Leesfragment: De luiaards in de vruchtbare vallei

24 mei 2020 , door Albert Cossery
| |

29 mei verschijnt bij Uitgeverij Jurgen Maas De luiaards in de vruchtbare vallei van Albert Cossery, uit het Frans vertaald en van een nawoord voorzien door Mirjam de Veth. Lees bij ons alvast een fragment.

Na de lovende ontvangst van Grote dieven kleine dieven hebben we ervoor gekozen om nu met een herziene heruitgave te komen van De luiaards in de vruchtbare vallei (in 1997 uitgegeven door Coppens & Frenks Uitgevers), door critici meestal genoemd als zijn beste werk.

Cossery’s personages beheersen in hoge mate de kunst van het nietsdoen en slaan het schouwtoneel van het dagelijks leven geamuseerd en afstandelijk gade. De slaap is een staat van genade, verder is er nutteloos bedrijf, nietsontziende wreedheid en hartverscheurende domheid. Wie verstandig is zal zich aan het gewoel onttrekken en zich onderdompelen in weldadige rust. In De luiaards in de vruchtbare vallei heeft Rafiek dat het best door, zijn nietsdoen is een bewuste keuze. ‘De menselijke domheid was onmetelijk. Waarom maakten ze zich toch zo druk, eeuwig prikkelbaar en ontevreden, terwijl de enige waarheid juist gelegen was in een onverschillige, passieve houding? Het was toch zo eenvoudig. Dat kon de eerste de beste bedelaar nog begrijpen!’

Albert Cossery (1913-2008) schreef in het Frans, maar dacht in het Arabisch. Hij heeft zichzelf altijd nadrukkelijk beschouwd als een Egyptisch schrijver. Hij heeft nooit een Frans paspoort willen aanvragen. Zijn stijl wordt gekenmerkt door de spanning tussen de compacte syntaxis en de rake adjectieven van de verhalende passages afgewisseld met levendige dialogen. Cossery is altijd zeer kritisch geweest op zijn eigen zinnen: ieder woord doet ertoe.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Grote dieven kleine dieven.

1

De jongen laadde zijn katapult en richtte heel lang, met ingehouden adem. Daarna loste hij zijn schot, met zijn hoofd naar achteren en open mond, zijn hele gezicht stralend van een vreemde opwinding. De steen suisde fluitend weg en verdween tussen de takken van de sycomoor. Toen vlogen alle vogels verschrikt piepend tegelijk op. Het schot was mis.
Siraag bleef roerloos staan in de berm naast het maïsveld. Hij stond al een tijdje naar de jongen te kijken. Het was een knaap van een jaar of tien, barstend van levensdrift, met enorm grote, uitpuilende ogen en een vroegrijpe boeventronie. Hij was in lompen gehuld en kwam zo te zien van erg ver, want over zijn hele lichaam droeg hij duidelijke sporen van avontuur. Siraag was gebiologeerd door zijn drieste optreden en ook door een zekere buitenissigheid die van zijn hele persoon afstraalde. Zijn gedrag was werkelijk verbijsterend; hij bewoog zich schokkerig als een opwindbaar stuk speelgoed. Zo nu en dan bukte hij om een steen op te rapen en kwam dan weer met een ruk overeind om opnieuw te schieten met zijn katapult. Hij schoot nu zonder te richten, loste het ene schot na het andere, alsof hij in paniek was. Siraag hoorde zijn gejaagde, hijgende ademhaling. Hij kon zijn ogen niet van hem afhouden en glimlachte daas bij dit buitensporige geweld dat te midden van de verlatenheid van de velden het aanzien kreeg van een beklemmende nachtmerrie.
Hoelang duurde dit al? Siraag herinnerde zich dat hij de jongen in het oog had gekregen en dat daarna alles plotseling veranderd was. Hij kon niet zeggen waaruit die verandering bestond: die hing overal in de lucht als een adembare angst.
Hij stak zijn handen diep in zijn broekzakken, kromde zijn schouders een beetje, alsof hij zich wilde beschermen tegen die blinde woede, en bleef toen opnieuw roerloos staan, gespitst op de geringste bewegingen van de jongen.
De sycomoor stond maar tien passen voor hem, aan een kant van het pad waar het bladerdak een onbestendige schaduw wierp. Het pad liep door de maïsvelden en kwam uit op de grote weg. Je zag maar een deel van de weg en aan de rand van die weg een geel geverfde villa met groene luiken, die afstak tegen het donkere azuur van de lucht. Soms reed er in volle vaart een bus voorbij, die een lange stofwolk achter zich opjoeg. Soms ook kwam er in loom tempo een ezelwagen langsgedrenteld en het duurde eindeloos lang voor die weer uit het zicht verdwenen was. Maar op dat moment was de weg uitgestorven.
De jongen zette zijn jacht nog steeds verbeten voort. Hij ging als een razende tekeer, koppig en vasthoudend, hij bedreigde de hele wereld met zijn katapult. Alles buiten zinderde van zijn razende, ingehouden woede. Hij ergerde zich aan zijn eigen onhandigheid en siste obscene vloeken tussen zijn opeengeklemde tanden. Zo nu en dan hield hij op en sloeg de paar vogels die in de takken van de sycomoor verscholen zaten wantrouwig gade. Daarna heropende hij zijn jacht met schrikwekkende energie. Hij zag kennelijk niets om zich heen en leek volkomen op te gaan in zijn koortsachtige opwinding.
Siraag voelde zich akelig alleen daar buiten samen met die vreselijke jongen met zijn katapult. Hij werd bekropen door een onrustig gevoel, aanzwellend tot paniek. Het liefst was hij weggevlucht om te ontsnappen aan de aanblik van die bezetenheid die hij vol afgrijzen en machteloosheid ervoer als een gevaar. Maar hij durfde niet te bewegen, zijn ledematen waren volkomen verlamd, zijn keel zat toegeknepen van angst. Een verbijsterende schrik sloot hem van alle kanten in, drukte als lood op zijn schouders, kwelde hem. Een eindeloze foltering was het. Bij iedere beweging, bij ieder gebaar van de jongen voelde hij een stekende pijn in zijn nek. Het leek of dit al eindeloos lang zo duurde. Hij boog zijn hoofd, beet onwillekeurig op zijn tong en spande al zijn spieren om niet overmand te worden door duizeligheid. Weldra sprongen de tranen in zijn ogen, en hij begon zachtjes te huilen zonder dat hij het zelf in de gaten had.
Met een buitensporige inspanning wendde hij zijn hoofd af en blikte wanhopig om zich heen. De hele natuur werd beheerst door een onverbiddelijke, vreemde eenzaamheid. Het was het onveranderlijke Egyptische platteland, met zijn akkers van maïs en suikerriet, verstard in een troosteloze apathie. Overal strekten de velden zich vlak en eentonig uit, zonder een enkel teken van leven. In de verte zag je door de lichte nevel dadelpalmen die zich aftekenden met hun dunne stammen en die met hun palmbladen wuifden als reusachtige waaiers. In de bevloeiingskanalen kabbelde loom het water met zilveren schitteringen. Plotseling wiekte er aan het eind van de horizon een vlucht kraaien op; ze bleven even in het luchtruim zweven en verspreidden zich daarna in de beweeglijke scheuren van het zwerk. Siraag keek in de richting van de weg. Eerst zag hij niets, daarna kwam er langzaam een vrouw in een zwarte jurk voorbij, een waterkruik op haar hoofd balancerend. Hij kon haar niet zo goed onderscheiden, maar ze bewoog in de verte als een levende stip die hem geruststelde.
De zon was nauwelijks zichtbaar achter de zware wolken die er voortdurend langs joegen. Het was een winters zonnetje, onnatuurlijk, stralend maar zonder warmte. Zo nu en dan vlaagde een koude wind over de uitgestrekte velden, die rimpelend door de hoge stengels van de maïsplanten streek. Dan was het of het hele platteland werd opgestuwd door een golf en daarna langzaam terugzonk, weer verviel tot droefgeestige troosteloosheid. Opnieuw keek Siraag naar de jongen. Nu kreeg hij een steek in zijn borst, hij voelde hoe zijn benen het begaven, alsof ze verlamd waren. De jongen zette zijn jacht voort met toegenomen razernij. Het had niets menselijks meer; het leek wel een duivelse kracht die in het wilde weg rondraasde. Siraag keek er ongelovig naar, zijn geest verdoofd van verbijstering. Hij werd overvallen door een dringende behoefte aan slaap. Maar hoe kon hij slapen bij deze absurde en verontrustende aanblik? Het meest angstaanjagende van deze uitzinnige razernij vond hij eigenlijk het mysterie dat er ogenschijnlijk achter school, het mysterie van een monsterlijke wereld vol mensen die gebukt gingen onder hun werk en die bezweken onder de inspanning. Daarover was geen vergissing mogelijk. In de waanzinnige opwinding van de jongen herkende Siraag alle kenmerken van een zwoegende, opgejaagde mensheid. Nog nooit was de wereld van de tot slavernij gedoemde mensen met zo’n vreemde kracht tot hem doorgedrongen. Was dit misschien een streek van het lot? In de greep van een bijgelovige angst wachtte Siraag met kloppend hart, alsof hij op de drempel stond van een buitengewoon inzicht.
Siraag had horen zeggen dat de mensen werkten, maar dat waren alleen maar verhaaltjes die verteld werden. Hij kon het niet echt geloven. Zelf had hij nog nooit iemand zien werken, behalve in die onooglijke, onbeduidende beroepen die in zijn gedachtewereld geen enkele aantrekkingskracht bezaten. Toch was het een langgekoesterd verlangen van hem om eens een van die mensen te zien die met hun handen werkten en die getekend waren door afmattend, zwaar werk. Maar dat viel moeilijk te verwezenlijken, hij kende geen enkel bruikbaar middel om met zulke mensen in contact te komen. Sinds de tijd dat hij probeerde te gaan werken deed hij tevergeefs zijn best hen op het spoor te komen. Thuis beschouwden zijn familieleden hem als een dwaas en een gevaarlijke gek. Toen hij tegen hen zei dat hij wilde gaan werken keken ze hem allemaal ongelovig aan, niet alleen vanwege zijn beslissing, maar vooral door hun eigen gebrek aan kennis op dat gebied. Het ging hun begrip te boven. Siraag wist niet tot wie hij zich moest wenden. Alle mensen die hij kende hielden zich bezig met niet lonende, onbenullige beslommeringen die niets te maken hadden met echt werk. Degenen onder hen die misschien een of ander ruw, zwaar werk verrichtten lieten dat nooit merken. Het leek altijd of ze die last voor zichzelf hielden, als iets waar ze zich voor schaamden of waarover ze wroeging voelden. Siraag ondervond enorme moeilijkheden bij het uitdiepen van dit verwonderlijke probleem. Hij wilde zielsgraag in aanraking komen met mensen die werkten om een idee te krijgen hoe dat was.
Maar deze bezeten jongen was een werkende jongen? Nee, zo gedroeg hij zich zeker niet en zo zag hij er ook niet uit. Als alle mensen die werkten net zo tekeergingen als hij zou het leven onmogelijk zijn. En nu joeg hij alleen nog maar op vogels! Wat moest dat dan wel niet zijn als hij in een fabriek werkte! Want serieus werk kon Siraag zich alleen maar voorstellen binnen de indrukwekkende omgeving van draaiende machines. Hij had een volstrekt romantisch beeld van het functioneren van een fabriek, hij raakte in verrukking van de grootsheid van het enorme werk dat door duizenden mensen tezamen wordt verzet. Daarnaast leken alle andere beroepen hem mateloos nietszeggend en onbenullig, ze stonden voor hem bijna gelijk aan nietsdoen. Maar wat deze jongen deed leek zelfs in de verste verte niet op een van die schijnberoepen. Siraag probeerde uit te maken bij welke categorie arbei- ders hij hoorde. Maar het gedrag van de jongen onttrok zich aan iedere indeling; zijn inspanningen leken de grenzen van de menselijke weerstand te overschrijden. Hij gehoorzaamde waarschijnlijk aan duistere drijfveren, maakte deel uit van een als los zand aan elkaar hangende, diep gezonken mensensoort, taaier in de strijd om het bestaan. Siraag had nog nooit zoiets gezien. Zijn hele opvatting van de wereld werd erdoor ondersteboven geworpen.
Hij werd overvallen door een dodelijke angst en vroeg zich af hoe dit allemaal zou aflopen. Zou er dan niemand zijn om die jongen tot stoppen te brengen? Hij kon niet langer zo doodstil blijven staan, hij voelde hoe zijn ledematen, die verstijfd waren van de kou, steeds zwaarder werden, zo zwaar als lood. Nu kreeg hij maagkrampen. Hij beet op zijn tanden om het niet uit te schreeuwen, boog zijn hoofd naar de grond en dacht dat hij zou gaan overgeven. Hij sloot zijn ogen, opende ze moeizaam weer, geeuwde, maakte een gebaar van vreselijke vermoeidheid en zakte daarna uitgeput neer in de berm. Even later haalde hij een stuk brood uit zijn broekzak en zette er verstrooid zijn tanden in. Hij herinnerde zich dat hij nog niets had gegeten sinds hij wakker was.
Een groen-witte bus reed voorbij over de grote weg en toeterde een paar keer alsof hij een noodsignaal uitzond. Het geluid galmde over het land, stierf geleidelijk aan weg en liet een onbehaaglijke indruk achter. Met een gevoel van opluchting zag Siraag hoe de jongen zijn laatste steen wegschoot. Wat zou hij nu gaan doen?
De jongen aarzelde een hele tijd, verdoofd, buiten adem. Met de rug van zijn hand veegde hij het snot af dat uit zijn neus liep, snoof luidruchtig, tilde de voorkant van zijn haveloze gewaad op en inspecteerde nauwkeurig zijn geslachtsdeel; daarna leunde hij achterover tegen de sycomoor. Hij zag er verslagen uit, uitgeput door die vruchteloze koortsachtigheid die op een mislukking was uitgelopen. Plotseling kreeg hij Siraag in het vizier en er verscheen een glimp van verbazing in zijn ogen waardoor zijn gezicht, waar het vuile zweet vanaf droop, opklaarde. Al zijn onstuimigheid was verdwenen, alles wat hem nog restte was de nieuwsgierigheid van een hongerlijder, een beklagenswaardige, ontredderde gulzigheid. Zijn aandacht leek nu volledig geconcentreerd op het stuk brood waar Siraag onverschillig op zat te kauwen, zijn ogen halfdicht van de slaap. Het was alsof hij dingen ontwaarde uit een fantastische wereld. Hij deed een paar stappen naar voren, zijn blik als gehypnotiseerd gericht op het stuk brood, en hij bleef midden op het pad staan, met zijn benen uit elkaar en openhangende mond, rillend in zijn haveloze plunje.
Een grote wolk dreef over, maakte zich los van de zon, die zijn bleke schijf liet zien. Het hele landschap baadde in een klam, kil licht dat enorme afstanden schiep, alsof de aarde plotseling haar horizon naar achteren had verlegd. Siraag huiverde en knipperde met zijn ogen; het daglicht hinderde hem, het werkte op zijn zenuwen. Hij had het gedrag van de jongen opgemerkt, maar deed of hij hem niet zag en bleef zijn brood eten met de gelaten houding van een terdoodveroordeelde. Ieder ogenblik voelde hij hoe de slaap hem verder in zijn meedogenloze greep kreeg. Hij zakte achterover, steunde op zijn ellebogen en gaf zich toen over aan zijn doezeligheid. Hij voelde geen enkele angst meer; hij wilde alleen slapen. Hij deed zijn ogen dicht, klampte zich als een schipbreukeling vast aan de zachte aarde van de berm en viel in slaap.

 

Oorspronkelijke titel: Les Fainéants dans la vallée fertile
Copyright © Editions Gallimard, 2003 (Précédemment publié par Ed. Robert Laffont en 1964 et par Editions Joëlle Losfeld en 1999)
Copyright Nederlandse vertaling © 1997 Mirjam de Veth en Coppens & Frenks; geactualiseerde heruitgave 2020 Mirjam de Veth en Uitgeverij Jurgen Maas
Copyright nawoord © 2020 Mirjam de Veth

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum