Let op: in verband met de enorme drukte momenteel kan het zijn dat we je bestelling niet zo snel kunnen bezorgen als je van ons gewend bent. We doen onze uiterste best en hopen op je begrip.

Recensie: De dag dat ik mijn naam veranderde

02 september 2020 , door Bibi Dumon Tak
|

Deze week in De Groene Amsterdammer: Manon Uphoff over Bibi Dumon Taks roman De dag dat ik mijn naam veranderde. Lees op Athenaeum.nl een fragment!

Als haar zusje sterft komt Anna niet aan rouwen toe. Er moet een huis worden leeggeruimd, een testament worden uitgevoerd en er moet contact met de kinderen worden gezocht. Vooral dat laatste, want sinds de dag van Lize’s uitvaart zijn haar kinderen onbereikbaar geworden. De mensen die Anna zouden kunnen helpen durven niet in te grijpen.

De dag dat ik mijn naam veranderde is een boek over macht en onmacht, over liefde en dood, rouw en wraak, geworteld in een waargebeurde familiegeschiedenis.

 

1

Ik hoorde mijn naam noemen. Even dacht ik dat hij door een speaker kwam, maar toen ik opkeek zag ik een vrouw in de deuropening staan. Ze knikte me toe. Haar gezicht kan ik me niet herinneren, maar haar handdruk was als die van een klauw waarvan je weet dat hij niet meer los zal laten. Ze droeg een leren rok tot over de knieën, daarboven een blouse die tot op de laatste knoop gesloten was, waardoor de huid van haar hals net als bij een oorgier over de kraag heen viel. Ze was niet de assistent, maar de notaris zelf. Ik liep achter haar aan en nam plaats op een stoel die veel te laag was voor de tafel. Er stond een doos met tissues klaar, maar ik wist al dat ik die niet zou gebruiken. Ze herhaalde mijn naam nog eens. Namen veranderen niet. Ze blijven wat er ook gebeurt altijd hetzelfde. Hoeveel tijd er ook voorbijgaat. Twee minuten of honderd jaar, een naam is en blijft zoals hij ooit voor iemand is bedacht. Gezichten slijten, of verdwijnen helemaal, namen niet. Maar sommige gezichten zou je voor altijd, voor de rest van je levensdagen op je netvlies willen bewaren, zoals jouw gezicht, Lize. Jouw gezicht wil ik blijven zien. Jouw gezicht zodra ik mijn ogen open, jouw gezicht als beginscherm van iedere nieuwe dag die ik vanaf vandaag moet leven zonder jou.
De notaris nam het testament erbij en begon eruit voor te lezen. Ik moest me beheersen niet op mijn knieën op de stoel te gaan zitten om te voorkomen dat de woorden over mijn hoofd heen zouden waaien. Ik greep me aan de rand van de tafel vast toen de notaris aan een lange en ingewikkelde uitleg van het testament begon. Ze vertelde wat er van me werd verwacht en dat het veel tijd zou kosten om alles in dit complexe geval voor elkaar te krijgen. Je had ons moeten zien zitten, Lize, de oorgier op haar hoge leren troon en ik weggezonken in een kuil achter haar bureau.
Ze waarschuwde me voor de vele problemen die me te wachten stonden. Ik zou kunnen overwegen het bewind aan haar over te dragen, het zou wel wat kosten, maar er zou me ook veel bespaard blijven. Ik gedroeg me die ochtend in het kantoor van de oorgier niet als executeur-testamentair, maar als aas. Ik luisterde terwijl ik niet bewoog en probeerde uit alle macht te begrijpen wat ze nu werkelijk te zeggen had.
‘Het lijkt me verstandig wanneer we de ex-man van uw zuster niet uit het oog verliezen.’ Ik knikte haar vanuit mijn kuil toe. ‘Het draait hierbij uiteindelijk om minderjarige erfgenamen,’ vervolgde ze, ‘en de vader van die erfgenamen is verantwoordelijk voor hen. We kunnen hem daarom maar beter bij de afhandeling betrekken.’ De oorgier gebruikte geen namen, alleen functies. Maar misschien was dat gebruikelijk in deze bedrijfstak om vergissingen te voorkomen. Zij zou, stelde ze voor, de zaken met mijn ex-zwager kunnen afhandelen, ze had er zelfs al met hem over gesproken.
Vanuit mijn kuil begon ik te rekenen wanneer dat gesprek dan moest hebben plaatsgevonden. Er zaten drie dagen tussen de uitvaart en mijn bezoek aan dit kantoor. Twee dagen daarvan vielen in een weekend. Dat betekende dat hij, wiens naam ik niet zal noemen, en de oorgier op het eerst mogelijke moment na jouw dood, Lize, contact met elkaar hadden gezocht. Ze leken een plannetje te willen smeden om mij, samen met jouw testament, buitenspel te kunnen zetten.
De man wiens naam ik niet zal noemen – moge zijn ziel branden zolang de aarde draait – had bedongen dat de erfgenamen, jouw jongens, Lize, het huis waarin hun bed stond, waar hun speelgoed lag, en waar hun huisdier nog woonde, niet mochten betreden zolang ik, de executeur, daar aanwezig was. De oorgier wilde daarom, om de voortgang niet te belemmeren, de taken van mij overnemen. Ik, het kadaver in de kuil aan de overkant van haar bureau, zou haar jouw huissleutel moeten geven opdat zij samen met de man wiens naam ik niet zal noemen – moge de aarde openscheuren daar waar hij zijn voeten zet – jouw spullen zonder problemen aan de erfgenamen kon overdragen.
De oorgier was bijna begonnen mijn ogen eruit te pikken toen ik eindelijk de moed had mijn spullen bij elkaar te zoeken en te maken dat ik wegkwam uit haar kantoor.
‘Denk er maar over,’ had ze me bij het afscheid in de hal gezegd, ‘ik zal niet het volle tarief rekenen.’
Ik kon haar de hele week, behalve op woensdagen, bellen. Ik moest begrijpen dat hij ook pijn had. Hij, de man wiens naam ik niet zal noemen – moge de lucht die hij inademt bevolkt zijn met vliegjes – had ook pijn. Lize, hoorde je dat? Hoorde je dat de notaris dat zei? Of heb ik het verzonnen? Ze had die pijn door de telefoon gehoord in zijn stem. Ze wilde hem gauw, zonder dat ik daarbij was, uitnodigen bij haar op het kantoor om over jouw laatste wil te praten. En weet je hoe ze die wil van jou noemde? Ze noemde het wensen. Het waren maar wensen.
Eenmaal thuis las ik het testament opnieuw, met jouw stem in gedachten, Lize. Dat hielp mijn bloed weer te laten stromen. Ik stond als het ware op uit mijn kadaverschap.
Ik las daarna alles wat ik op het internet kon vinden over de taken die mij waren toevertrouwd. Ik zette vragen op papier. Vragen die ik niet de oorgier zou stellen, maar een onafhankelijke notaris.
De volgende ochtend al belde ik met de notaristelefoon. Ik werd doorverbonden met een jurist en begon aan mijn verhaal. Ik denk dat we elkaars namen op dat moment niet hadden verstaan, of misschien hebben we ze niet eens genoemd, maar toen ik aan het deel was begonnen waarin ik mijn twijfel uitte over de goede bedoelingen van de notaris die eerst jij en daarna ik had ingeschakeld zei de stem aan de andere kant van de lijn dat zij die notaris in kwestie was. Lize, ik zweer het, ik had de oorgier aan de lijn. Het was woensdag, haar vrije dag van kantoor.
Toen ik jouw huis die middag na het telefoontje met de oorgier weer binnenstapte verdwenen alle rechten en plichten die ik had naar de achtergrond. Op de mat achter de deur lag de poes te wachten, er stond een afwas, er slingerden nog gedragen kleren van de jongens rond die ik in de wasmachine stopte. Ik draaide een was, maar ik besloot de fleecedeken er niet bij te stoppen waaronder jij was doodgegaan. Jouw geur wilde ik zo lang mogelijk bewaren, Lize. Ik moest die dagen telkens keuzes maken terwijl ik dat eigenlijk nog niet kon. Iedere beslissing komt te vroeg. Ik was zo bang spijt te krijgen. Maar spijt krijg ik toch. Ik weet alleen niet wanneer en in welke mate. En ik hád al spijt. Zo’n spijt. Ik kon me niet voorstellen dat ik die ooit zou kwijtraken. Dus probeerde ik er niet aan te denken waardoor ik er juist steeds aan dacht.

[...]

 

© Bibi Dumon Tak, 2020

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum