Leesfragment: Vallen is als vliegen

18 maart 2019 , door Manon Uphoff
|

19 maart verschijnt Vallen is als vliegen van Manon Uphoff. Lees bij ons alvast een fragment!

Wanneer haar zestien jaar oudere zus, uitgehongerd en uitgedroogd, van de trap valt en sterft, doet dat als een vonk de woede van de schrijfster ontbranden. De dood van Henne Vuur, ooit haar ‘schaduwmoeder’, dwingt haar een gruwelijk en angstwekkend verleden onder ogen te zien.

Als een aanklager en chroniqueur tekent ze dat verleden op in een boek vol verhalen: over vader Holbein, die ontwerper, tovenaar, wetenschapper, gesjeesd seminarist en god was van een persoonlijke, labyrintische wereld; over Libby en Toddiewoddie, haar andere zussen, met wie ze als heksen wraak kan nemen in hun eigen Walpurgisnacht en kan lachen tot de verlossing volgt; over hun leven vol verpletterende indrukken, lichamelijke onbegrensdheid, misbruik, geweld, schoonheid en pijn.

Vallen is als vliegen is een in de werkelijkheid gewortelde roman over het almaar groter wordende, pijnlijke verleden. Als geen ander weet Manon Uphoff de zoektocht naar liefde, naar een identiteit, hard en tegelijk poëtisch, met kracht en met humor neer te zetten.

N.B. Op Athenaeum.nl publiceerden we ook voor uit De zoetheid van geweld - en we bespraken de bundel.

 

Henne Vuur

Op 13 november van het jaar 2015 viel Henne Vuur van de trap en stierf, enkele uren vóór een groep uitgaande jongeren in de Bataclan te Parijs voorgoed weerhouden werd van verdere onschuldige uitstapjes.
Henne Vuur was mijn zus. Mijn moeders eerstgeborene.
Ze lag onderaan de trap en weigerde de ambulance. Ondanks aandringen van arts en ambulancemedewerkers om zich te laten opnemen in het ziekenhuis, aangezien ze ernstig ondervoed was en uitgedroogd.
Ik had haar in geen jaren bezocht en wist niet eens wat haar adres was. In mijn leven was ze weinig meer dan een terugkerend moment van bespotting op onze jaarlijkse Familiedag van de Doden. Moest je ze nou eens zien: die moeder, altijd en eeuwig met haar volwassen zoon in zijn hakke-hakke-puf-puf-invalidenwagentje. Deed het niet denken aan Psycho? Wat een bizar en ongelooflijk paar!
Henne Vuur was negenenzestig jaar oud toen ze viel. Geen piepkuiken, en niet bepaald, om met de woorden van mijn vader te spreken (die toen al veertien jaar dood was), ‘in de wieg gesmoord’. Sinds de eeuwwende leidde ze een schaduwbestaan in haar tweekamernieuwbouwhuisje met cementsluier. Een seniorenwoning aan de rand van Nieuwegein, ooit opgezet als droomplek. Een geweldloos, pijnloos suburbia, met gras zo groen als in Blue Velvet, waar onze moeder halverwege de jaren zeventig (met ons) haar toevlucht had gezocht.
Toen ik Henne zag na haar onfortuinlijke buiteling leek ze op een vogel, haar neus benig omhoog, haar handen als klauwtjes. Ze droeg een groene jurk.
Mijn zus, ik haast mezelf dit te zeggen, vertegenwoordigde geen economische waarde en droeg al jaren niet meer bij aan de staatshuishouding. Haar erfenis bestond uit een bankrekening met een paar honderd euro, wat (dans)kleren, porseleinen beeldjes, een handvol meubels, en een asbak met peuken van Pall Mall en Belinda. Het huis was in één ochtend leeg. Zelfs de ruimte die ze fysiek innam was tot een minimum teruggebracht.
In mijn jeugd was Henne Vuur (zestien jaar mijn senior) een vanzelfsprekend symbool van vrouwelijkheid geweest. Een ekster, dol op glitter, met getoupeerd haar, versierd met sjaaltjes. Samen met haar zus Toddie (één jaar haar junior) en onze moeder vormde ze een bastion: The Holy Trinity of Smoke. Kwamen wij, de jongste kinderen, uit school, dan zagen we hen in hun paleis van nicotine, terwijl het in de achterkamer krioelde van hun kinderen, onze neefjes en nichtjes. Op schooldagen op het Schimmelplein in Utrecht bleven mijn broertje Kaj en ik ‘over’ bij Henne. Ze maakte lammetjespap voor ons. ‘Wil je een appel, poef, daar gaat-ie.’
’s Zomers smeerde ze in haar bikini ons brood. Daarna strekte ze zich uit in een oranje canvas klapstoel die net paste op het plaatsje dat naar schimmel en mos rook, en was het alsof ze uit Napels naar dit klamme land was verbannen.
Ik weet vrijwel zeker dat Henne in haar jeugd nooit werd gezien als meer dan er-leuk-uitziend, net als Toddiewoddie. In zekere zin waren ze door mijn op straat gegooide moeder in haar nieuwe huwelijk ingebracht als twee stukjes fruit. Toen mijn ouders eind jaren vijftig met elkaar trouwden, was Henne vijf, Toddiewoddie vier. Mijn vader, HEHH, Henri Elias Henrikus Holbein, amateur-beeldend kunstenaar, gesjeesd seminarist, gelovige en (ex-)gevangene, werd hun stiefvader, jaren voor hij ons, de jongsten en nakomertjes, zou verwekken en zich via avondstudies zou opwerken tot wiskundige, wetenschapper, statisticus; tot een gerespecteerd burger en pater familias met een uitstekende baan.
Hij was tevens een getroebleerde, diep beschadigde man (ik kan en durf dat nu te zeggen) met driftaanvallen, die een ongepaste uitweg zocht voor al zijn emoties en verlangens, pijn en krenking bij zijn (stief)dochters.

Mijn vader groeide op in de crisisjaren, tijdens de grote depressie na de Eerste Wereldoorlog, in een familie die niet onwelwillend stond tegenover fascistische sympathieën en ideologieën. Hoewel er nooit een duidelijke keuze werd gemaakt, moet een imprint welke levens ertoe doen zijn achtergebleven in zijn denken. Hij was erg specifiek over vrouwen. Zij vertegenwoordigden lichamen, schoonheid en de veiligheid die hij zocht. HEHH miste een warme moeder, en was toegewijd aan Maria op een manier die ons tot wanhoop dreef. Zijn ogen glommen van sentiment als hij sprak over het mirakel: hoe ze zonder erfzonde ter wereld was gekomen, geboorte gaf aan Jezus en maagd was gebleven.
Wij, de kinderen in het huishouden, waren van hem. Hij kleedde ons, voedde ons, verdiende zijn geld voor ons, negeerde ons. Toen hij een hoge leeftijd had bereikt, werd hij door Henne vriendelijk verzorgd. Alles in overweging nemend stierf HEHH tamelijk vredig. Helemaal niet zoals Henne Vuur. Op het moment van zijn dood was zij even oud als ik nu. Gescheiden, maar haar zoon nog niet invalide. Mager, maar nog niet griezelig uitgemergeld. Een mooie vrouw, die haar haar verfde in het zwartste zwart. Bij gelegenheid was ze haar stem kwijt. Er waren weken dat ze amper geluid voortbracht, maar niemand miste haar stem, al waren we ook beroofd van haar lach, die ik me nu wel herinner. Voorovergebogen, haar handen op haar knieën, bracht ze een diep geluid voort. Hoe dan ook, ze was zorgzaam voor HEHH in zijn laatste jaren en was daar trots op. Ik neem aan dat ze hem waardigheid gunde.
Henne zou het niet op prijs stellen dat ik haar noem en dit schrijf.
‘Ik ben voor niemand bang,’ zei ze en sloot zichzelf op in haar woning. En, trots: ‘Ik heb altijd alles helemaal alleen gedaan.’

[...]

 

Copyright © 2019 Manon Uphoff

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum