Leesfragment: De rattenlijn

17 april 2020
| |

23 april verschijnt het nieuwe boek van Philippe Sands: De rattenlijn. Leugens, liefde en gerechtigheid op het pad van een nazi-vluchteling (The Ratline, vertaald door George Pape). Update: De rattenlijn is een van de Zomerboeken van Athenaeum Boekhandel Haarlem. Vandaag publiceren we voor.

Als gouverneur van Galicië voerde SS-Brigadeführer Otto Freiherr von Wächter het bevel over een eenheid die verantwoordelijk was voor de dood van honderdduizenden Joden en Polen. Aan het einde van de oorlog in mei 1945 werd hij veroordeeld wegens ‘massamoord’. Achternagezeten door de Sovjets, de Amerikanen en de Britten, en door wraakzuchtige Poolse en Joodse slachtoffers, sloeg hij op de vlucht. Drie jaar lang verschool hij zich in de Oostenrijkse Alpen, waarna hij zich naar Rome begaf en drie maanden in het Vaticaan kon onderduiken. Toen hij zich in juli 1949 voorbereidde op zijn reis naar Argentinië via de ‘rattenlijn’, overleed hij plotseling – slechts een paar dagen na een lunch met zijn ‘oude kameraad’.

In De rattenlijn schetst Philippe Sands een uniek en fascinerend portret van het dagelijkse leven van een nazivluchteling, de liefde tussen Wächter en zijn vrouw Charlotte, die elkaar tijdens zijn vlucht bleven schrijven, en van de intriges die zich in Rome afspeelden tussen spionnen uit de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie tijdens de begindagen van de Koude Oorlog. Aan de hand van historische bronnen, Wächters brieven aan zijn vrouw en moderne medische expertise ontrafelt Sands het mysterie dat het jongste kind van de gevluchte oorlogsmisdadiger nog altijd achtervolgt – wat gebeurde er tijdens Wächters jarenlange vluchtpoging en hoe vond hij zijn einde?

N.B. Eerder brachten we een fragment uit Sands' Galicische wetten. Twee boekverkopers bespraken dit boek: Renée van Heerwaarden en Coen Vermaas.

 

Proloog

Uit Philippe Sands, De rattenlijn

Rome, 13 juli 1949

De toestand van de man in bed 9 was ernstig. Hoge koorts en acuut leverfalen maakten dat hij niet in staat was iets te eten of zich bezig te houden met de ambitieuze plannen en wensen die hem tijdens zijn leven hadden voortgedreven.
De statuskaart aan het voeteneind van het bed verschafte maar weinig informatie en veel daarvan klopte niet. ‘Op 9 juli 1949 werd een patiënt, Reinhardt geheten, binnengebracht.’ De datum was juist, de naam niet. Zijn echte naam was Wächter, maar daarvan kon hij zich niet bedienen omdat die de autoriteiten erop zou kunnen attenderen dat de patiënt – een hoge nazi – werd gezocht voor massamoord. Eerder had hij als tweede man gediend onder Hans Frank, gouverneur-generaal van het bezette Polen, die drie jaar daarvoor in Neurenberg was opgehangen wegens het vermoorden van vier miljoen mensen. Ook Wächter was toen aangeklaagd, voor ‘massamoord’ en het fusilleren en executeren van meer dan honderdduizend personen – dat was nog een lage schatting.
‘Reinhardt’ was in Rome op de vlucht. Hij verkeerde in de veronderstelling dat er op hem werd gejaagd door Amerikanen, Polen, Sovjets en Joden wegens ‘misdaden tegen de menselijkheid’ en ‘genocide’. Hij hoopte weg te komen naar Zuid-Amerika.
In de aantekeningen werd zijn vader met ‘Josef’ aangeduid, wat correct was. Het vakje voor de voornaam was leeg gebleven. Zelf gebruikte ‘Reinhardt’ de naam Alfredo, maar zijn echte naam was Otto.
Bij het beroep van de patiënt was ‘schrijver’ vermeld, wat niet geheel en al onjuist was. Otto Wächter schreef brieven aan zijn vrouw en hield een dagboek bij, al waren er maar weinig aantekeningen en die waren, zoals ik zou constateren, geschreven in steno of een code, die ontcijferen moeilijk maakte. Ook schreef hij gedichten en kort daarvoor nog, om de loze uren van een man die wat afleiding zoekt te vullen, één filmscript en een manifest over de toekomst van Duitsland. Dat had hij de titel Quo Vadis Germania? meegegeven.
Toen hij nog een machtig en vrij man was, had de patiënt zijn handtekening gezet op documenten van het soort dat nu maakte dat er op hem werd gejaagd. Zijn naam stond onder belangrijke brieven en decreten. In Wenen had hij de carrière verwoest van duizenden personen, onder wie twee van zijn docenten aan de universiteit. In Kraków had hij de weg vrijgemaakt voor de bouw van een getto. In Lemberg had hij Joden werkloos gemaakt. Daarom zou het juister zijn het beroep van de patiënt te omschrijven met de term ‘jurist’, ‘gouverneur’ of SS-Brigadeführer. De afgelopen vier jaar had hij zich echter voornamelijk beziggehouden met overleven; het was een man die zich nu verborg en trachtte te ontkomen en daarin ook meende te zijn geslaagd.
De status vermeldde bij leeftijd: 45. Hij was drie jaar ouder en had nog onlangs zijn verjaardag gevierd. Bij huwelijkse staat stond: vrijgezel. In feite was hij getrouwd met Charlotte Bleckmann, in zijn brieven met Lotte of Lo aangesproken. Zij noemde hem Hümmchen of Hümmi, een koosnaampje. Ze hadden zes kinderen, al waren het er eigenlijk meer.
De status vermeldde geen adres in Rome. In werkelijkheid woonde hij in het geheim in een monnikscel op de bovenverdieping van het klooster Vigna Pia, in een buitenwijk van de stad, weggestopt bij een bocht van de rivier de Tiber. Hij hield van zwemmen.
De status vermeldde niet dat de patiënt het hospitaal was binnengebracht door twee monniken die in de Vigna Pia woonden. Wat zijn fysieke toestand betrof, stond er:

De patiënt geeft aan dat hij vanaf 1 juli niet meer in staat was te eten; dat hij op 2 juli hoge koorts kreeg en op 7 juli symptomen van geelzucht vertoonde. De patiënt is diabeet en het klinisch onderzoek wees op leverfalen: acute gele leveratrofie (icterus gravis).

Uit andere bronnen weten we dat ‘Reinhardt’ tijdens zijn verblijf in het Santo Spirito-hospitaal drie bezoekers aan zijn bed kreeg. Een van hen was een bisschop die ooit in de entourage van paus Pius XII had verkeerd. De tweede was een arts die tijdens de oorlog verbonden was geweest aan de Duitse ambassade in Rome. De derde bezoeker was een Pruisische dame, die getrouwd was met een Italiaanse academicus, met wie ze twee kinderen had. Zij kwam elke dag langs, één keer op zondag, de dag nadat hij was opgenomen, twee keer op maandag en één keer op dinsdag.
Haar vijfde bezoek vond plaats op deze dag, woensdag 13 juli. Elke keer had ze iets meegenomen, een stuk fruit of iets zoets, zoals de dokter had aangeraden.
Het was voor de Pruisische dame lastig geweest de Sala Baglivi, waar hij lag, binnen te komen. Bij haar eerste bezoek werd ze indringend ondervraagd door een wachtpost. ‘Onvoldoende gegevens,’ had hij gezegd. Maar haar was eerder voorgehouden: wees terughoudend, zeg alleen maar dat je een vriendin van de kerk bent. Die woorden herhaalde ze steeds en ten slotte was de bewaker gezwicht. En nu herkenden ze haar.
De bezoekster was onder de indruk van de omvang van de Sala Baglivi. ‘Als een kerk’, zou ze zeggen tegen de vrouw van de patiënt die volgens de gegevens geen echtgenote had. Ze vond het prettig in die enorme koele ruimte te zijn – waar je kon schuilen voor de hitte overdag, wanneer ze van haar huis was komen lopen, langs het Piazza dei Quiriti en langs de fontein die Mussolini de opmerking had ontlokt dat er nooit vier naakte vrouwen aanwezig hoorden te zijn in een park.
Ze betrad de Sala Baglivi en liep langs de kleine kapel naar de rechterkant, naar het bed van de patiënt, waar ze even bleef staan. Ze begroette hem, sprak een paar woorden, koelde zijn gezicht met een vochtig doekje en verwisselde zijn hemd. Ze trok een krukje van onder het bed vandaan en ging erop zitten, om wat met hem te kunnen praten en het hem aangenamer te maken. Een nieuwe patiënt in het bed ernaast betekende wel dat er minder privacy was; daarom koos ze haar woorden zorgvuldig.
De patiënt had weinig te melden. Hij lag aan een infuus met penicilline ter behandeling van de infectie en dat medicijn verlaagde de koorts, maar maakte hem slap. Hem was aangeraden weinig te eten, koffie met wat melk, een paar druppels sinaasappelsap met een eetlepel dextrose. De artsen hadden hem op het hart gedrukt zijn maag te ontzien.
Bij elk bezoek bespeurde de dame een verandering. Op maandag was hij zwak en sprak hij weinig. Op dinsdag leek hij wat sterker en spraakzamer. Hij informeerde naar brieven waar hij naar uitkeek en uitte de hoop dat zijn oudste kind, eveneens Otto geheten, hem zou kunnen bezoeken voordat de zomer voorbij was.
De woorden die hij vandaag sprak, waren optimistisch, ook al leek hij lichamelijk zwakker. ‘Het gaat veel en veel beter,’ zei de patiënt. Ze gaf hem een theelepel sinaasappelsap. Hij was helder en zijn ogen glansden.
De patiënt bleek een langere gedachte te kunnen formuleren. ‘Als Lo nu niet kan komen, is dat niet erg, want ik voelde me tijdens de afgelopen lange nachten zo dicht bij haar en ik ben blij dat we zo innig met elkaar verbonden zijn. Ze begrijpt me volkomen, en alles wat geweest is, moest zo zijn.’
Vanbinnen gloeide hij, maar pijn voelde hij niet. Hij leek rustig, lag stil en hield de hand van de dame vast. Zij vertelde over haar dag, over het leven in Rome, over de kinderen. Voordat ze vertrok, streek ze zachtjes over zijn voorhoofd.
Hij sprak nog een paar laatste woorden: ‘Ik ben in goede handen, tot morgen.’ Om half zes nam de Pruisische dame afscheid van de nu ‘Reinhardt’ geheten patiënt. Ze besefte dat het einde nabij was. Later op de avond kreeg de patiënt bezoek van de bisschop. De patiënt sprak volgens de bisschop (die hem, zo werd gezegd, in zijn armen hield) op dat moment zijn laatste woorden. Daarin zinspeelde hij erop dat zijn toestand was veroorzaakt door een moedwillige daad en noemde hij de gifmenger. Het zou nog vele jaren duren voordat deze woorden die hij naar verluidt tegen de bisschop had geuit – en waarbij verder niemand aanwezig was geweest – bij anderen bekend zouden worden.
De patiënt haalde de volgende dag niet.
Een paar dagen later schreef de bezoekster een brief aan Charlotte Wächter, de weduwe. Op tien handgeschreven velletjes beschreef ze hoe ze Wächter een paar weken eerder, kort na zijn aankomst in Rome, had ontmoet. ‘Van hem hoorde ik over u, over de kinderen, over al het goede in zijn leven.’ ‘Reinhardt’ had de bezoekster verteld over zijn werk voor en tijdens de oorlog, en over de daaropvolgende jaren die hij hoog in de bergen had doorgebracht. De brief beschreef hoe ongedurig hij was geweest en vermeldde terloops ook een weekenduitstapje buiten Rome, maar ze noemde niet de naam van de plaats die hij had bezocht, of de persoon.
Aan het eind van de brief werden nog enkele woorden gewijd aan de diagnose. De arts dacht dat de dood veroorzaakt was door ‘acute leveratrofie’, een vorm van ‘inwendige vergiftiging’, mogelijk teweeggebracht door voedsel of water. De dame formuleerde ook enkele gedachten over de toekomst – hoezeer Charlotte haar ‘opgewekte, vriendelijke metgezel’ zou gaan missen. Denk louter aan de kinderen, voegde ze eraan toe, die hadden een dappere, gelukkige moeder nodig.
‘Het is vooral die onverschrokken blijmoedigheid, het midden in het leven staan, die uw man zozeer in u liefhad.’ Met die zin sloot ze de brief af, waarin de echte naam van de patiënt overigens niet was genoemd.

De brief was gedateerd op 25 juli 1949. Hij ging van Rome naar Salzburg, waar hij werd bezorgd op het huisadres van Charlotte Wächter en haar zes kinderen.
Charlotte heeft de brief 36 jaar bewaard. Na haar dood, in 1985, ging hij, samen met andere persoonlijke bescheiden, naar haar oudste kind, Otto junior. Toen Otto junior in 1997 overleed, ging de brief naar Horst, het vierde kind. Deze woonde in een enorm, vervallen, leeg, prachtig kasteel in het oude Oostenrijkse dorp Hagenberg, tussen Wenen en Brno in de Tsjechische republiek. Hier bleef de brief jarenlang in privébezit opgeborgen.
Nadat er zo’n twintig jaren voorbij waren gegaan, zocht ik Horst, op een buitengewoon koude dag, op in het kasteel. Ik was een paar jaar eerder al bij hem geïntroduceerd en was bekend met het bestaan van duizenden bladzijden persoonlijke documenten van zijn moeder. Op een gegeven moment vroeg hij me of ik de originele brief van de Pruisische dame wilde zien. Zeker. Hij ging de keuken uit, liep de steile stenen trap op, betrad zijn kamer en begaf zich naar een oud houten kabinet met glazen ruitjes, dat naast zijn bed stond, dicht bij de foto van zijn vader in SSuniform. Hij haalde de brief tevoorschijn, kwam weer naar beneden, naar de keuken, legde hem op de oude houten tafel en begon hem hardop voor te lezen.
Zijn stem was onvast en even stonden er tranen in zijn ogen.
‘Het klopt niet.’
‘Wat klopt er niet?’
‘Dat mijn vader is overleden aan een ziekte.’
De houtblokken in de haard knetterden. Ik keek naar de condensdamp van zijn adem.
Ik kende Horst nu vijf jaar. Hij had zijn moment gekozen om me deelgenoot te maken van een geheim – van een overtuiging dat zijn vader was vermoord.
‘Wat is de waarheid dan wel?’
‘Laten we bij het begin beginnen,’ zei Horst.

 

© 2020 Philippe Sands
© 2020 Nederlandstalige uitgave: Uitgeverij Unieboek | Het Spectrum bv, Amsterdam

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum