Onze boekhandels zijn open! Kom langs of bestel telefonisch, via WhatsApp, per e-mail of via de webshop. #steunjeboekhandel, ook online

Leesfragment: De wondergrijsaard

17 oktober 2020 , door Onno Blom
| |

22 oktober verschijnt De wondergrijsaard een portret van Harry Mulisch door Onno Blom. Lees bij ons alvast een deel van het eerste hoofdstuk!

'Ik zal een wondergrijsaard zijn, let maar eens op,' schreef Harry Mulisch in Het ironische van de ironie. Zijn voorspelling kwam uit. De ontdekking van de hemel, zijn magnum opus, verscheen toen hij de vijfenzestig al was gepasseerd en daarna publiceerde hij nog de duizelingwekkende romans De procedure en Siegfried, waarvan de laatste regel voorspellend bleek voor zijn oeuvre: ‘Daarna niets meer.’ Over het onvermijdelijke maakte Mulisch zich niet druk. ‘Dat ik dood kan gaan, moet eerst nog maar eens bewezen worden,’ zei hij daarover. Inmiddels is het bewijs geleverd.

In De wondergrijsaard portretteert Onno Blom de grote schrijver in zijn laatste jaren. Blom baseert zich daarbij op de vele notities die hij maakte van zijn gesprekken met Mulisch, in wiens werkkamer hij wekenlang bivakkeerde toen hij aan Mijn getijdenboek (2002) werkte. De twee bleven elkaar geregeld zien en spreken, tot het einde toe. Daarnaast sprak Blom uitgebreid met Mulisch’ vrienden, naasten en familie voor dit portret van de kunstenaar als oude man.

 

i Het begin van het begin

Harry Mulisch is niet dood, ook al is hij gestorven.
Wij, de anderen, moeten het na zijn overlijden doen met zijn nieuwe lichaam, dat hij zelf gemaakt heeft, en dat hechter, duurzamer is dan wat hij van zijn moeder heeft gekregen: zijn literaire oeuvre, dat hij in Voer voor psychologen omschreef als ‘één groot organisme, waarin elk onderdeel met alle andere verbonden is door ontelbare draden, zenuwen, spieren, strengen en kanalen, waardoor onderling voeling gehouden wordt en geheimzinnige berichten heen en weer worden gezonden, stromingen, seinen, code...’
Zijn nieuwe lichaam is bestemd om het oude te overleven. Alleen een schrijver kan dat bereiken: zwijgen en toch spreken, er niet zijn en er toch zijn. Zo bezien vertegenwoordigde de dood voor Mulisch het ultieme verlangen. Het hoogste doel. Elk boek, elk woord, elke letter bracht hem daar tijdens zijn leven dichterbij: een overwinning op de tijd.
In archibald strohalm, zijn debuutroman uit 1952, wordt al opgemerkt dat een kunstenaar in zijn werk in staat is tot het scheppen van een oneindig aantal levens, maar in het leven tot geen enkel. ‘Een normaal mens leeft tijdens zijn leven en is dood na zijn dood. Een kunstenaar is dood tijdens zijn leven.’
Tussen het nieuwe en oude lichaam bestond een magisch verband: het een kwam natuurlijk uit het ander voort, zoals de toekomst uit het verleden. Mulisch beschouwde zijn levensloop als een ‘fons vitae’, een bron van inzicht, waaruit hij kon putten voor de eeuwigheid.
Hij zag zijn eigen leven als een verhaal waarin hij het als schrijver voor het zeggen had. Het was een vorm van bezwering, van magisch denken. Hij zag de tekenen in de elementen, in de geschiedenis, in de getallen. ‘Worden zij niet gezien, dan zijn ze er ook niet,’ schreef hij in de necrologie voor zijn oude vriend Godfried Bomans. ‘Het zijn geen feiten, maar betekenissen.’
Toen Harry Kurt Victor Mulisch werd geboren, op 29 juli 1927, ‘een dag na nieuwe maan, 10u15 nederlandse zomertijd,’ zoals zijn vader in zijn babyboek schreef, kwam de Vesuvius plotseling in verhevigde werking. Dat kon geen toeval zijn. ‘Maar de kranten vermeldden niet,’ schreef Mulisch in Mijn getijdenboek, ‘of dat kwam door mijn geboorte of door Mussolini, die ook die dag zijn verjaardag vierde.’
Zijn leven lang sloot hij de mogelijkheid uit dat hem iets ernstigs zou overkomen. Een van zijn manifesten – stellingen over het schrijverschap, die hij voor het eerst publiceerde in Podium in september 1958 – luidt: ‘De schrijver wordt ziek en kan niet meer schrijven. De schrijver wordt op de tramrails door een meteoor getroffen en is dood. Dit alles is gebrek aan talent.’
En talent, daarmee was hij, vond hij zelf niet in de laatste plaats, rijk bedeeld.
Mulisch beschouwde zijn persoonlijkheid als een kunstwerk, zijn oeuvre als één groot zelfportret. Hij voelde zich in dit opzicht verwant met Johann Wolfgang von Goethe. Johann Peter Eckermann, diens bewonderende biograaf, had Goethe in zijn laatste levensjaren gevraagd: ‘Als je nu als Engelsman was geboren, ergens in de achterbuurten van Londen, wie was je dan geworden?’
‘Dat zou ik nooit hebben gedaan,’ antwoordde Goethe. ‘Ik zou altijd heel goed ter wereld zijn gekomen, als kardinaal op zijn minst.’
Het is niet verwonderlijk dat Rudolf Herter, zijn alter ego in zijn laatste roman Siegfried, vaststelt: ‘Het zou langzamerhand tijd voor zijn memoires zijn, als het niet zo was dat al zijn werk eigenlijk uit memoires bestond: niet alleen van zijn feitelijke leven, ook van zijn verbeelding, die niet van elkaar te scheiden waren.’
Niet alleen de dood, maar ook de ouderdom heeft Mulisch nooit angst ingeboezemd. Hij bleef zich altijd jong voelen, al zag hij als grijsaard in de spiegel van de kapper dat de tijd het mes in zijn gezicht had gezet.
In Voer voor psychologen liet hij zijn jonge gezicht al naar zijn oude gelaat staren: ‘Ik ben naar de spiegel gelopen, nu, 1958, en ik heb geen ander gezien, geen ander heeft geen ander gezien, en de verwoeste, brekende, verpulverende, ontploffende grijsaard in 1999 zal geen ander zien.’
‘Het gekke is,’ zei Mulisch, ‘je verandert, maar er is iets dat niet verandert. Ik ben wezenlijk dezelfde, al ben ik veranderd en ouder geworden. Ook de ouderdom is kennelijk iets voor de anderen.’
Harry Mulisch had al jong het gevoel dat er een genie in hem schuilging, hij wist alleen nog niet waarin. Het leek hem een kwestie van tijd voor hem de Nobelprijs voor natuur- of scheikunde zou worden toegekend. Hij deed als puber chemische experimenten, probeerde chlorofyl in bloed te veranderen, en stond op het punt om – net als Bram Vingerling in zijn favoriete jeugdboek – een elixer uit te vinden waardoor hij onzichtbaar zou worden.
Als schrijver zou hij daarnaar blijven streven: zichtbaar worden door onzichtbaarheid. Eigenlijk was het hem niet om de chemie, maar om de alchemie te doen.
Op de deur van zijn zolderkamer in het huis van zijn vader aan de Anna van Buurenlaan 47 in Haarlem spijkerde hij een bordje:

Laboratorium prof.mr.dr.ir. H.K.V. Mulisch, Esq.
Deur sluiten
Stilte

Hij wilde alles zelf uitvinden. Een alomvattend systeem. Een wereldformule. Volgens politicus Marcel van Dam, een goede vriend, moest Harry niet zozeer worden gekarakteriseerd als ‘autodidact’, maar als ‘autogeleerde’.
Met de wetenschap werd het niets, al ontrafelde hij de compositie van de wereld en ontdekte hij de hemel. Mulisch werd wat hij was: schrijver.
Zijn eerste boek had hij vóór zijn debuut al geschreven, in 1942: ‘Moderne atoomtheorie voor iedereen’. In de inleiding meldt de veertienjarige auteur: ‘Omdat ik zelf nog maar een jongen ben, dus geen vakman, en omdat het mijn eerste boekje is, begrijp ik wel dat het veel kritiek zal uitlokken.’
Als adolescent was hij moederziel alleen, en aan het einde van de oorlog was hij van school getrapt. Hij was arm en kende niemand in de wereld van de schrijverij. Zijn kansen op succes waren klein, maar hij wist zeker dat hij zou slagen. ‘Ik was daar op grond van niets van overtuigd.’
Steeds als hij in Haarlem door de buurt liep, stond op de eerste verdieping van een huis aan de Jacob van Lenneplaan een raam open, waaruit pianomuziek klonk. Tegen de achterwand van de kamer stond een boekenkast. Er was nooit iemand te zien.
De aanblik fascineerde hem en bracht hem op een idee voor een verhaal. Een oude man vertelt in de ik-vorm hoe hij als jongen van negentien gebiologeerd werd door een kamer waaruit pianomuziek klonk en waar alleen studieboeken te zien waren. Na een veelbewogen leven in het buitenland laat de verteller zijn notaris een kamer huren in zijn geboortestad. Op de dag van aankomst wordt hij daar overvallen door een onbekende ziekte. De laatste twee zinnen luiden: ‘Nu weet ik dan eindelijk wat mij zoo tot deze kamer getrokken heeft. Het is mijn sterfkamer.’
Het verhaal ‘De kamer’ stuurde hij naar Elseviers weekblad, dat het op 8 februari 1947 publiceerde. Onder het stuk stond als naam van de auteur vermeld: ‘H.K.V. Muliusch’.
Toen hij het blad opensloeg en zijn eigen verhaal erin zag staan, wist hij: dit is het. Zijn leven had betekenis gekregen. ‘Alles werd overstraald door het licht dat ik toen zag, en ook alles in alle andere kranten en boeken waar ook ter wereld, te land, ter zee of in de lucht, – ik keek naar mijn naam als naar de opkomende, zij het voorshands verkeerd gespelde zon, die sterren en planeten deed verbleken,’ schrijft hij in Mijn getijdenboek.
De sterfkamer was de kraamkamer van zijn schrijverschap.

[...]

 

Copyright © 2020 Onno Blom

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum