Leesfragment: Verdwijnende aarde

28 september 2020 , door Julia Phillips
|

Nu in de winkel: Julia Phillips' debuutroman Verdwijnende aarde (Disappearing Earth), vertaald door Els de Roon Hertoge en Annelies de Hertogh. Lees op Athenaeum.nl de eerste pagina's.

Op een middag in augustus, aan de kust van Kamtsjatka, verdwijnen twee zusjes. In de daaropvolgende maanden lukt het de politie niet de zaak op te lossen. Echo’s van de verdwijning weerklinken in een hechte gemeenschap, de angst en het verdriet zijn vooral voelbaar onder de vrouwen.

Gedurende een jaar volgen we met verbazingwekkende scherpte de levens van hen die zijn verbonden door de misdaad: een getuige, een buurvrouw, een detective, een moeder. Op de achtergrond de ruige schoonheid van het gebied: dichtbeboste wouden, uitgestrekte toendra’s, stomende vulkanen en ijzige zeeën die grenzen aan Japan en Alaska. Een gebied even complex als verleidelijk, waar sociale en etnische spanningen sudderen en waar buitenstaanders vaak als eerste worden beschuldigd.

  • ‘Meesterlijk. Een diepgaand onderzoek naar verlies en verlangen.’ New York Times Book Review
  • ‘Verslavend en buitengewoon goed geschreven.’ The Boston Globe
  • ‘Fascinerend en zeer ontroerend. Ik werd er compleet in meegesleurd.’ The Wall Street Journal

Augustus

Sofia stond bij de rand van het water met haar sandalen uit. De baai sloop naderbij en slokte haar tenen op. Grijs zout water over lichte huid.
‘Niet verder gaan,’ zei Aljona.
Het water week terug. Aljona kon de kiezels onder de curven van Sofia's voetholten zien, de veeg grind, door kleine golfjes achtergelaten. Sofia bukte zich om haar broekspijpen op te rollen en haar paardenstaart floepte naar voren over haar kruin. Op haar kuiten zaten schilferige bloedstrepen van opengekrabde muggenbulten. Aan de starre lijn van Sofia’s rug kon Aljona zien dat haar zusje niet van plan was te luisteren.
‘Dat kun je beter niet doen,’ zei Aljona.
Sofia kwam weer overeind met haar gezicht naar het water toe. Het was kalm, met lichte rimpelingen, wat de baai de aanblik gaf van een gehamerde tinnen plaat. Daar waar het water de Stille Oceaan in werd getrokken en Rusland achter zich liet, de open zee tegemoet, was de stroming sterker, maar hier was het tam. Het was van hen. Met de handen op haar smalle heupen overzag Sofia de breedte van de baai, de bergen aan de horizon, de witte lichtjes van de militaire basis aan de tegenoverliggende kust.
Het kiezelzand onder de zusjes bestond uit brokjes van grotere stenen. Aljona leunde tegen een steen met het formaat van een wandelrugzak, en een meter achter haar bevond zich de afbrokkelende rotswand van de Sint-Nicolaasheuvel. Met het water aan de ene en de rots aan de andere kant hadden ze deze middag langs de kust gewandeld tot ze dit plekje hadden gevonden, vrij van flessen en veren. Als er zeemeeuwen in de buurt neerstreken joeg Aljona ze weg met een zwaai van haar arm. De hele zomer was het fris en miezerig geweest, maar op deze augustusmiddag was het warm genoeg voor korte mouwen.
Sofia zette een stap naar voren en haar hiel verdween onder water.
Aljona richtte zich op. ‘Soof, ik zei nee!’ Haar zusje stapte achteruit. Een meeuw vloog over. ‘Waarom moet je zo stom doen?’
‘Doe ik niet.’
‘Jawel. Dat doe je altijd.’
‘Nee,’ zei Sofia en ze draaide zich om. Aljona ergerde zich aan alles: Sofia’s iets schuinstaande ogen, haar dunne lippen, scherpe kaaklijn, zelfs het puntje van haar neus. Sofia was acht maar zag eruit als zes. Aljona, drie jaar ouder, was zelf al klein voor haar leeftijd, maar Sofia was iel in alle opzichten, van heup tot hals, en soms gedroeg ze zich als een kleuter: ze had altijd een rijtje knuffelbeesten aan haar voeteneinde, speelde dat ze een wereldberoemde ballerina was, kon ’s nachts niet in slaap komen als ze toevallig één horrorscène op televisie had gezien. Hun moeder liet haar begaan. Als tweede kind had Sofia het voorrecht om haar hele leven het kleintje te blijven.
Terwijl ze haar blik strak op de rots richtte, op een punt hoog boven Aljona, trok Sofia een voet uit het water, spitste haar natte tenen en tilde haar armen op in de vijfde positie. Ze viel bijna en herstelde zich. Aljona zocht een andere houding op de stenen. Hun moeder probeerde Aljona altijd zover te krijgen dat ze haar zusje meenam op bezoek bij klasgenootjes, maar dit soort kleine misdragingen waren precies de reden waarom ze dat niet wilde.
Daarom hadden ze hun zomervakantie alleen in elkaars gezelschap doorgebracht. Aljona had Sofia de achterwaartse radslag geleerd op het nattige parkeerterrein achter hun flat. In juli hadden ze een busrit van veertig minuten gemaakt naar de gemeentelijke dierentuin, waar ze tussen de tralies door snoepjes hadden gevoerd aan een gulzige zwarte geit. De spleetvormige pupillen van het beest draaiden in haar kop. Later die middag had Aljona
een nog ingepakt karamelsnoepje door een gaashek geduwd voor een lynx, die naar de zusjes blies tot ze achteruitstapten. Het snoepje bleef liggen op de cementvloer. Tot zover de dierentuin. Als hun moeder ’s ochtends wat geld voor Aljona en Sofia achterliet voor ze naar haar werk vertrok, gingen de zusjes naar de bioscoop en deelden ze een bananen-chocoladecrêpe in het café op de eerste etage. Maar de meeste dagen hingen ze rond in de stad en keken ze hoe de regenwolken zich samenpakten en het zonlicht zich verspreidde. Hun gezichten bruinden beetje bij beetje.
Ze wandelden, fietsten of kwamen naar dit strand.
Terwijl Sofia balanceerde, tuurde Aljona de kust af. Een man zocht zich een weg over de rotsen. ‘Er komt iemand aan,’ zei Aljona.
Haar zusje plonsde haar ene voet neer en trok de andere op. Sofia gaf er misschien niet om dat iedereen haar gek zag doen, maar Aljona, haar metgezel tegen wil en dank, wel. ‘Hou op,’ zei Aljona. Luider. Aanwakkerende woede op de tong. ‘hou op.’
Sofia hield op.
De man was niet meer te zien bij de waterlijn. Hij moest een schoon plekje hebben gevonden om te gaan zitten. Alle frustratie die zich in Aljona had opgehoopt trok weg, als bij een bad waar je de stop uit haalt.
‘Ik verveel me,’ zei Sofia.
Aljona ging op haar rug liggen. De steen was hard onder haar schouders en koud onder haar hoofd. ‘Kom hier,’ zei ze, en Sofia stapte de baai uit, liep voorzichtig naar Aljona en wurmde zich naast haar. De kleinste steentjes knarsten tegen elkaar. Door de wind was Sofia’s lichaam zo koud geworden als de grond. ‘Zal ik een verhaaltje vertellen?’ vroeg Aljona.
‘Ja.’
Aljona keek op haar telefoon. Ze moesten op tijd thuis zijn voor het eten, maar het was nog niet eens vier uur. ‘Ken je het verhaal van het stadje dat weggespoeld werd?’
‘Nee.’ Voor iemand die nooit gehoorzaamde kon Sofia heel aandachtig zijn. Haar kin ging omhoog en haar lippen persten zich op elkaar in opperste concentratie.
Aljona wees langs de kust naar de allerverste rotsen. Rechts van de meisjes was het centrum van de stad, waar ze deze middag vandaan waren komen wandelen; links markeerden die zwarte kolossen de monding van de baai. ‘Daar stond het.’
‘In Zavojko?’
‘Voorbij Zavojko.’ Ze zaten recht onder de Sint-Nicolaasheuvel. Als ze vandaag de kustlijn verder hadden gevolgd, hadden ze de rotsige flank van de heuvel langzamerhand lager zien worden, tot de opgestapelde blokken van een stadswijk daarboven zichtbaar werden. Sovjetflats van vijf verdiepingen, met een lappendeken aan betonnen gevels. De houten geraamtes van ingestorte huizen. Een roze-gele torenflat met spiegelglas en een spandoek dat reclame maakte voor te huren kantoorruimte. Zavojko bevond zich nog kilometers verder en was de laatste wijk van hun stad, Petropavlovsk-Kamtsjatski, het laatste stukje land voor de zee begon. ‘Het stond op het uiteinde van de rots waar de oceaan en de baai samenkwamen.’
‘Was het een grote stad?’
‘Het was een soort nederzetting. Een soort dorp. Nog geen vijftig houten huizen vol soldaten, vrouwen en kinderen. Het speelt jaren geleden. Na de Grote Vaderlandse Oorlog.’
Sofia dacht na. ‘Was er een school?’
‘Ja. Een markt, een apotheek. Alles. Een postkantoor.’ Aljona schetste een plaatje: muren van gestapelde stammen, met houtsnijwerk versierde vensters, turquoise geverfde deuren. ‘Het zag eruit als een sprookje. En midden in het dorp stond een vlaggenstok, en er was een plein waar de mensen hun ouderwetse auto’s parkeerden.’
‘Oké,’ zei Sofia.
‘Oké. Nou. Op een ochtend maken de dorpsbewoners hun ontbijt, ze geven hun kat eten, ze kleden zich aan om naar hun werk te gaan en dan begint de rots te schudden. Het is een aardbeving. Ze hebben nog nooit zo’n zware gevoeld. Muren bewegen, kopjes vallen kapot, meubels...’
Aljona zocht even het grind af, maar er lag geen aangespoelde tak in de buurt om in tweeën te knakken.
‘... meubels breken in stukken. De baby’s liggen te huilen in hun wiegjes en hun moeders kunnen niet bij ze komen. Ze kunnen niet eens overeind komen. Het is de grootste aardbeving die het schiereiland ooit heeft meegemaakt.’
‘Worden ze bedolven onder hun huizen?’ giste Sofia.
Aljona schudde haar hoofd. De steen waarop ze lag duwde tegen haar schedel. ‘Luister nou maar. Na vijf minuten houdt het schudden op. Voor de mensen lijkt het een eeuwigheid. De baby’s blijven huilen maar de mensen zijn heel blij. Ze kruipen naar elkaar toe om elkaar te omhelzen. Er zitten misschien wat scheuren in de stoep, er zijn wat kabels gebroken, maar ze hebben het gehaald, ze hebben het overleefd. Ze liggen daar en houden elkaar vast, en dan zien ze door de gaten waar eerst de ramen zaten een schaduw.’
Sofia knipperde niet met haar ogen.
‘Het is een golf. Twee keer zo hoog als hun huizen.’
‘Boven Zavojko?’ vroeg Sofia. ‘Dat kan niet. Dat is te hoog.’
‘Voorbij Zavojko, heb ik toch gezegd. Deze aardbeving was daar krachtig genoeg voor. De schokken werden gevoeld tot in Hawaii. Zelfs in Australië vroegen de mensen aan hun vrienden: ‘‘Botste jij tegen me aan?’’ want er was iets waardoor ze op hun benen schommelden. Zo sterk was de aardbeving.’
Haar zusje zei niets.
‘De hele oceaan werd door elkaar geschud,’ zei Aljona. ‘Er kwam een golf van tweehonderd meter hoog. En die...’ Ze stak haar hand naar voren, hield hem parallel met het vlakke water in de baai en veegde over de horizon.
Er streek een koude lucht over hun blote armen. Ergens in de buurt riepen vogels.
‘Wat is er met ze gebeurd?’ vroeg Sofia ten slotte.
‘Dat weet niemand. Iedereen in de stad was afgeleid door de aardbeving. Zelfs in Zavojko merkten ze niet dat de lucht donkerder was geworden; ze hadden het druk met opruimen, kijken hoe het met hun buren ging, repareren. Toen er zeewater door de straten stroomde dachten ze gewoon dat het kwam door wat gesprongen leidingen hoger op de heuvel. Maar later, toen de elektriciteit het weer deed, merkte iemand dat er geen lichtjes waren aan het eind van de rots. De plek waar dat dorp was geweest, was leeg.’
De golfjes in de baai begeleidden haar woorden in een rustig ritme. Ssjj, ssjj... Ssjj, ssjj...
‘Ze gingen kijken en konden niets vinden. Geen mensen, geen huizen, geen stoplichten, geen wegen. Geen bomen. Geen gras. Het zag eruit als de maan.’
‘Waar waren ze naartoe?’
‘Weggespoeld. De golf had ze opgetild, precies daar waar ze lagen, zo.’ Ze leunde op een elleboog en greep Sofia’s schouder vast, de botten bewogen onder haar hand. ‘Zo dicht zat het water op hun lichaam. Het sloot ze op in hun huis. De golf tilde het hele dorp op en nam het mee naar de Stille Oceaan. En niemand heeft ooit nog iets van ze gehoord.’
Sofia’s gezicht was donker in de schaduw van de Sint-Nicolaasheuvel. Haar lippen waren van elkaar gegaan en lieten de geribbelde randjes van haar voortanden zien. Aljona hield ervan om haar zusje nu en dan zo bang te maken dat ze wit wegtrok.
‘Het is niet waar,’ zei Sofia.
‘Jawel. Ik heb het op school gehoord.’

 

© 2019 by Julia K.B. Phillips, Inc. All rights reserved.
© 2020 Nederlandse vertaling Els de Roon Hertoge, Annelies de hertogh en Meulenhoff Boekerij bv, Amsterdam

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum