Leesfragment: Thuis

10 juni 2019 , door Pieter Hoexum
|

13 juni verschijnt Thuis van Pieter Hoexum. Lees bij ons alvast een fragment!

Pieter Hoexum ging op zoek naar een antwoord op de vraag: Wat is thuis? Hij werd daarbij aan het denken gezet door een uitspraak van Wittgenstein: ‘De aspecten van de dingen die voor ons het belangrijkste zijn blijven voor ons door hun eenvoud en alledaagsheid verborgen.’ Hoexum gaat niet alleen te rade bij Wittgenstein, Heidegger, Bachelard en andere filosofen: hij dwaalt, tast de ruimte af, en merkt hoe een vreemd huis langzaam in zijn lichaam kruipt. Zo lukt het hem soms een glimp op te vangen van wat ‘thuis’ nou echt is. Thuis is een aanstekelijke verkenning van het onzichtbare alledaagse, waarin dichters, architecten en filosofen de schrijver gidsen maar even vaak op een dwaalspoor brengen: thuis is een begrip dat zich niet eenvoudig laat vastleggen.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Kleine filosofie van het rijtjeshuis; Maarten Asscher schreef over het boek.

 

Vertrekpunt – bij wijze van inleiding

‘Je hebt thuis genoeg te doen, loop niet weg,’ merkt Michel de Montaigne op in een van zijn essays. Die opmerking was de aanleiding voor het schrijven van mijn boek Kleine filosofie van het rijtjeshuis. Nieuwsgierig geworden naar het (t)huis van Montaigne bezocht ik zijn kasteel bij Bordeaux; het was prachtig, maar er ontstond ook iets van ergernis: Montaigne had makkelijk praten, als ik zo’n kasteel op het Franse platteland had, zou ik ook zeggen dat je beter thuis kan blijven... Mijn thuis was, en is, echter, zoals de meeste huizen in het huidige Nederland, een rijtjeshuis in een buitenwijk van een provincieplaats.

Eenmaal weer terug in ons rijtjeshuis bedacht ik dat daar eigenlijk ook niets mis mee is, integendeel. Mijn Kleine filosofie van het rijtjeshuis werd een soort verdediging, ‘apologie’, van deze woonvorm. Achteraf zag ik pas goed dat het boek eerder gaat over de verschijnselen rijtjeshuis en buitenwijk, dan over thuis. Daar was ik niet ontevreden over, maar ik was duidelijk nog niet uitgedacht en uitgeschreven over thuis. Meteen ontstond een plan voor een nieuw boek, een boek over thuis. Het mooie zou daarbij voor mij zijn dat ook dit onderwerp zich bevindt op het snijvlak van twee van mijn voornaamste interessegebieden, namelijk filosofie en architectuur.
Naast de aanbeveling van Montaigne toch vooral thuis te blij10 ven, was ook een opmerking van de filosoof Ludwig Wittgenstein een uitgangspunt. In zijn Filosofische onderzoekingen schrijft Wittgenstein:

De aspecten van de dingen die voor ons het meest belangrijk zijn blijven ons door hun eenvoud en alledaagsheid verborgen. (Je merkt het niet op, – omdat je het altijd voor ogen hebt.)

Het was René Gude die mij op het spoor zette van die gedachte van Wittgenstein. Meteen nadat ik in februari 2014 de definitieve versie van het boek over rijtjeshuizen bij mijn uitgever had ingeleverd, las ik in dagblad Trouw een essay van René, dat hij had geschreven in de hoedanigheid van ‘Denker des Vaderlands’. René betoogde daarin dat je als je je blik wilt verruimen niet op reis hoeft te gaan, maar beter thuis kunt blijven:

Ik zou reizen nooit afraden, maar word je er ruimdenkend van? Neen. Ruimdenkend, al te ruimdenkend, word je pas goed als je stilzit zonder afleiding en je gedachten met je op de loop gaan. Als je stil blijft zitten hoef je je ogen niet eens te sluiten om de dingen die pal voor je neus staan niet meer te zien. De dingen zijn, om met Wittgenstein te spreken, door hun alledaagsheid verborgen: je ziet ze niet omdat je ze voortdurend voor ogen hebt. Je geest kan vrijelijk dwalen en naar keuze nostalgisch verwijlen bij dingen die er niet meer zijn, of hoopvol bij zaken die er nog niet zijn, of speels bij gebeurtenissen die zich nooit zullen voordoen.

René kende ik als hoofdredacteur van Filosofie Magazine, waar ik sinds het eind van de jaren negentig regelmatig voor schreef. Maar nadat hij in 2002 directeur van de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden was geworden, verwaterde het contact. Via via hoorde ik hoe hij in 2007 door een botbreuk in zijn been in het ziekenhuis belandde, en vervolgens tot overmaat van ramp botkanker bleek te hebben. Van grote afstand probeerde ik een beetje met hem mee te leven, zeker toen in 2011 het been geamputeerd moest worden en langzamerhand duidelijk werd dat de ziekte niet te genezen was. Ik bleef mezelf wijsmaken dat René genoeg aan zichzelf en de zijnen had en geen behoefte had aan pottenkijkers, tot ik na lezing van dat stuk over reizen toch al mijn moed bij elkaar raapte en contact met hem opnam. Ik mailde René dat dat stuk over reizen en enkele andere stukken van hem mij zeer geïnspireerd hadden en dat ik het er graag eens met hem over wilde hebben... en ik vroeg ook meteen maar of hij zich nog in staat achtte bij de presentatie van het boek aanwezig te zijn om het eerste exemplaar in ontvangst te nemen. Met zijn kenmerkende, onverwoestbare enthousiasme zegde hij meteen toe in een e-mail.
Enkele dagen nadat ik hem de proefdruk van het boek had opgestuurd, stuurde René een nog geestdriftiger e-mail: ‘Weet je al hoe laat ’t zal zijn? Ik kan makkelijk anderhalf à twee uur over je boek praten. Of wil je liever iets korter? Langer? Laat maar ff weten, René.’ Maar in de weken en dagen vóór de presentatie verslechterde zijn toch al broze gesteldheid zo ver, dat hij daags voor de presentatie nog moest afzeggen. Ik maakte wel meteen de afspraak dat ik dan maar als Mohammed naar de berg zou komen om het eerste exemplaar persoonlijk bij hem langs te brengen.
Met lood in mijn schoenen ging ik naar zijn woonboot op het IJ. Helemaal opgebeurd kwam ik ervandaan. We hadden een gesprek zoals je dat alleen met René kon hebben: van de hak op de tak springend, van flauwiteiten naar technisch-filosofische kwesties en van uitbundig lachen tot ingeslikte tranen. Niemand kon zo vanzelfsprekend ernst en humor afwisselen en zelfs vermengen, alsof ze geen tegenstelling vormen maar een tweespan. ‘We lachen en huilen om hetzelfde’, zoals Montaigne zo mooi schreef. In dezelfde periode, voorjaar 2014, zag ik de oproep van het Nederlands Letterenfonds. Schrijvers, dichters en vertalers konden – en kunnen nog steeds – een aanvraag doen om een maand te verblijven en te werken in het Adriaan Roland Holsthuis te Bergen (Noord-Holland). Dat gaat zo: je dient de aanvraag in bij het Bert Schierbeekfonds, een onderdeel van het Letterenfonds. Het Bert Schierbeekfonds huurt op zijn beurt het huis van het Roland Holstfonds, dat sinds de dood van de dichter in 1976 de huiseigenaar is. Het Roland Holstfonds is in 1958 door Roland Holst zelf opgericht, ter ere van zijn zeventigste verjaardag, toen hij, een beetje voorbarig dus, zijn einde voelde naderen en wilde dat na zijn dood zijn goede werken voortgezet konden worden. Roland Holst was namelijk bijzonder gul en hulpvaardig, net als zijn vader, die als mecenas diverse kunstenaars steunde en die zijn zoon in 1910, toen die ongeschikt was gebleken voor het zakenleven maar wel aanleg bleek te hebben voor poëzie, een jaargeld gunde. Zodra het Adriaan zelf financieel voor wind ging, ondersteunde hij, later dus via het Roland Holstfonds, kunstenaars in Bergen en omgeving die het nodig hadden.
Senior had Roland Holst junior ook onderdak geboden. Eerst woonde hij in een huisje in de tuin van het ouderlijk huis in het Gooi. Later wilde Roland Holst zich liever vestigen in Bergen, een dorp dat hij had leren kennen tijdens een kuur aan de kust, waar hij herstelde van een zware operatie. Bergen ademde dezelfde artistieke en vrijzinnige sfeer als de dorpen in het Gooi, en lag bovendien bij de duinen en vlak bij de zee, die beide voor de dichter onmisbare inspiratiebronnen bleken. Vader Roland Holst kocht een stuk grond aan de rand van het dorp en liet daar een huis bouwen voor zijn zoon. In de zomer van 1921 trok Roland Holst junior daar in.

In zijn nieuwe huis ontving hij vele, vaak literaire gasten, die regelmatig bleven logeren en als hij langere tijd in het buitenland was, mocht bijvoorbeeld de dichter Slauerhoff (‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’) er overwinteren. Roland Holst ontving er trouwens ook een onafzienbare reeks minnaressen. Een van die vriendinnen was zijn buurvrouw Didia de Boer. Toen zij in de jaren zestig door een echtscheiding min of meer thuisloos werd, bood Roland Holst haar onderdak aan. Het wonen in zijn eigen huis was voor hem vanwege psychische aandoeningen inmiddels onmogelijk geworden. Hij vreesde zelfs Bergen te moeten verlaten, maar vond uiteindelijk onderdak in een serviceflat in Bergen, waar hij dus in 1976 stierf. Didia mocht, levenslang, in zijn huis aan de Nesdijk blijven wonen, als hij maar op bezoek mocht komen en zij niet al te veel aan het huis veranderde. Zij overleed in 2001, waarna het huis in handen van de Stichting A. Roland Holstfonds, de belangrijkste erfgenaam, kwam. Die besloot het huis op te knappen en te moderniseren. Sinds 2002 wordt het als schrijvershuis verhuurd. Roland Holst had zijn huis als het ware ter beschikking gesteld aan de literatuur.
Het huis heeft dus een intense geschiedenis achter de rug. Het doet denken aan een palimpsest, een hergebruikt stuk perkament; in de Middeleeuwen werd het kostbare perkament vaak afgeschraapt om opnieuw beschreven te kunnen worden, en soms daarna nog een keer – met moderne technologie zijn de weggeschraapte lagen soms nog zichtbaar te maken. De woongeschiedenis van het Roland Holsthuis is in zekere zin drie-, maar misschien wel vierledig. Tegenwoordig is het een ‘schrijvershuis’, waar al meer dan een decennium vele schrijvers, dichters en vertalers logeren en werken; daarvoor bewoonde Didia de Boer het en daarvoor was het natuurlijk bovenal het huis waar Roland Holst woonde en werkte. En waar hij vele gasten ontving, zodat je, als vierde in de reeks, het Roland Holsthuis zou kunnen omschrijven als een soort nationaal logeeradres voor dolende dichters en denkers.
Deze rijke geschiedenis van het Roland Holsthuis maakte mij wel enigszins beducht, een groter contrast dan tussen dit deftige schrijvershuis in een kunstenaarsdorp en mijn alledaagse rijtjeshuis in een nieuwbouwwijk leek me nauwelijks denkbaar. Maar een verblijf in dit ‘heilige huisje’ leek me een uitgelezen kans na te denken over thuis. Zou ik me in dat voor mij vreemde huis thuis kunnen voelen? En wat zegt dat over thuis – wat is thuis?

In totaal mocht ik vier keer een maand in het huis verblijven: februari 2015, maart 2016, april 2017, en ten slotte oktober 2018. Ik heb in verschillende notitieboeken eenvoudigweg zoveel mogelijk concrete ervaringen verzameld en daar wat bedenkingen bij geschreven. Ik was daarbij niet al te beginselvast, in die zin dat ik graag afdwaal. Een van de zaken die ik tijdens het werken aan het boek ontdekte, misschien wel het voornaamste, is dat je om een huis (gebouw, omgeving) te leren kennen je die het beste onsystematisch kunt verkennen. Om ergens thuis te geraken, moet je niet recht op je doel afgaan, maar dwaalwegen bewandelen. Dat heb ik gedaan terwijl ik in het Roland Holsthuis verbleef. En hoewel het huis er een prominente rol in speelt, is dit boek geen complete of representatieve rondleiding door het Roland Holsthuis. Ik gebruik het om verslag te kunnen doen van mijn dooltochten, mijn filosofische verkenningen.


Als vertrekpunt neem ik telkens een element van het Roland Holsthuis of zijn omgeving. Dat kunnen concrete elementen van het huis zijn, zoals de sleutel, de deur, het dak, de trap, de logeerkamer of de eethoek, maar ook zaken uit de omgeving, zoals de uitzichtpunten in de duinen verderop, en concrete ervaringen die ik opdeed in of onderweg van en naar het Roland Holsthuis. Deze onderwerpen heb ik niet van tevoren bepaald, ik heb ze genomen zoals ze zich aandienden. ‘Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil,’ schrijft Cees Nooteboom. Zo ‘willekeurig’ heb ik door en om het huis gedwaald: telkens stilstaand bij wat mijn aandacht trok. In het Engels had ik mooi to dwell upon kunnen schrijven in plaats van ‘stil blijven staan bij’, daarbij profiterend van het feit dat ‘to dwell’ ook de betekenis heeft van verblijven en wonen.

 

Dak

De heg in de voortuin was zo hoog dat het Roland Holsthuis vanaf de Nesdijk, waarover ik reikhalzend kwam aanlopen, nauwelijks te zien was; alleen het hoge rietgedekte dak stak er zichtbaar boven uit. Toen ik het ijzeren tuinhekje opende – wat lastig ging – en over het tegelpad naar het huis liep, zag ik pas goed hoe groot het dak is in verhouding tot het huis. Een grote theemuts op een kleine theepot.
In het gastenboek van het Roland Holsthuis, waar ik die eerste middag uitgebreid in grasduinde, wordt over dat dak gesproken als een ‘waterhoofd’ en een ‘helm’. Maar omdat het geheel toch enige elegantie niet ontzegd kan worden, deed het mij eerder denken aan zo’n klokhoedje dat filmsterren uit de jaren twintig op foto’s altijd dragen, wellicht ook omdat het huis uit dezelfde periode stamt. Hoe dan ook, alleen al vanwege dat dak was de eerste indruk van het Roland Holsthuis bijzonder gunstig. Of het een thuis voor mij zal kunnen zijn, viel nog te bezien, maar het huis bood zeker onderdak.

Ik kan me niet herinneren ooit onder de blote hemel te hebben geslapen. Bij de padvinders maakten we tijdens trektochten soms van een grondzeil een heel eenvoudig onderkomen: je legt het zeil op de grond, vouwt het halverwege om en spant de bovenste helft een beetje omhoog naar een paar bomen of zo, zodat een ‘shelter’ ontstaat die weliswaar naar drie kanten open is, maar die je toch in één klap zowel een droge plek om op te slapen als een dak boven het hoofd biedt. Ik zou waarschijnlijk niet eens onder de blote hemel kúnnen slapen, zelfs thuis in mijn eigen bed slaap ik nog met mijn hoofd grotendeels onder de deken, of als het warm is onder een laken.


Een huis is een tent, een scherm. Het beschermt de bewoner niet alleen tegen regen, wind en ander ongerief, maar voorziet ook in meer immateriële behoeften, in een oerbehoefte, of: kinderlijke behoefte (wat wellicht hetzelfde is), namelijk de behoefte toegedekt te worden, en daarmee gerustgesteld en bemoedigd.

Het mooiste van het Roland Holsthuis is misschien wel dat het Noordzeestrand op fietsafstand ligt. Bij het huis staat gelukkig een schuurtje met daarin een fiets waar de logé gebruik van mag maken. De eerste maand was ik elke dag wel even op het strand te vinden. Het is telkens weer een feest: dat uitzicht, die weidsheid, die ruimte... ‘Feest’ is eigenlijk niet het goede woord, je staat niet alleen te genieten, maar ook te huiveren. Wat dat betreft heeft het strand wel iets van het hooggebergte: het is huiveringwekkend mooi. Op het Noordzeestrand moest ik Johannes Linschoten gelijk geven: ‘De ruimte is voor ons te groot, wij gaan erin verloren. Daarom grenzen wij een gedeelte af om daar thuis te zijn...’ schreef deze psycholoog en filosoof eind jaren vijftig, in zijn beschouwing ‘Wat is wonen’. Een huis staat niet in de ruimte, maar tegenover de ruimte. Tegenover de onmetelijke, lege ruimte stellen we met het oprichten van een scherm een kleine daad: we maken een plek, een woonplek. Een bewaarplaats waar we onszelf altijd weer kunnen vinden.

De maand februari bleek in Bergen en Bergen aan Zee een uitermate heerlijk rustige maand. De meeste tijd wemelt het er van de toeristen. Maar nu was ik vaak de enige op het strand. Ik waande mij een figuur uit een schilderij van Caspar David Friedrich, met name Der Mönch am Meer.
Er is iets geheimzinnigs, iets dubbelzinnigs met de figuren van Friedrich, die je meestal op de rug ziet. Je weet niet of ze zich verloren voelen in de onbevattelijk grote ruimte die zich voor hen uitstrekt, of dat ze zich juist opgenomen voelen in een grandioos geheel, in de natuur. Roland Holst, en vele anderen met hem, kwam naar Bergen om dat laatste te ervaren. Ik neigde, zeker in het begin, sterk naar het eerste. Maar tegen het einde van die eerste maand begon ik al oog te krijgen voor de andere kant.
Je kunt zeggen dat het Roland Holsthuis aan de rand van het dorp Bergen staat en dat het dorp aan de rand van het land (van de wereld!) ligt, maar evengoed dat het dorp heerlijk beschut en geborgen achter de duinen, de ‘bergen’, ligt en het huis midden in het landschap.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum