wat ik schrijf is alleenzaligmakend; op een paar uitzonderingen na hebben alle andere auteurs het bij het verkeerde eind, de ene nog meer dan de andere. En volgens die instelling leiden ze hun dagelijks leven. Mensen die zulke lui graag als vriend of als buur willen, zijn er vermoedelijk niet zoveel. En dan druk ik me nog heel voorzichtig uit.
Af en toe vang ik iets op over schrijvers die onderling een hartelijke vriendschap aanknopen, maar als ik zo’n verhaal hoor, neem ik dat meestal met een korreltje zout. Het zou kunnen dat zoiets weleens voorkomt, maar of zo’n hechte band echt lang standhoudt? Auteurs zijn in wezen een egoïstisch slag mensen en velen van hen hebben nu eenmaal een sterke trots en een felle competitiegeest. Als je schrijvers bij elkaar plaatst, zal het veel vaker niet dan wel klikken. Zelf heb ik dat ook al meermaals ervaren.
Een bekend voorbeeld is dat van Marcel Proust en James Joyce, die in 1922 eens samen aanwezig waren op een diner in Parijs. Hoewel de twee in elkaars onmiddellijke nabijheid waren, wisselden ze tot het eind van de avond nauwelijks een woord. De mensen om hen heen keken met ingehouden adem toe, benieuwd waarover deze twee boegbeelden van de twintigste-eeuwse literatuur zouden praten, maar het draaide uit op een fameuze slag in de lucht. Van beide kanten zal de eigendunk te sterk zijn geweest, neem ik aan. Dat heb je wel meer.
Maar dit mag dan allemaal zo zijn, als het gaat over kliekgeest op professioneel gebied – hiermee bedoel ik gewoonweg: als het gaat over ‘territoriumgedrag’ – dan heb ik de indruk dat geen ander slag mensen zo’n groot hart heeft en zoveel ruimdenkendheid etaleert als romanschrijvers. En ik vraag me voortdurend af of dat niet een van de, toegegeven, weinige mooie eigenschappen is die romanschrijvers gemeen hebben.
Laat ik dat wat begrijpelijker en aanschouwelijker uitleggen.
Stel nu dat een bepaalde romanschrijver goed kan zingen en zijn debuut maakt als zanger. Of hij is artistiek aangelegd en begint uit te pakken met werk als kunstschilder. Waar hij ook gaat, die schrijver zal zonder enige twijfel op ferme weerstand stuiten of bedolven worden onder spot en hoon. De mensen zullen vast dingen zeggen als: ‘Hij laat zich meeslepen. Wat hij doet, is misplaatst.’ Of: ‘Het is amateurkunst, en ook daar heeft hij niet eens de techniek of het talent voor!’ En de professionele zangers en kunstschilders zullen hem met de nek aanzien. Misschien doen ze zelfs lelijk tegen hem. Hij hoeft in elk geval geen warm welkom te verwachten in de zin van: ‘Hé, mooi dat je erbij komt!’ Tenzij in uiterst beperkte kring en in uiterst beperkte vorm. Zelf houd ik me, naast het schrijven van mijn eigen fictiewerk, al dertig jaar lang bezig met het vertalen van Britse en Amerikaanse literatuur, maar in het begin kreeg ik flink de wind van voren (en eigenlijk is dat zelfs nu nog zo). Her en der werden dingen gezegd als: ‘Vertalen is niet zo eenvoudig. Amateurs moeten er met hun handen afblijven.’ Of: ‘Een schrijver die als tijdverdrijf vertalingen maakt, dat kunnen we missen als kiespijn.’
Toen ik mijn boek Underground schreef, kreeg ik dan weer overwegend strenge kritiek van schrijvers gespecialiseerd in non-fictie. ‘Hij kent de regels voor non-fictie niet!’ klonk het. Of: ‘Wat een goedkope tranentrekker!’ Of: ‘Simpel dilettantisme, dat is het!’ Allerhande verwijten kreeg ik. Mijn bedoeling was helemaal niet geweest non-fictie te schrijven als zogeheten ‘genre’, maar wel een boek dat letterlijk ‘niet fictief’, kortom ‘géén fictie’ was, zoals ik dat op mijn manier in gedachten had. Het resultaat was echter dat ik daarmee op de staart had getrapt van de tijgers die het heiligdom ‘non-fictie’ bewaken. Ik wist niet eens dat die bestonden en ik had nooit gedacht dat voor non-fictie specifieke regels golden. Aanvankelijk was ik dan ook volkomen verbluft.
Wat het ook moge zijn, als je je waagt aan iets buiten je eigen specialiteit, zul je van de specialisten ter zake zelden goedkeurende blikken krijgen. Zoals witte bloedcellen lichaamsvreemde stoffen willen afstoten, willen zij je de toegang weigeren. Als je toch koppig en onverschrokken doorzet, word je gaandeweg oogluikend aanvaard, zo van: ‘Nou ja, niets aan te doen dan.’ Alsof ze je een plaats aan tafel gunnen. Maar die flinke wind van voren krijg je in het begin hoe dan ook. En hoe enger, hoe gespecialiseerder en hoe gezaghebbender ‘de branche’ in kwestie, hoe sterker de trots en de kliekgeest er blijken en hoe groter ook de weerstand die je ondervindt.

[...]

© 2015 Haruki Murakami
© 2019 Nederlandse vertaling Luk Van Haute

MINDBOOKSATH : athenaeum