Leesfragment: Mrs. Degas

30 augustus 2020 , door Arthur Japin
|

1 september in de winkel, en 5 september bij Athenaeum Boekhandel Haarlem: Arthur Japins nieuwste roman Mrs. Degas! Wij publiceren voor.

Parijs, 1912. Edgar Degas, de schilder, is blind geworden. Wanneer hij zijn huis uit moet, duikt een jonge vrouw op om zijn archieven te helpen ordenen. Zij is echter niet wie zij beweert te zijn en in het geheim brengt zij verslag uit over haar bezoekjes, waarbij zij welbewust Degas’ herinnering wekt aan de enige – en onmogelijke – liefde van zijn leven: zijn blind geworden Amerikaanse nichtje Estelle, een Creoolse uit New Orleans, die hij daar schilderde terwijl zij bloemen aan het schikken was.
Aan wie schrijft zij deze verslagen? En waarom blijft zij maar hameren op Degas’ meest pijnlijke herinnering?

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Geluk, een geheimtaal. Lees ook onze bespreking van Japins vorige roman en fragmenten uit Japins romans Kolja, De gevleugeldeDe man van je leven en Vaslav.

 

Er is een leeg wit vel en het moet vol.
Die eerste lijn... De drang om haar te zoeken. De moed om haar te zetten. Je hand fladdert boven het papier, nerveus. Vingers als libellen, bang om neer te strijken. Zoeken. Tasten. Toch teruggeschrokken weer omhoog. Dat moment van aarzelen waarin alles nog idee is. Tot aan de eerste uithaal liggen alle paden open. Gezegende wanhoop. Almachtige onwetendheid.
Uiteindelijk landt de houtskool en trekt een zwarte vore door het ongerepte.

Inbeelding is afbeelding geworden, onherstelbaar. Een eerste lijn, waartegen je je afzet met een tweede. Is het doek eenmaal bevlekt, is de aanval op het lege vel begonnen, dan moet je door op wat je hebt.
Spijt krijgen, doezelen. Krassen in de schoonheid, kruisen door het ideaal. Creëren is beperken. Iets komt tot leven omdat jij het zijn oneindigheid ontneemt. Zoals wijzelf ontstaan. Dankzij begrenzing. Scheppen is mogelijkheden wegstrepen. Snoeien in potentie. Vrijheden opgeven en dromen inperken. Gedachten vastleggen. Vluchtwegen barricaderen. Je dacht alles te kunnen, maar volbrengt alleen dit ene. Het vullen van een vel.

Vier uur lang heb ik een van mijn modellen ooit de haren geborsteld, alleen om de structuur te kennen, ín haar te geraken, vrouw te worden, de beweging van het kammen te doorgronden, voordat ik durfde een eerste lok te schetsen.
‘Nooit naar het leven tekenen,’ waarschuwde Ingres, ‘alleen uit het geheugen.’

Een kunstenaar heeft de onbegrensde mogelijkheid gezien. En uit dat alles, wist hij niet meer voort te brengen dan dit ene. Daarom kan hij zelf nooit tevreden zijn.
Toch wordt hij, als de voorstelling eenmaal staat, door iedereen geroemd omdat hij iets uit niets wist voort te brengen. Maar iets wat je schept komt niet uit niets, het komt uit alles.

 

37, rue Victor-Massé

Parijs,1912

Eerste verslag

Die man zo oud, de plek, die grimmigheid, ik stond te trillen op mijn benen. En precies zoals jij zei, mijn god, die kop, hij oogt volstrekt verwilderd! Zeker twee, drie jaar zijn die haren en die baard niet meer geknipt en op een wasbeurt kunnen we alleen maar hopen. Dat iemand zo leven wil. Of nee, zijn wil heeft daar natuurlijk weinig mee te maken, het is meer dat een man alleen de moed niet altijd op kan brengen.

Even dacht ik dat mijn stem zou breken, maar hij had niets door. Hij ging er helemaal van uit dat ik door de oude Zoë was gestuurd ter vervanging van het arme kind dat nu tijdelijk zijn eten kookt en schoon moet maken in die gribus, en aan wie hij een bloedhekel heeft.
Het schoot door mij heen hem in die waan te laten. Dat was ook een goede dekmantel geweest. Misschien zelfs beter. Als hulp in de huishouding zou ik vrij in en uit kunnen lopen en de hele zaak bestieren. Ik zou zonder dat het vragen oproept alle kamers kunnen binnengaan, en betrapt hij mij vandaag of morgen met mijn handen in een lade waar ik niets te zoeken heb, dan is de grote schoonmaak een aannemelijk excuus.
Was ik koudbloediger geweest, dan had ik misschien van onze opzet durven afwijken, een schortje voorgebonden en beaamd dat ik zijn nieuwe dienstmeid ben. Voor ons dubbelspel had het niet uitgemaakt. Wat mij weerhield, was dat ik bij de eerste de beste maaltijd door de mand zou vallen, want zoals Estelle – God hebbe haar ziel – mij iets te vaak verweten heeft: als ik ergens niet voor in de wieg ben gelegd, is het wel koken. Ik bleef dus bij het plan zoals wij het hebben door - gesproken en zei hem dat ik was aangenomen om de vacature te vervullen.
‘Wat voor vacature?’ bromde hij. ‘Maak meteen maar rechtsomkeert, juffrouw, en probeer het ergens als modinette want ik weet van geen vacature.’
Ik hield stand en zei, zoals jij had aangeraden, dat ik door Paul Durand-Ruel was ingehuurd en ook al ben betaald om te helpen met de inventarisatie van zijn archief en de verhuizing. (Je weet toch zeker dat Paul en zijn zoons ons zullen dekken, hè, mocht mijn verhaal ooit worden nagetrokken?)
‘Verdomde bemoeizucht!’ riep hij. ‘Van alle ongemakken van de oude dag is naastenliefde het minst draaglijk. Ik raad iedereen aan voortijdig te sterven, want als oud mens raak je verstikt door ongevraagde hulp.’

Ik was gekomen onder zakelijk voorwendsel. Zo stelde ik me dus op, professioneel. Ik trok een notitieboekje tevoorschijn en werkte op ambtenaarstoon een aantal vragen af.
‘Op welke datum moet deze woning worden opgeleverd?’
‘Als het aan de aannemers ligt? Eind van de maand.’ Zijn vingers streelden de lambrisering, argeloos, zoals je een hond aait die om aandacht bedelt. ‘Misschien valt het een week of wat te rekken. Hoe dan ook willen ze voor de zomer alles platleggen en dit jaar nog beginnen met de nieuwbouw. Zakenlui. Geen hart. Het gaat iedereen te goed. De grond is te veel waard, ze kunnen amper wachten om hun winst te innen.’
‘Hoeveel etages zijn het?’
‘Drie.’
‘En staat het overal zo vol als hier?’ ‘Voller. Ik dacht, in deze kamer laat ik wat ruimte voor ontvangst van ongenode gasten.’
Tevreden over zijn verwijt keek hij mij voor het eerst recht aan.

Het is alsof je in een doodshoofd kijkt! Je had me gewaarschuwd, maar mijn hart kromp ineen. Kan het bestaan, dacht ik, is dit alles wat er over is van een blik die de wereld zoveel kleur heeft gegeven?
Ik weet niet hoever hij heen was toen jij hem voor het laatst gezien hebt, maar nu is ook het spierweefsel geatrofieerd. Het vet achter de oogbollen is opgelost, zodat ze verzinken in de kassen. Die dieptewerking wordt versterkt door de huid rondom, die ongezond donker is, blauwig als een lijkvlek. De oogleden hangen als half opgetrokken gordijnen voor een leeg toneel. Daarachter, ver weg tussen de wimpers, turen pupillen als twee speldenprikjes in de leegte.
Zijn dit de ogen die ooit mij hebben bestudeerd? Indertijd moet hij mij er geduldig mee hebben afgetast. Of óngeduldig juist, want terwijl hij met zijn schetsboek in de weer was zal ik heus niet stil hebben gelegen. (Ik weet van jouw kinderen dat hij gek van ze werd omdat zij, terwijl hij ze probeerde vast te leggen, maar bleven spelen en rondkruipen. Erg genoeg is dat zowat alles wat zij zich van de arme kerel herinneren: zijn voortdurende wanhoop omdat zij het verdomden stil te zitten zoals zijn Parijse modellen.)
Weet je zeker dat hij nog steeds contouren ziet en schaduwen kan onderscheiden ? Dat hij in mijn richting keek, leek meer een toevalstreffer, want toen ik, van ongemak en schrik, wat ging verzitten volgde zijn blik mij niet, maar bleef straal over mijn schouder staren, rustend op een oneindig niets.

[...]

 

Copyright © 2020 Arthur Japin

pro-mbooks1 : athenaeum