Leesfragment: Uit het leven van een hond

17 februari 2019 , door Sander Kollaard
|

22 februari wordt de nieuwe roman van Sander Kollaard, Uit het leven van een hond, gepresenteerd bij Athenaeum Boekhandel & Nieuwscentrum. Vandaag publiceren we voor!

Deze roman beschrijft een zaterdag uit het leven van Henk van Doorn, 57, IC-verpleegkundige, alleenstaand. Hij wordt wakker, ontbijt, laat de hond uit, doet boodschappen, bezoekt een oud-collega enzovoort. Een doodgewone zaterdag? Nee, toch niet. Henks hond blijkt ziek. Het dier zal sterven, niet vandaag of morgen, maar binnen afzienbare tijd. Dat gegeven gaat als een sleepnet over de bodem van de dag en haalt het gebruikelijke verdriet naar de oppervlakte: dat de tijd maar één richting kent; dat we zo kwetsbaar zijn; dat we zo eenzaam zijn, hoeveel liefde we ook vinden. Toch is Uit het leven van een hond beslist geen verdrietig boek. Henk heeft het grote talent om uit een acuut besef van sterfelijkheid een krachtig carpe diem te putten: leef het leven ten volle. Aan het eind van de dag zien we Henk, in helderziende dronkenschap, met zijn hond op de bank. Wat was dit voor een dag? vraagt hij zich af. Een reinigende ervaring? Een catharsis? Nee, het was simpelweg een dag, tijd die voorbijging, het leven dat zijn gang ging.

N.B. We publiceerden eerder voor uit Stadium IV.

 

Het hart klopt, denkt Henk van Doorn als hij wakker wordt, en het bloed stroomt. Goedbeschouwd is dat het verstandigste wat je erover kunt zeggen.
Het is een merkwaardige gedachte en een onwaarschijnlijk begin van de dag, van zijn herwonnen bewustzijn, maar het doet in elk geval wat een begin behoort te doen: het suggereert een vervolg. Met die eerste gedachte dienen zich nieuwe gegevens aan: de ruimte waarin hij zich bevindt (zijn slaapkamer), de tijd (ergens tussen acht en negen) en van het weer (zonnig). Van harte gaat het niet. De nieuwe gegevens komen aansjokken als pubers die net wakker zijn en met zure, stuurse gezichten aan de ontbijttafel gaan zitten, beledigd dat hun weer een nieuwe dag in de maag is gesplitst. Henk slaat de nieuwe gegevens van enige afstand gade, nog loom en zwaar op de matras: dat het zaterdag is; dat Schurk gisteravond niet helemaal lekker leek en misschien iets verkeerds heeft gegeten; dat hij later vandaag zijn jarige nichtje Rosa moet bellen. De hoeveelheid informatie groeit en daarmee zijn bewustzijn en de man die hij is. Henk van Doorn, IC-verpleegkundige, 56 jaar oud.
Als hij op de klok kijkt, ontdekt hij dat informatie niet altijd betrouwbaar is. Het is nog maar een paar minuten over zes. Dat roept de vraag op of hij zich zal omdraaien en de ogen sluiten en zo de inmiddels verzamelde informatie zal lozen in nieuwe slaap. Het is een verleidelijke gedachte, maar het is te laat. Er is al een kritieke massa bereikt en intussen komt van alle kanten nieuwe informatie opgezet, opgewekter nu, niet zoals die pubers maar meer zoals de pinken die hij een paar dagen geleden in de wei zag en die hem en Schurk langs het hek volgden, opgewonden, baldadig, totdat hij een stap in hun richting zette, boe, en ze collectief achteruitstapten om hem vervolgens van een paar meter afstand aan te staren in een halve cirkel van natte neuzen en dromerige ogen – ongeveer zoals de gegevens over wie en wat hij is hem nu aanstaren, die nog altijd bewegingsloze man in bed.
Het hart klopt, hoort hij opnieuw, en het bloed stroomt. Hij realiseert zich dat de gedachte een restant is van het gesprek dat hij gisteravond voerde aan het eind van zijn dienst, met een nieuwe collega, een jonge vrouw van wie hij de naam alweer kwijt is. Ze hadden het over de betekenissen die aan het hart worden toegedicht: dat het geheimen verbergt; dat je het kunt vasthouden; dat het kan overlopen van liefde, maar in sommige gevallen angstaanjagend kil blijft. Allemaal onzin, had de vrouw gezegd, op een besliste toon die hij niet sympathiek vond. Onzin. Het hart is een pomp. Het klopt, het bloed stroomt, dat is alles.
Nu komt hij in beweging. Hij draait zich op zijn rug en rekt zich uit. Het zonlicht stroomt binnen en maakt uitbundig duidelijk dat het zomer is. Juli om precies te zijn. De hondsdagen. Het is al dagenlang benauwend warm; het groen hangt verlept aan bomen die stilletjes langs de straat staan, suf van hitte; de straten en winkels maken een verlaten indruk omdat de mensen op vakantie zijn. Henk is niet op vakantie omdat er niemand is om mee op vakantie te gaan en hij het verdomt om met een groep singles naar het klassieke Griekenland, het gastvrije Gambia of het mysterieuze Antarctica te reizen zoals zijn broer hem heeft aangeraden. Dan nog liever dood. Jezus Christus, denkt hij, boos opeens, wat is dat toch met Freek? Waarom denkt hij dat ik een probleem heb? En dat er iets aan gedaan moet worden? Zijn harige vuisten ballen zich op het dekbed al heeft hij dat niet door en in gedachten vervloekt hij Freek zoals hij dat al vaker heeft gedaan: zijn jongere broer is een bange man die niet bestand is tegen afwijkingen van de gebruikelijke orde. Van zijn orde. Henk is niet van zijn orde. Henk is gescheiden: fout. Henk is alleenstaand: fout. Henk gaat niet op vakantie: fout. En zo kan hij doorgaan. Geen beleggingen: fout. Geen Audi: fout. Geen koophuis: fout. Niet drie keer in de week naar de sportschool: fout. Zijn vuisten imiteren de bewegingen van het hart en pompen zijn woede rond, als zwart bloed, zodat hij wordt vergiftigd – zijn liefde voor het leven, zijn vitaliteit. Hij roept zichzelf tot de orde. Woede is slecht voor hem. Het maakt hem bitter en onaantrekkelijk. Het maakt hem ouder. Het zou hem bovendien niet verbazen als hij ervan aankwam en dat is beslist niet de bedoeling. Saskia: zo heet zijn nieuwe collega. Ze is tenger en geblondeerd en heeft felle ogen en Henk weet hoe ze hem ziet: als een oude man, vermoeid, te dik en niet meer helemaal up-to-date. Oude garde. Op weg naar de uitgang. Omgekeerd heeft zij niet door hoe hij haar ziet. Jonge garde. Meer kennis dan ervaring. Meer energie dan verstand, ongeveer zoals die pinken. Hun gesprek gisteravond kwam op gang in de intieme, beschouwelijke sfeer die soms aan het eind van een avonddienst ontstaat, vooral als er niemand onder hun toezicht is gestorven. Mogelijk sterven de stakkers alsnog in de volgende dienst, of een daaropvolgende, maar vooralsnog leven ze. Ze hebben hun werk naar behoren gedaan. Ze zaten in de verpleegpost en dronken koffie en praatten over het hart. Het is een wonderbaarlijk orgaan, zei hij. Het verbeeldt onze diepste gevoelens. Onzin, zei Saskia. Allemaal flauwe sentimenten.

 

© Copyright 2019 Sander Kollaard

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum