Leesfragment: De achtste dag

05 oktober 2020 , door Annemarie Haverkamp
| |

Hoera! Annemarie Haverkamp wint na de Bronzen Uil 2019 ook de Anton Wachterprijs 2020 met haar roman De achtste dag! Lees nu een fragment.

In een verlaten grenslandschap aan een rivier woont timmerman Egbert met zijn gehandicapte zoon Adam, voor wie hij alleen de zorg draagt nadat zijn vrouw Emma is overleden. Wanneer Egbert hoort dat hij nog maar kort te leven heeft, moet hij noodgedwongen nadenken over de toekomst van zijn zoon. Adam is volledig van hem afhankelijk, en Egbert heeft zijn vrouw beloofd hem nooit alleen te laten. Als hij tegen beter weten in de opdracht aanneemt om een houten trap te maken, geeft hij zichzelf zeven dagen de tijd om een beslissing te nemen over hun lot.

 

Zaterdag

Hij staart omhoog in de donkere schacht. Traag en met kleine schokken ziet hij de lift op zich af komen. Negenendertig seconden duurt het voor de onderkant zijn vingertop zal raken. Precies negenendertig seconden.
Het nostalgische traliewerk van de kooi rinkelt door de abrupte onderbreking. De machine weet dat hij zijn reis naar beneden moet staken bij de minste weerstand. Egbert haalt zijn vinger weg. De lift blijft hangen waar hij is gestopt. Midden in de huiskamer, aan oersterke kabels. Vroeger, toen er nog weleens kinderen op bezoek kwamen, was het Egberts favoriete act: onder de lift staan en doen of hij zich liet verpletteren. Die ogen!
Emma lachte dan. Vanaf de eerste dag waren ze allebei verliefd geweest op de lift die uit het plafond kwam. Een onooglijk ding zoals je wel zag in zwart-witfilms of in hotels waar de melancholie nog in de gordijnen hing. In de kooi stonk het naar sigaren – de vorige bewoner liet de as gewoon liggen die hij vanuit zijn rolstoel op de traanplaten bodem tikte – maar wie had er nou een kooi in zijn huis waarmee hij langs drie verdiepingen kon zweven? Adam was nog te klein geweest om te snappen dat een lift in een smalle dijkwoning iets bijzonders was. Te stom, bovendien.
Egbert drukt op het bedieningspaneel aan de muur en stuurt de lift weer omhoog. Even langzaam als hij kwam, verdwijnt de kooi in de schacht. Op blote voeten loopt Egbert naar zijn bestelbus voor de deur, de wind laat zijn pyjamabroek fladderen. Hij rommelt in zijn gereedschapskist tot hij de rolmaat heeft gevonden. Zijn tenen tintelen van de kou als hij de voordeur weer dichttrekt en de trap omhoog neemt. Op de slaapkamer knipt hij het licht aan. Adam slaapt nog. Egbert kijkt naar hem. Zijn zwarte krullen op het kussen, de lange wimpers van zijn moeder. Zijn handen hebben elkaar gevonden en liggen ineengestrengeld naast zijn gezicht. Sinds haar dood slaapt hij met Adam in het grote bed. Egbert moet bij hem zijn als Adam ’s nachts om zich heen slaat, hyperventilerend van angst en gillend van de visioenen die voorbijtrekken aan ogen die niet kunnen zien.
Egbert koestert zijn afgekoelde lichaam aan het lijf van zijn zoon. Hij legt een arm om zijn middel. Adam wordt wakker, hij draait zich op zijn zij en kijkt in de richting van Egbert met zijn ijsblauwe ogen. De kleur is net zo abnormaal als het kind zelf. Adams gezicht breekt open. De nachten zijn voor hem een kwelling, maar zodra hij wakker wordt lijken alle herinneringen eraan uitgeveegd. Hij laat zich graag vasthouden. Spint erbij als een kat. Nu hij de baard in de keel krijgt, klinkt het meer als het ronken van een aggregaat. Wat ook iets van de laatste tijd is: de ochtenderectie van zijn zoon. Egbert voelt hem groeien tegen zijn been en duwt Adam van zich af. ‘Opstaan, vetklep.’
Eenvoudig is dat niet. Egbert loopt naar de andere kant van het bed waar hij de deken van Adam af gooit en hem omhoog sjort tot hij zit. Hij gaat zelf door zijn knieën zodat hij de lange smalle voeten van zijn zoon, die lijken op de achterpoten van een haas, op de vloer kan zetten. Daarna staan ze samen op, de mollige armen van Adam stevig om de nek van zijn vader geklemd. Egbert parkeert Adam even tegen de muur voor hij hem in zijn rolstoel laat zakken. Hij stapt op het uiteinde van de rolmaat en trekt het meetlint op tot aan Adams hals. Nog één keer controleren: 1,46 meter.
Egbert vouwt het dekbed dubbel, legt het dwars over het nog warme bed en duwt de rolstoel door het traliewerk. Ze nemen de lift naar beneden. Adam eet elke ochtend vier boterhammen. Geen wonder dat hij dik wordt. In zijn rolstoel beweegt hij nauwelijks. Na het ontbijt zit hij meestal voor de tv. Niet dat hij iets ziet, maar een beetje horen kan hij nog wel. Hij geniet van de kerkdiensten die Egbert voor hem opneemt. Nederland Zingt. Liefst met een mannenkoor, het volume voluit. Hij beweegt zijn bovenlijf mee en stoot klanken uit die je met veel fantasie geneurie zou kunnen noemen.

Maar vanochtend gaat de tv niet aan. Egbert wil zo snel mogelijk naar de doe-het-zelfzaak. Deze dag hoeft niet langer te duren dan strikt noodzakelijk. Hij pakt Adams winterjas van de kapstok en duwt de linkerarm van zijn zoon in de mouw, sjort tot de stof strak staat om de schouder, duwt de romp van Adam iets naar voren, vouwt de jas om zijn rug, knikt de rechterarm zo dat de hand in de tweede mouw schiet, hijst het jack in model en sluit de rits. Hij trekt een muts over Adams uitstaande oren. Zelf houdt hij het bij het gewatteerde houthakkershemd dat hij al aanheeft.
Over de dijk duwt hij Adam tegen de wind in. Zijn zoon ziet de grazende koeien niet, weet niet dat paardenvachten dampen in de koude lucht. Af en toe steekt de jongen een hand op. Dan moet Egbert die aanpakken en hem even tegen zijn gezicht houden. Dat vindt Adam fijn. Een teken dat zijn vader er is.
In de verte ziet Egbert een vrachtwagen aankomen. Hij rolt met zijn ogen. Niet vandaag! Zijn blik flitst van links naar rechts. Maar hij heeft hier vaak genoeg gelopen om te weten dat er voorlopig geen zijpaden komen die naar de uiterwaarden leiden. Er is maar één optie: de weg volgen naar daar waar de dreiging aan de horizon is verschenen. Egbert pakt Adam steviger vast en duwt de rolstoel met zijn andere hand voor zich uit langs het randje van het asfalt. Toch gaat het mis. Op het moment dat de zware wagen met oplegger afremt voor de bocht, voelt Adam trillingen in het asfalt. Hij begint te gillen. Hoog. Een panisch gekrijs. Het kind maait met zijn armen. De vrachtwagenchauffeur stuurt zijn wagen uiterst voorzichtig voorbij, meewarig kijkend naar het tafereel. Het gefluit van de remmen als de chauffeur wil stoppen. Egbert gebaart dat hij moet doorrijden. Vort, wegwezen! Met veel moeite kan hij het schuddende lijf van zijn zoon in bedwang houden. De wielen van de rolstoel zakken weg in de natte berm. Waarom moet dit juist nu gebeuren? Zo vaak komen ze op deze plek geen vrachtwagens tegen. Egbert voelt tranen. Het liefst zou hij zich laten gaan, onbedaarlijk huilen in de zachte, warme nek van zijn zoon die niks kan en nooit iets zal kunnen. Maar hij heeft zich lang geleden voorgenomen elk verdriet te verbergen voor Adam. De jongen verdient het niet. En Egbert is een man van zijn woord.

In de sterke armen van zijn vader komt Adam tot rust. De dijk is leeg tot waar Egbert kan kijken. Hij zet zijn zoon weer recht en helt de rolstoel naar achteren zodat de kleine zwenkwieltjes met een zuigend geluid loskomen uit de drassige grond. Egbert kijkt naar het gezicht van Adam. De kuiltjes in zijn wangen, die hem altijd iets aandoenlijks geven, staan strak. Geen lachje. Maar de paniek is weg en Egbert hervat de wandeling. Hij loopt gebogen over de rolstoel zodat hij in het oor van Adam kan zingen. Hij is geen bas of tenor, eerder een sopraan, al zou je gezien zijn postuur anders verwachten. ‘Daar zal ik mijn Heer ontmoeten, luist’ren naar zijn liefdestem. Daar geen rouw meer en geen tranen, in het nieuw Jeruzalem.’ Hij zingt zonder betekenis te geven aan de woorden. Het lievelingslied van Adam, Egbert kan het dromen omdat hij het eindeloos vaak heeft gehoord. Samenzang, Martinikerk te Franeker.

De bouwmarkt is een blokkendoos onder aan de dijk. Toen zijn eigen timmerbedrijf nog fl oreerde, kwam Egbert hier bijna dagelijks. Met hem is alle klandizie vertrokken, zo lijkt het. Soms als hij voorbijloopt, ziet hij in de zaak alleen Hendrik, de eigenaar die vanachter de toonbank door de lege winkelgangen tuurt.
Binnen is het warm. De radio staat aan. Egbert loopt naar het schap met tuingereedschap en geeft Adam een bezem zonder steel. De jongen aait de borstel in zijn schoot alsof het een huisdier is, drukt de stugge kokosharen plat en laat ze weer opveren tegen de palm van zijn hand. Of hij stopt zijn neus erin en snuift de geur van nieuw hout op.
Egbert laat hem staan en loopt naar de balie. ‘Hendrik. Heb je weer touw?’
‘Uiteraard. Donderdag voor je besteld, zoals je vroeg.’
Hij zet een leesbril in zijn haar en wijst naar een verre hoek van de winkel.
Langs verfblikken en boormachines loopt Egbert naar de gang met het gevlochten touw, laat 10,5 meter van de nieuwe rol lopen en zet een knip. Twee euro per meter. Met het touw wandelt hij terug naar de toonbank. Legt 21 euro neer.
‘In de tuin aan het werk?’
‘Het gaat stormen,’ zegt Egbert.
Hendrik wijst op een bericht in de krant voor hem op de toonbank en knikt instemmend. Hij draait zijn hoofd naar de jongen en vraagt hoe het gaat.
‘Zoals het gaat.’ Egbert legt nog een biljet van vijf op de balie zodat Adam zijn veger kan houden.
‘Tot gauw,’ zegt Hendrik. Egbert kijkt hem niet aan. Wat moet hij zeggen?

[...]

 

© Annemarie Haverkamp, 2019
© Lebowski Publishers, Amsterdam 2019

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum