Leesfragment: De moord op Margaret Thatcher

27 november 2020 , door Hilary Mantel
|

1 december verschijnt De moord op Margaret Thatcher, de heruitgave van de verhalenbundel van Hilary Mantel (The Assassination of Margaret Thatcher, vertaald door Ine Willems). Lees bij ons nu alvast een deel van het titelverhaal!

In twaalf verhalen wendt Mantel haar talent als scherp observator aan om de verborgen gebreken en duistere kanten van de menselijke ziel aan het licht te brengen. Trefzeker ontmaskert ze in deze verhalen de afgronden waarover het leven ligt als een dun tapijtje.

Het titelverhaal, ‘De moord op Margaret Thatcher’, waarin op indringende, treffende wijze de geschiedenis uit zijn baan wordt getikt, veroorzaakte een ware rel in Engeland. In deze nieuwe uitgave is ook het verhaal 'Nadine met veertig' opgenomen, dat nog niet eerder in het Nederlands vertaald was.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Mantels boeken De spiegel en het licht, Liefde verkennen, Een veiliger oord I. Vrijheid, Het boek Henry en Acht maanden in de Gazastraat.

 

De moord op Margaret Thatcher: 6 augustus 1983

25 april 1982, voor de deur van Downing Street 10: aankondiging van de herovering van South Georgia, archipel bestuurd vanuit de Falklandeilanden.

mevrouw thatcher: Dames en heren, de minister van Defensie heeft me zojuist buitengewoon goed nieuws gebracht...

minister: We hebben bericht gekregen dat Britse troepen vanmiddag kort na vieren Londense tijd op South Georgia zijn geland... De bevelhebber van de operatie heeft de volgende boodschap gestuurd: gelieve hare majesteit te informeren dat in south georgia de white ensign van onze marine naast de union jack in top staat. god save the queen.

verslaggever: Wat gaat er nu gebeuren? Wat is uw reac...

mevrouw thatcher: Wees nu maar blij met dit nieuws en feliciteer onze marine en speciale eenheden. Goedenavond, heren.

(Mevrouw Thatcher draait zich om naar de deur van Downing Street 10.)

verslaggever: Verklaren we nu de oorlog aan Argentinië, mevrouw Thatcher?

mevrouw thatcher (met één voet over de drempel): Wees blij.

 

Stel je eerst de straat voor waar ze haar laatste adem uitblies. Het is een stille straat, vredig gelegen in het lommer van oude bomen; hoge huizen met lijstwerk als romig wit taartglazuur en metselwerk in de kleur van honing. Sommige zijn georgiaans, met strakke gevel. Andere zijn victoriaans, met glimmende erker. Ze zijn te groot voor moderne huishoudens en de meeste zijn opgedeeld in flats. Niet dat het iets afdoet aan hun elegante verhoudingen of aan de ingehouden glans van paneelvoordeuren voorzien van koperbeslag en geverfd in marineblauw of stemmig groen. Het is het enige minpunt aan deze buurt: dat er meer auto’s zijn dan parkeerplaatsen. De bewoners parkeren bumper aan bumper, hun vergunning zorgvuldig in het zicht. Degenen met een eigen inrit kunnen er vaak niet in of uit. Maar het zijn moedige lieden, trots op hun mooie straat en bereid tot opofferingen om er te wonen. Kijk omhoog en je ziet een delicaat georgiaans bovenlicht, warm terracotta tegelwerk of glinsterend gekleurd glas. In de lente tooien kersenbomen zich er met extravagante bloesemruches. Wanneer de wind de bloemblaadjes afrukt warrelen ze rond in roze wolken en vormen een tapijt op het trottoir, alsof reuzen er een bruiloft hebben gevierd. In de zomer zweeft er muziek uit openstaande ramen: Vivaldi, Mozart, Bach.
De straat zelf beschrijft een flauwe boog en mondt uit in de doorgaande weg die de stad uit voert. De Holy Trinity-kerk, een eigen eiland in de wijk, is behangen met garnizoensvlaggen. Als je vanuit een hoog raam over de stad uitkijkt (zoals ik de dag van de moord deed) word je de onmiddellijke nabijheid gewaar van fort en kasteel. Blik naar links en de donjon perst zich onontkoombaar tegen de ruiten. Op dagen van mist en miezer vervaagt de burcht, net een deels uitgewiste amateurschets. De lijnen verzachten, de randen verflauwen; hij wijkt terug in de klamme guurte van de rivier, meer een in nevelen gehulde berg dan een kasteel voor koningen.
De huizen aan de rechterkant van Trinity Place – als je de stad uit kijkt rechts, bedoel ik – beschikken over een grote tuin, die door hun drie à vier huurders wordt gedeeld. Begin jaren tachtig was Engeland nog niet gezwicht voor schroeilucht. De stank van de weekendbarbecue was onbekend, behalve in de ginpaleizen aan de rivier bij Maidenhead en Bray. In onze tuinen, hoe onberispelijk het gazon er ook bij lag, werd weinig gevoetbald; er woonden geen kinderen in de straat, alleen jonge stellen die nog tot voortplanting moesten overgaan en oudere echtparen die weleens, hooguit, een deur openzetten om een feestje over een terras te laten uitlopen. Hele middagen lagen de tuinen verlaten te bakken in de zon en katten opgekruld te soezen op de verbrokkelde bovenlaag van stenen plantenbakken. In de herfst composteerden bladerhopen op verzonken patio’s, om door geïrriteerde kelderflateigenaren te worden weggeschept. De winterregen doorweekte de heesterperken, en geen mens die het zag.
Maar in de zomer van 1983 werd dit keurige, door winkelpubliek en toerist overgeslagen hoekje het brandpunt van nationale interesse. De tuinen van de nummers 20 en 21 grensden aan het terrein van een privékliniek, een elegant bleekstenen hoekpand. Drie dagen voor haar moord kwam de premier naar deze kliniek voor een kleine oogoperatie. Sindsdien was de buurt ontwricht geraakt. Vreemdelingen verdrongen bewoners. Persmensen en cameraploegen versperden de straat en parkeerden zonder toestemming op inritten. Je zag ze Spinner’s Walk op en neer sjouwen met snoeren en lampen, de blik gericht op de toegangspoort van de kliniek aan Clarence Road, de nek omsnoerd door een camerariem. Om de paar minuten klonterden ze samen tot een massa schokschouderende legerjacks, als om elkaar gerust te stellen dat er nog niets was gebeurd, maar dat het algauw te gebeuren stond. Ze wachtten, en onder het wachten slurpten ze sinaasappelsap uit het pak en bier uit blik; en ze aten, zelf onder de kruimels, de bloembedden bezaaid met vettige papieren zakjes. Bij de bakker op de hoek van St. Leonard’s Road waren de warme kaasbroodjes tegen tienen op en al het andere tegen het middaguur. Windsorianen kwamen bijeen op Trinity Place, de boodschappentas zolang op een laag muurtje. We speculeerden waarom deze eer ons te beurt moest vallen en wanneer ze weer zou verdwijnen.
Windsor is niet wat je denkt. Je hebt er wel degelijk een intelligentsia. Als je vanaf het kasteel afdaalt tot onderaan Peascod Street, zijn het echt niet meer allemaal monarchistische slijmjurken; en zodra je oversteekt naar St. Leonard’s Road, kom je zomaar verkapte republikeinen tegen. Maar goed, dat was een schrale troost voor de plaatselijke socialisten bij de verkiezingen, en mensen mopperden dat stemmen verspilde moeite was. Ze moesten de gloed van hun overtuiging kenbaar maken door tactisch te stemmen en hun gelijk bevestigen tijdens bijeenkomsten in het kunstcentrum. Dat centrum – een onlangs getransformeerd brandweerstation – was een plek waar zelfpublicerende dichters een podium hadden en waar zurige witte wijn uit dozen werd geschonken; op zaterdagochtend had je er assertiviteitstrainingen, yogalessen en creacursussen.
Toen mevrouw Thatcher de wijk bezocht, trokken de dissidenten echter de straat op. In kleine groepjes stonden ze het mediakorps te inspecteren, half afgewend van de hekken van de kliniek, waar een rij kostbare parkeerplaatsen was gemarkeerd met gereserveerd voor artsen.
‘Ik ben arts,’ zei een vrouw. ‘Ik kom heel vaak in de verleiding om mijn auto hier neer te zetten.’ Het was vroeg en haar brood was nog warm; ze hield het dicht tegen zich aan, als een huisdier. ‘Er vliegen hier nogal uitgesproken opvattingen rond.’
‘De mijne is een dolk,’ zei ik, ‘en die vliegt recht haar hart in.’
‘Zo uitgesproken heb ik ze nog niet gehoord,’ zei ze bewonderend.
‘Nou, ik ga maar naar binnen,’ zei ik. ‘Meneer Duggan komt mijn boiler repareren.’
‘Op zaterdag? Duggan? Je mag je wel vereerd voelen. Ga maar gauw, dan. Als je hem misloopt, brengt hij het gewoon in rekening. Een echte geldwolf, die man. Maar ja, wat doe je eraan?’ Ze viste een pen op uit de diepten van haar tas. ‘Hier, ik geef je mijn nummer.’ Ze schreef het op mijn blote arm, aangezien we geen van beiden papier bij ons hadden. ‘Bel me. Kom je weleens in het kunstcentrum? We kunnen er een keer een wijntje nemen.’

[...]

 

© Tertius Enterprises Ltd 2014
© 2015, 2020 Nederlandse vertaling Ine Willems

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum