Leesfragment: Met een drukpers de oceaan over

25 juli 2020 , door Lisa Kuitert
| |

28 juli verschijnt Lisa Kuiterts nieuwe boek, Met een drukpers de oceaan over. Koloniale boekcultuur in Nederlands-Indië, 1816-1920. Vandaag publiceren we voor!

Ergens op de bodem van de Stille Oceaan liggen nog de restanten van een Nederlandse drukpers, overboord gegooid in 1824 toen op het schip dat de pers vervoerde muiterij uitbrak. Het is een van de vele markante lotgevallen rondom boeken en boekhandel in het voormalige Nederlands-Indië die Lisa Kuitert in dit boek voor het eerst en op aanstekelijke wijze onder de aandacht brengt. Werd in de kolonie dan gelezen? Waren er dan uitgevers, boekhandels, drukkerijen? Ja, heel veel zelfs. Geschreven op palmbladeren, gekerfd in houtblokken of ge(steen)drukt met inkt van de damarboom: in de koloniale geschiedenis waren boeken belangrijk. Zakenmensen en idealisten uit Nederland trotseerden talrijke gevaren zoals tijgers, kannibalen en schipbreuk, maar ook censuur om in de lange negentiende eeuw de reis te maken naar de Oost en daar een boekhandelsbedrijf op te zetten. Zij namen Indonesiërs in dienst die zo het vak leerden en vervolgens zelf een bedrijf begonnen. En dan blijkt dat boeken geen neutrale goederen zijn, maar dat de boekcultuur sterk heeft bijgedragen aan de opkomst van de onafhankelijkheid van Indonesië.

N.B. Eerder besprak Maarten Dessing voor ons Kuiterts essay Het boek en het badwater.

 

Inleiding

Nadat in Batavia in luttele minuten de duisternis was ingevallen, zoals dat gebeurt in de tropen, kwamen vanuit de verte dansende lichtjes naderbij en klonk er muziek. Mensen stonden langs het pad nieuwsgierig af te wachten wat er ging gebeuren. De lichtjes bleken fakkels, hooggehouden door twaalf dragers die begeleid werden door een fanfare. Zij vormden slechts de entourage van waar het die 24ste augustus 1823 om ging, een feestelijke optocht op weg naar de Bataviasche Landsdrukkerij ter ere van de ‘Nederlandse uitvinder’ van de boekdrukkunst. Een manshoge afbeelding van Laurens Janszoon Coster, geschilderd op een groot doek, werd door de stad gedragen door de leerlingen van deze drukkerij, ‘geheel op zijn oosters gekleed’. Daarachter liepen twee meisjes ‘dragende bloemkorfjes en strooijende bloemen’, en de stoet besloot met alle overige ‘employees met hun dames’.
Een beetje onwennig was het wel. Niet eerder waren er zulke feestelijkheden rondom Laurens Janszoon Coster gevierd in de kolonie, voor veel van de aanwezigen was het verhaal over de Nederlandse ‘uitvinder’ van de boekdrukkunst misschien onbekend, en velen zullen nooit een voet in Nederland gezet hebben. Maar ja, het was wel de vierhonderdste geboortedag van Coster, en omdat de koning in Nederland deze vermeende uitvinder van de boekdrukkunst als nationale held had erkend mocht ook de Landsdrukkerij in de kolonie niet achterblijven. Men had geen idee hoe of wat er in Nederland aan de feestdag werd gedaan, maar ook in het verre Indië wilden de drukkers en hun gezellen deze dag niet zomaar voorbij laten gaan.
En zo werd dan toch in 1823, bijna tweehonderd jaar geleden dus, dit feest gevierd in Batavia, het huidige Jakarta. ‘Eene ontelbare menigte’ langs de kant van de route keek de optocht na. De stoet liep naar de drukkerij toe, waar het feest kon beginnen. Daar waren de drukpersen tot buffetten omgetoverd en de binders- en plaktafels waren als eettafels gedekt, terwijl het middengedeelte voor de danszaal was leeggemaakt. Een orkestje van achttien man speelde het Wilhelmus, in afwachting van hoog bezoek want ook de gouverneur-generaal Godert van der Capellen was uitgenodigd. Toen hij er was, hield letterzetter P. van der Meer een gloedvol betoog waarin hij inging op de zegeningen van de drukpers: ‘Dat zij spoedig in deze gewesten die beschaving aanbrenge [...] dat de drukpers ook hier het middel moge zijn, waardoor de valsche Godsdienst van Mohameth, ontmaskerd worde en de bewoners dezer landen, tot de gemeente van Jezus worden toegebragt; dat de kunst van koster [...] het nog duister en onbeschaafde gedeelte der bewoners van die landen hervormen...’ Of ook de Javaanse werknemers naar het feest kwamen, staat er in het verslag van die avond niet met zoveel woorden bij. Wel dat ‘alle employees met hun dames’ waren uitgenodigd en onder hen waren Javanen. Het verslag is opgenomen in het gedenkboekje dat na de feestelijkheden werd gedrukt. Daarin staan ook de teksten van de vele liederen die de feestgangers zongen, zowel in het Nederlands als in het Maleis, gedrukt in de Latijnse en in de Arabische letter. Nu, twee eeuwen later ligt dit boekje in de Amsterdamse universiteitsbibliotheek en vormt het met zijn amper zestig pagina’s een stille getuige van waar het in Nederlands-Indië in het hele boekbedrijf destijds om ging. Paternalisme, zendingsdrang, nationalisme, lofzang op techniek.
Bij de herdenking in Batavia valt verder de hybride sfeer op – oosterse kleding, vaderlandse liederen, ook in het Maleis. Er waren werknemers van ‘europaïschen’ en van Indonesische afkomst werkzaam. Uit een voetnoot blijkt dat de Coster-herdenking vooral bij de Europese werknemers in goede aarde viel. Een van de drukkers had er niet veel mee op. Dat die voetnoot er überhaupt in kwam te staan toont dan weer aan dat werknemers die de herdenking niets vonden, hun zegje konden doen via de drukpers.

Uit: Lisa Kuitert, Met een drukpers de oceaan over
Zo moest de Landsdrukkerij versierd worden in 1823. Uitvouwblad met een schets gemaakt door P. van der Meer. Bovenin een lofdicht op de vermeende uitvinder van de boekdrukkunst, Laurens Janszoon Coster: ‘De drukkunst, nu vier eeuwen oud, door Koster voortgeteeld, uit beukenschors, in ’t Haarlemshout, aanschouwd haar ’s vaders beeld, hier op dit doek en roep verblijd, dit mannelijk gelaat, zij aan de onsterflijkheid gewijd, zoo lang de wereld staat!’ [Bijlage bij Beknopt verhaal van het vierde eeuwgetijde na de vinding der boekdrukkunst, gevierd door de gezamenlijke geëmploijeerden der Bataviasche Lands-drukkerij. Batavia Landsdrukkerij 1825]

Er is nog weinig bekend over het boekbedrijf in Nederlands-Indië, en dat terwijl de betekenis van drukwerk moeilijk overschat kan worden. Als iets in druk verscheen, was het immers niet alleen vastgelegd, gefixeerd, maar kon het ook ruim verspreid worden. De Indonesiërs kenden een handschriftelijke overlevering, die onder meer werd voorgelezen of -gezongen voor een publiek. Uitgeverijen, drukkerijen of boekhandels waren er niet. Daar komt in de negentiende eeuw verandering in, de feestgangers van 1823 bezongen de hervormingen die ze met de boekdrukkunst voor ogen hadden.
De boekwetenschap heeft de boekhandel en uitgeverij in de voormalige kolonie, inclusief de zogeheten boekcultuur – het maken, (ver)kopen, lezen en bewaren van boeken – tot nog toe buiten beschouwing gelaten. Dat is dan ook de aanzet geweest tot dit boek.
Het is niet zo dat er nooit aandacht is geweest voor drukwerk in de kolonie. In 1996 vroeg boekhistoricus Berry Dongelmans zich al af hoe de boekhandel in Nederlands-Indië georganiseerd was, maar tot nadere uitwerking ervan kwam hij niet. Over de boekhandel in de voc-periode is meer beschikbaar. In Nederland publiceerde J.H. Landwehr een bibliografie. De Amerikaanse Katherine Smith Diehl kwam met een soortgelijke inventarisatie van drukwerk uit de voc-tijd, waarin ze de nasleep meeneemt tot aan 1850. De periode vanaf 1850 zit in het boek van Zubaidah Isa, dat niet in een handelsuitgave is verschenen en een heel lange periode bestrijkt (1602-1970) waardoor het een erg globaal karakter heeft. Gerard Termorshuizens studie naar kranten en tijdschriften tussen 1744 en 1942 is veel gedetailleerder. Hij heeft in twee omvangrijke boekdelen de geschiedenis van de Nederlandstalige kranten in Nederlands-Indië geschetst, en dat werk is voor mij een bruikbaar naslagwerk gebleken. Hierin zijn bekende bladen als de Java-Bode en De Locomotief beschreven maar ook de minder bekende zoals de Malang Courant of de Jupiter. Voor onderzoek naar belangrijke journalisten en avonturiers die zich met de nieuwsgaring bezighielden is zijn boek de beste bron. Uitgevers en drukkers worden er ook in besproken, maar veel minder uitgebreid. Mirjam Maters deed onderzoek naar het overheidsbeleid ten aanzien van kranten. Ahmat Adam heeft de niet- Nederlandstalige pers in Nederlands-Indië beschreven in een Engelstalige studie waar ik eveneens dankbaar gebruik van heb kunnen maken.
En dan zijn er enkele deelstudies. Zo heeft Doris Jedamski de uitgeverij Balai Poestaka geanalyseerd, Mikihiro Moriyama de Soendanese boekcultuur en er zijn studies naar losse auteurs of genres zoals Chinees- Maleise fictieschrijvers of de handschriftelijke overlevering. Het merendeel van de studies is door Nederlanders geschreven, al zijn er ook Australische, Japanse en Amerikaanse onderzoekers mee bezig geweest; en een enkele Indonesische onderzoeker, en dan vooral met de publicaties in lokale talen.

 

© 2020 Lisa Kuitert

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum