Leesfragment: Een huis in Engeland

21 februari 2020 , door Maarten Asscher
|

25 februari verschijnt Maarten Asschers Een huis in Engeland, en donderdag 5 maart vanaf 19.30 gaat Clairy Polak bij Athenaeum Boekhandel & Nieuwscentrum (Spui 14-16) in gesprek met hem. Wij publiceren de proloog!

Slapeloosheid is een hulpeloze en hopeloze toestand, waaruit Maarten Asscher zich tracht te bevrijden door zichzelf ’s nachts terug te brengen naar het vroegere huis van zijn grootouders in Londen. Zodra hij in gedachten door het huis loopt waar hij als kind jaarlijks logeerde, komt het verleden vanzelf tevoorschijn. Behalve de dierbare herinneringen aan de heerlijke zomers die hij daar doorbracht, verschijnen ook onvertelde verhalen over vroeger. Hoe waren zijn grootouders met hun drie kinderen de oorlog doorgekomen, nota bene na een verblijf in Westerbork? En waarom zijn ze ná de oorlog plotseling naar Engeland vertrokken?
's Nachts zwervend door het dierbare huis en overdag speurend in de overgebleven brieven, dagboeken en officiële stukken, reconstrueert Asscher inEen huis in Engelandhet levensverhaal van zijn grootouders. Het resultaat is een indrukwekkende autobiografische roman, met een knappe afwisseling tussen zwaar en licht, tussen intimiteit en geschiedenis, tussen het persoonlijke en het universeel-menselijke.

N.B. Maarten Asscher(1957) debuteerde in 1992 met de bundel essayistische verhalen Dodeneiland. Nadien verschenen ruim een dozijn boeken in alle literaire genres, waaronder in 2005 een roman (Het uur en de dag), in 2015 een literatuurwetenschappelijk proefschrift (Het uur der waarheid [fragment]) en in 2018 Toch zit het anders [fragmentonze recensie], kritische beschouwingen over cultuurpolitiek en het boekenvak. In het voorjaar van 2019 verschenen de bundel Kort geluk [fragment], met zijn essays over geluk, levenskunst, taal, kennis, diversiteit, politiek en literatuur en de door hem samengestelde bundel Wat nooit eerder gebeurd is, met Rudy Kousbroeks mooiste essays over kunst en techniek. Lees op Athenaeum.nl een fragment uit Een huis in Engeland.

Proloog

Sinds lang ben ik 's ochtends al vroeg wakker. Te vroeg. Als ik al eens voor de zekerheid een wekker zet, krijgt die nooit de kans te laten horen waarvoor hij bestemd is. Ook wanneer ik in plaats van tegen middernacht pas om een of twee uur naar bed ga, word ik nooit later dan tussen vijf en zes wakker, nog afgezien van de tijd die ik tussendoor wakend heb doorgebracht.
Volgens mijn moeder ben ik een week te laat geboren. Zou het zo zijn dat ik onbewust elke ochtend een stukje van deze aan het begin opgelopen vertraging probeer in te halen? Me dunkt dat die achterstand in de afgelopen decennia dan wel is weggewerkt. Maar hoe leg ik aan mijn lichaam uit dat er heus wel wat langer mag worden doorgeslapen?
Aan het begin van de nacht in slaap vallen kost me over het algemeen niet veel moeite. Dat is een kwestie van enkele minuten stil blijven liggen en hoogstens een of twee keer omdraaien, maar dat geldt dus niet voor doorslapen, laat staan voor uitslapen. Zodra, na maximaal een paar uur, de slaap wijkt en een eventuele droom is vervlogen, is het gedaan met de nachtrust. Op commando slapen? Ik kon het vroeger niet en kan het nog steeds niet. Hoe krijgen veldheren het voor elkaar om even een kwartier onder zeil te gaan, zodat ze vervolgens met opgefriste moed de strijd weer kunnen voortzetten? Ook van sommige diersoorten is bekend dat ze hun noodzakelijke rust in termijnen over de nacht en de dag weten te spreiden.
Wanneer ik op mijn rug lig, is er achter in mijn keel iets wat de gewenste regelmatige en volledig ontspannen ademhaling verhindert. Zou dat operabel zijn? Op mijn zij lukt het letterlijk niet mijn ogen te sluiten. Mijn oogleden blijven bibberend hangen. Pretenderen dat ik volledig in ruste ben heeft geen zin; mijn lichaam laat zich daardoor niet bedriegen. Het knopje waarmee de inslaapfunctie wordt bediend zit er bij mij gewoonweg niet op.
Wat wel af en toe gebeurt is dat ik verkwikt uit een tamelijk diepe slaap wakker word: hèhè, eindelijk is het gelukt. Dan blijkt het bijvoorbeeld kwart over een te zijn en heb ik niet meer dan ongeveer anderhalf uur geslapen. In plaats van een paar keer omdraaien en vanzelf inslapen, zoals bij het naar bed gaan, is er vanaf dat moment sprake van eindeloos woelen, kussen omkeren, stilletjes het onderlaken rechttrekken, nog een keer op de andere zij draaien en weer opnieuw proberen, en dat alles op een manier waar degene die naast mij ligt zo weinig mogelijk last van heeft.
Jarenlang heb ik geleefd in het frustrerende besef dat een mens om gezond en fit te blijven acht uur slaap nodig heeft, een derde deel van een etmaal, waarvan de beide overige gelijke delen aan werken en zogenaamde 'vrije tijd' worden besteed. Dit moet wel lariekoek zijn, want al decennialang kom ik aan nachtrust niet veel verder dan de helft, en die vier of vijf uur slaap per nacht sprokkel ik in twee of drie stukken bij elkaar.
De kern van het probleem is: het lukt me niet mijn geest uit te zetten. Ook . of juist . wanneer ik ga liggen, blijft die onbeheersbaar doormalen, zoals twee molenstenen over elkaar heen draaien. Als er niks tussen gegooid wordt in de vorm van belevenissen, indrukken, gesprekken of lectuur, malen die twee stenen zich onherroepelijk tegen elkaar kapot. Tenzij ik onverwijld opsta. Dat doe ik dan, maar niet altijd. Om halfzes de werkdag laten beginnen is goed te doen, maar om vier uur? Om drie uur?
Soms blijf ik liggen, ook al is dat een even hulpeloze als hopeloze toestand, waarin de keten van associatieve gedachten steeds weer uitkomt bij dezelfde onoplosbare, want meestal voorbije kwesties. Sommige daarvan zijn groot (liefde, dood, scheiding, ziekte, gemis), andere dikwijls te futiel voor woorden (een vervelende ontmoeting, een slechte aankoop, een scherpe mailwisseling, een onterechte factuur). Groot of klein, zodra ik uit bed stap verdampen deze kwesties direct, en vervluchtigt de stroom van nutteloos gepieker. Wat gebeurt er in liggende toestand binnen het menselijk brein, een mechaniek dat overdag zoveel beter gehoorzaamt aan de wensen van de 'hoofdbewoner'?
Afwisselend heb ik geprobeerd mijn probleem op te lossen door helemaal niet meer op de wekker te kijken, door te slapen met het raam wijd open, door 's avonds laat geen koffie of thee of alcohol meer te drinken of door nog een late avondwandeling te maken. Ik heb valeriaandruppels ingenomen, warme melk met honing gedronken, zelfs een keer een bananensmoothie geprobeerd. Wat je op internet en van goedbedoelende vrienden en kennissen al niet aan tips krijgt: Bachbloesems, melatonine, sint-janskruid, kamillethee. Het haalde allemaal niks uit. Alleen chemische slaaptabletten, die heb ik nooit aangedurfd. Dan zou ik mijn bewustzijn uit handen geven, zonder te weten op welk moment en in welke conditie ik het weer terugkrijg.
Nachtrust was in mijn kinderjaren zoiets vanzelfsprekends. Het ritme van overdag actief zijn en 's nachts uitrusten verliep zonder enige moeite, als een uitvergrote versie van het menselijke in. en uitademen. En nog heerlijker dan in mijn eigen kinderbed thuis sliep ik vroeger in het huis van mijn Engelse grootouders van vaderskant, Oa en Oma Roosje genaamd. Hun huis stond - het staat er nog steeds, maar zoals ik het heb gekend is het sinds tientallen jaren verdwenen - in Kew, in het Engelse graafschap Surrey, een voorstadje van Londen, deel uitmakend van de gemeente Richmond upon Thames.
Mijn eigen ouderlijk huis was niet een vast gegeven. Voordat ik naar de kleuterschool ging, waren we al twee keer verhuisd. Later gebeurde dat nog een aantal malen, vanuit het westen van Nederland via het midden naar het oosten van het land, en daarna ging ik terug naar het westen om te studeren. Als mensen vragen waar ik vandaan kom, heb ik daar in feite geen eenduidig antwoord op. In de stad waar ik geboren ben, ging ik niet naar de middelbare school, en waar ik op de middelbare school zat, daar woonden we al niet meer toen ik eindexamen deed. Er is niet één huis dat ik ondubbelzinnig kan beschouwen als Het Huis Van Mijn Jeugd.
Behalve dan het huis van mijn grootouders in Kew. Wie weet sliep ik daar wel zo geweldig goed omdat hun huis er altijd was en omdat er nooit iets aan veranderde. Niet aan de indeling, niet aan de meubels en de schilderijen, evenmin aan de tuin, noch aan de nabijgelegen Royal Botanic Gardens, en vooral niet aan het logeerbed, dat jaar in, jaar uit in de lange zomervakantie onveranderlijk voor mij klaarstond. Dat zachte Engelse bed in Kew! Daar ingestopt worden en dan moeiteloos voor de rest van de nacht wegzinken in - zoals dat heet - de slaap der onschuldigen.
Ik had het een keer over mijn slaapprobleem met Erik, mijn jongere broer, en vertelde over alle trucs en middeltjes die ik van tijd tot tijd heb uitgeprobeerd. We hadden een vrolijk gesprek, want het is goedbeschouwd een beetje lachwekkend om moeite te hebben met zoiets kinderlijk eenvoudigs als slapen. Zo kwamen we te spreken over onze jongenskamers in de achtereenvolgende huizen waarin we opgroeiden en over onze zomerse logeervakanties in Engeland, intussen een halve eeuw geleden. 'Tjonge,' verzuchtte ik, 'als ik ooit nog eens in dat Engelse logeerbed in Kew zou kunnen slapen, dan was ik in een keer van mijn slapeloosheid verlost.' Daarop zei Erik dat hij iets voor me had. 'Nee, nee, geen poedertjes of pillen,' voegde hij nog toe, toen hij de scepsis van mijn gezicht las. 'Maar misschien heb je er iets aan.'

 

Copyright © 2020 Maarten Asscher

pro-mbooks1 : athenaeum