Leesfragment: Overstag

14 juni 2020 , door Amity Gaige
| | |

16 juni verschijnt Overstag, de nieuwe roman van Amity Gaige (Sea Wife, vertaald door Ton Heuvelmans). Lees bij ons alvast een fragment.

Juliet heeft moeite het ouderschap te combineren met het voltooien van haar proefschrift. Dan kondigt haar echtgenoot Michael aan dat hij zijn baan gaat opzeggen en een zeilboot wil kopen om de wereld mee rond te varen. Hoewel het stel nauwelijks ervaring heeft met zeilen, vertrekken ze met hun twee kinderen, Sybil van zeven en George van twee, naar Panama. Daar ligt de Juliet, zoals Michael de boot gedoopt heeft, op hen te wachten.

De reis begint fantastisch: het huwelijk van Michael en Juliet krijgt een boost en ook de kinderen zijn overdonderd door de schoonheid van de natuur en het avontuur. Maar de zee en het dicht op elkaar leven zorgen ook voor problemen in het gezin.

 

I

Hoe begint een vergissing? De laatste tijd vind ik deze simpele vraag nogal moeilijk te beantwoorden. Onmogelijk zelfs. Een vergissing heeft haar oorsprong in zowel tijd als ruimte – in iemands redeneringen en in haar verblijfplaats. Ergens op het kruispunt van die twee dimensies bevindt zich de nauwkeurig begrensde vergissing – in zeevaarttermen: bij de coördinaten.
Is mijn vergissing begonnen met de boot? Of met mijn huwelijk? Ik denk het niet. Mijn vergissing is waarschijnlijk geworteld in een argeloze ervaring die ik vergeten was te ontcijferen, waarvan het geheim mij stil letjes in zijn macht heeft gekregen. Zo herinner ik me bijvoorbeeld dat ik op mijn twaalfde naast het verblindend blauwe zwembad van een Howard Johnson-motel stond en door een halfopen gordijn zag hoe een stelletje elkaar uitkleedde, terwijl de van mij vervreemde vader in de lobby be zwaar stond te maken tegen de hotelrekening. Had ik mijn blik moeten afwenden? Had de misrekening al eerder plaatsgevonden, toen ik nog op een kokosmat in het heldere zonlicht in de kleuterschool zat en me naar de jongen naast me toe boog en zijn aanhoudende gefluister aanhoorde? Ik voel nog steeds de dauw in mijn oor.
En nu zit ik in een inloopkast.
Michaels inloopkast.
Dat moet ik uitleggen.
Ik ben er een paar dagen geleden in gaan zitten. Ik was op zoek naar iets van hem en ontdekte dat de vloerbedekking erg zacht is. Door de dubbele klapdeuren valt het zonlicht prachtig gefilterd naar binnen. Hier voel ik me rustig.
Ik weet dat kinderen zich vaak verbergen in inloopkasten. Als kind ver borg ik me ook vaak in de kast van mijn moeder. In haar kast hingen chique jurken en wollen kleren die ze nooit droeg. Ik vond het leuk om die stoffen tegen mijn lichaam te houden, of om haar hoge pumps aan te doen, alsof ik op een podium liep en me voorbereidde op mijn toekomst. Daar schaamde ik me nooit voor.
Er bestaat vast en zeker een verband tussen dat verstoppen in mijn moe ders kast lang geleden en in Michaels kast nu, maar dat inzicht schept geen duidelijkheid.
Soms schrijft het leven korte, afschuwelijke versjes voor je.
Ik weet niet of ik vandaag wel doorkom.
Ik bedoel, of ik dat zou willen.
Om eruit te gaan, naar buiten te gaan, is voorbereiding en kalmte nodig. Als ik naar buiten ging, ging rondlopen, weer mensen tegenkwam, weer naar de winkel ging en mijn leven weer oppakte, dan zou iemand mij vast en zeker vragen: 'Wou je niet dat je nooit was gegaan?' En dan verwachten ze dat ik zeg: 'Ja, die reis van ons was een vergissing.'
Misschien hopen ze dat ik dat zal zeggen.
Maar ja zeggen tegen de bootreis was de grootste uiting van trouw aan mijn man.
Ik mag daar geen spijt van krijgen.
Als ik dat wel doe, blijf ik alleen achter met al mijn trouweloosheid.

17 januari, 10.15 uur. Logboek van het jacht Juliet. Van Porvenir naar Cayos Limones. 09º 33,5' N.B. 078º 56,98' W.L. Wind N.W. 10 knopen. Zee 30-120 centimeter. opmerkiIngen: Wij bevinden ons op 102 zeemijl O.N.O. van Panama-stad, heersende wind richting de autonome ar chipel San Blas. Het silhouet van de kust is nog zichtbaar achter ons, maar voor ons is alleen water. Alleen maar water. Een grote moeder- oceaan. Op zulke momenten realiseer ik me dat er maar een oceaan is. Oke, er zijn baaien & zeeen & engtes. Maar dat zijn maar woorden. Kunstmatige onderverdelingen. Als je eenmaal op zee zit, zie je dat het één ononderbroken waterrijk is.
Dat gevoel zou je nooit krijgen op de wal.
(Althans niet in ons land).
Wat een gevoel. Generaties zeelui hebben dit nooit kunnen beschrijven, dus hoe groot is mijn slagingskans? Ik, Michael Partlow. Michael Partlow, die niet één titel van een gedicht kan noemen. Vraag dat maar aan mijn vrouw, die heeft haar hoofd er vol mee.

Toen ik hem leerde kennen, dacht ik: ik zou nooit trouwen met zo’n man. Een pietje-precies. Te conventioneel. Geen gevoel voor humor! Maar ik vergiste me. Door het huwelijk, de kinderen en de sleur werd Michael on gelooflijk geestig. En hij werd steeds geestiger terwijl ik, die ooit geestig was geweest, steeds minder geestig werd.
Er hing een tanktop waar hij een bijgelovige band mee had toen we nog op de boot woonden. Door de herinnering aan die tanktop moet ik keihard lachen. Als je rondvaart in een heet klimaat, ga je zo min mogelijk kleren dragen. En rondvarende jongeren kleden zich als psychoten – gras rokjes, flamencojurken met modderlaarzen, lasbrillen en schelpenkettin gen – souvenirs van plaatsen die ze bezocht hebben. Ik heb geen idee waar Michael die tanktop vandaan had. Panama-stad? Hij was wit, met enorme armsgaten. Als hij op de wal stond, stralend, met dat jongensachtige ge zicht en dat ongewassen haar, leek hij op een scholier die zo’n twintig jaar geleden was zoekgeraakt op een schoolreisje.

De bemanning van ons schip is fit en opgewekt. Bootsman Sybil Part low (zeven jaar oud) zit in de kuip op schoot bij stuurvrouw Juliet Partlow. Matroos George ‘Doodle’ Partlow (tweeënhalf jaar oud) doet zijn best overeind te blijven op de kalme deining. Hij heeft geen broek aan en wacht tot de stuurvrouw hem over de reling laat plas sen. Zijn beperkte vocabulaire is maritiem van aard. ‘Boot ja! Vis ja!’ We kregen zojuist bezoek van een reusachtige zeeschildpad! Hij kwam aan bakboord langszij en stak zijn kop als een periscoop uit het water. Volgens Sybil is het een spion. Telkens als Sybil iets leuks zegt, wil ze dat ik het opschrijf. Die schildpad is een spion, schrijf dat maar in je boek, pap.
'Pardon?' zeg ik. 'Heb je het tegen mij? Hoe heet ik op zee, bootsman?'
Ze zegt lachend: 'Goed, schrijf dat maar in je boek, kapitein.'

De tanktop was zo grappig omdat hij normaal gesproken zo'n nette vent, zo'n dandy en opruimer is. Hij kan bijna zonder slaap. Zijn moe der zei dat hij altijd al zo geweest was. Hier thuis werkte hij tot 's avonds laat: e-mails versturen en verslagen schrijven, maar meestal wat aan klooien. Elektrische bedrading bestuderen door een apparaat uit elkaar te halen, of speelgoed maken voor de kinderen. Soms stak hij zelfs de beek over en stookte daar een vuurtje, zodat we insliepen bij een lande lijke rooklucht.
's Morgens ging hij okselfris naar zijn werk. De kinderen mochten niet eten in zijn auto. Crackers, snoepjes: streng verboden. Maar de gezins auto, mijn auto? Geen probleem. Een dikke laag composterende organi sche troep onder de stoelen. Geheimzinnige voorwerpen die tegen de wielkasten botsten als ik de bocht scherp nam.
Nu ik hier zo zit, begrijp ik dat. Ik begrijp hoe prettig het voor hem moet zijn geweest om een eigen territorium te hebben, een inloopkast waar je schoenen staan, waar de buitenwereld ver weg is en je het hele maal voor het zeggen hebt.
Mijn inloopkast, aan de andere kant van de slaapkamer, is rommelig. Ik ben ermee opgehouden hem op te ruimen toen Sybil een peuter was. Nadat ik maandenlang mijn blouses keurig had opgehangen, liet ik ze al lemaal op de grond liggen nadat zij ze van de hangertjes had getrokken. Ze kwam de kast uit gestommeld met mijn schoenen aan, zwalkend als een dronkenlap, en liet die ergens achter waar ik ze niet kon vinden.
Maar ik ben een moeder. Op den duur heb ik al mijn eigen ruimtes opgegeven, tot en met de laatste inloopkast.

17 januari, 18.00 uur. Logboek van het jacht Juliet. Cayos Limones. 09º 32,7' N.B. 078º 54,0' W.L. opmerkingen: Zonder problemen hier op Cayos Limones aangekomen & stevig voor anker bij klein eilandje. Sybil springt van de spiegel af, terwijl haar moeder Doodle helpt zijn natte shirt uit te trekken.

Smile! zeiden ze vroeger tegen sneue meisjes als ik. Toen kwam het fe minisme en was het: sterf met je smile! Een jongen zou je nooit dwingen om te lachen. Maar nu blijkt – onderzoek heeft dat uitgewezen – dat de fysieke handeling van het glimlachen wel degelijk je gevoel van welbevin den vergroot.
En dus oefen ik soms.
Ik zit hier in mijn inloopkast en trek een grimas.

18 januari, 02.00 uur. Logboek van het jacht Juliet. Cayos Limones. op merkingen: We naderen langzaam het absolute niets. Limones is een ongerepte archipel met veel beschutte eilandjes met daaromheen rif fen & glashelder water. Alleen het geluid van de branding brekend op het rif aan loefzijde. Het is midden in de nacht en ik kan de slaap niet vatten. Zojuist alle roestende klemmen op de accu schoongemaakt. Meer mensen hier dan ik zou willen, dankzij de nabijheid van het vas teland. Ze komen van over de hele wereld. In elk geval hebben onze kinderen andere kinderen om mee te spelen, en Juliet heeft andere vrouwen om mee te klagen bij glazen warme witte wijn.
Ik weet dat het nogal radicaal lijkt wat wij doen. Maar in werkelijk heid zijn er zo ontzettend veel mensen hier, verspreid over de hydrosfeer. Zeilboten, sloepen, catamarans, imitaties van beroemde schoeners, rijke paranoïde figuren, pensionado’s, mensen die hun kat hebben meegenomen. Mensen die hun hagedissen hebben meegenomen, mensen die ervan balen om een kwart van hun inkomen aan de overheid te moeten afdragen, vrije geesten, charlatans en ja, ook kinderen. Er zijn duizenden kinderen die op dit moment de wereld over varen en van wie sommigen zelfs nog nooit aan land hebben gewoond.
Wij beweren dat we willen dat kinderen opgewekt/niet-materialis tisch/flexibel zijn. En dat zijn varende kinderen. Ze klimmen in de mast & weten alles van onbekende planten. Het kan ze niks schelen hoe iemand die ze ontmoeten eruitziet, soms spreken ze niet eens dezelfde taal, maar ze komen er altijd uit. Ze zitten niet de hele tijd de ene levensstijl te vergelijken met een andere. 71% van de aarde be staat uit oceaan. Deze kinderen kunnen niet werkelijk geloven dat zij het centrum van de wereld vormen. Want waar zou dat precies moe ten zijn? Ze meten hun dagen af tegen een onpartijdige & eindeloze horizon.

Ik wil beginnen met de opmerking dat het kopen van een boot het meest absurde idee was dat ik ooit heb gehoord. Ik was alleen maar ooit aan boord geweest van een veerpont, en Michael had na zijn studie niet meer gezeild.
‘Dat is zeker een geintje,’ zei ik tegen hem. ‘Jij wilt dat ik, en onze twee bloedjes van kinderen, met jou op een boot gaan wonen midden op zee?
‘Het is maar voor een jaar,’ zei hij.
‘Ik kan niet eens zeilen, Michael!’
‘Je hoeft ook niet te kunnen zeilen,’ zei hij. ‘Je hoeft alleen maar te weten welke kant je de boot op moet sturen. De rest leer ik je onderweg wel.’
‘Je bent gek,’ zei ik.

Maar zelfs Juliet was moeilijk te overtuigen. Hoe verkoop je het aan je vrouw dat het voordelig kan zijn om risico’s te nemen? Uiteindelijk, als jouw vrouw net zo is als de mijne, is ze waarschijnlijk met je getrouwd vanwege je standvastigheid.
Om Juliet ervan te overtuigen dat ik de boot best kon kopen, moest ik de beroemde verkoper die iedereen alles aan kon praten, mijn va der, Glenn Partlow, inschakelen. Je kon mijn pa niet gelukkiger mee maken dan wanneer hij op Lake Erie kon zeilen met zijn oude West sail 32. Die had hij voor de grap gekocht van een of andere collega die er snel van af wilde. In die tijd kon zelfs een chef-technicus in de gm- fabriek zich blijkbaar een boot veroorloven. Hij lag in een jachthaven aan Lake Erie op ongeveer een half uur rijden van ons huis. Mijn zus Therese voer de eerste paar keren met ons mee, maar ze werd steeds zeeziek. Daarna waren het alleen mijn pa & ik op een boot die geen van ons beiden kon betalen.
De boot heette Odille. Waarschijnlijk een oude vlam van iemand. Mijn moeder wilde niets te maken hebben met de boot. Ze ging he lemaal op in onze opvoeding, wat niet betekende dat dat goed was voor haar of voor ons. Dat deden moeders als zij destijds nu eenmaal in Ashtabula, Ohio. Ze bracht ons overal heen, reikte ons onze trom petkoffer of lunchpakket aan. Als pa & ik gingen zeilen met de Odille, klaagde ze nooit. Althans niet tegen mij.
We hebben niet meer dan ruim twintig van die tochtjes gemaakt, maar die staan in mijn geheugen gegrift. Ik herinner me het flessen groene wateroppervlak van dat winderige meer, de korte golfslag. Als ik dertien wilde worden, dan moest ik snel bijleren. Welke schoot ik moest aantrekken, welke ik moest vieren, hoe ik de lijnen moest klaarleggen voor pa, wanneer ik iets kon vragen, wanneer ik mijn mond moest houden. Ik wilde hem niet lastigvallen. Hij zag er erg belangrijk uit aan het roer.
Toen ik in klas drie zat bood GM mijn vader een overplaatsing aan van Parma, Ohio naar Pittsburgh. Om redenen waar ik nooit naar heb gevraagd, nam hij het aanbod aan & verkocht de Westsail.
Hij bracht ons onder in een bescheiden bakstenen huis op een helling in de stad Bridges, waar je, als het gevroren had, de steile straten niet op kon rijden.
Vooral dat laatste detail veranderde mijn leven.

Natuurlijk zei ik nee. Mijn eerste reactie was er een van shock. Ik dacht dat hij gek geworden was. Moesten de kinderen en ik op een boot gaan wonen? Michael had evengoed kunnen zeggen: ‘We gaan ondersteboven wonen en dan lopen we over het plafond.’

 

© 2020 Amity Gaige
© 2020 Nederlandse vertaling Ton Heuvelmans en Meulenhoff Boekerij bv

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum