Leesfragment: Viktor

20 maart 2020 , door Judith Fanto
|

Volgende week verschijnt Judith Fanto's debuut Viktor, een hartveroverende, waargebeurde familiegeschiedenis over de betekenis van familiebanden. Lees bij ons een fragment!

Wenen, 1914. De zesjarige Viktor Rosenbaum redt weeskind Bubi uit een vijver in het Praterpark. Tussen hen ontstaat een levenslange vriendschap en Bubi wordt opgenomen in de gegoede Weens-Joodse familie. Viktor, die maar niet wil deugen, ontpopt zich als patser en rokkenjager en maakt geen van zijn vele studies af, tot groot verdriet van de intellectuele Rosenbaums. De Anschluß in 1938 vormt een keerpunt: met heldhaftige vindingrijkheid en brutaliteit beschermt Viktor iedereen die hij liefheeft.

Nijmegen, 1994. Geertje Rosenbaum, de jongste telg van de familie, rebelleert tegen de angst en schaamte waarmee de Rosenbaums hun Joodse identiteit beleven. Wanneer houdt haar familie nu eindelijk op met onderduiken? En waarom wordt Viktor, de broer van haar grootvader, doodgezwegen? Als Geertje op onderzoek uitgaat, stuit ze op een onwaarschijnlijk familiegeheim.

De roman Viktor is het debuut van Judith Fanto en is gebaseerd op de lotgevallen van de Weens-Joodse familie van Fanto. Viktor heeft echt bestaan.

 

I

Mijn grootmoeder werd geboren op de dag dat Gustav Mahler stierf. Amper zeven jaar na de dood van Dvořák. En in de lente waarin Stravinsky’s Petroesjka zijn première beleefde.
Aan dat eerste feit hechtte mijn grootvader bijzondere betekenis. Hij leed aan een ernstige vorm van wat wij in onze familie ‘Mahleritis’ noemen: een koortsachtig verlangen naar het eigenhandig voltooien van Mahlers onafgemaakte muzikale nalatenschap, de Tiende Symfonie. Grootvader geloofde heilig in de kracht van de geboortedatum van zijn echtgenote. Bovendien hadden zijn eigen grootouders aan de Weense Schwarzenbergplatz een paar jaar lang bij Mahler om de hoek gewoond en die twee feiten zouden hem precies díé metafysische verbinding geven met de componist, die maakte dat hij de hiaten in de partituur geheel naar diens geest kon invullen.

Ofschoon geen van de andere familieleden mijn grootvaders radicale hartstocht voor Mahler deelde, vervulde de componist, toen toch al zestig jaar dood, in ons dagelijks leven een levendige rol. Natuurlijk werd bij ons, net als in alle meer of juist minder Joodse families, de alternatieve jaartelling ‘voor de oorlog – in de oorlog – na de oorlog’ gehanteerd. Maar om gebeurtenissen van voor de oorlog nauwkeuriger te dateren, bedienden de volwassenen zich van mijlpalen uit het leven van Gustav Mahler. Zo wist ik dat Laura, het zusje van mijn grootvader, was geboren op de winteravond waarop Mahlers Tweede Symfonie in de Wiener Musikverein werd opgevoerd en dat een oom van mijn grootmoeder was getrouwd op de dag dat Mahler zijn Vijfde voltooide.

Over die oorlog werd binnen onze familie overigens uitsluitend in bedekte termen gesproken. Anders dan veel andere kinderen uit Joodse families was ik met het trio ‘weggehaald, op transport gesteld en omgekomen’ – als eufemismen voor ‘opgepakt, gedeporteerd en vermoord’ – nauwelijks bekend. Zelfs deze bedrieglijk onschuldige begrippen waren mijn grootouders te veel. Over de moord op hun dierbaren spraken zij alleen in termen van het onweerlegbare resultaat. ‘Otto? Die leeft niet meer.’

In ons leven speelden de dode familieleden een even bescheiden als belangwekkende rol. Aan de ene kant vormden zij als gestileerde figuranten slechts het tweedimensionale decor om ons, de nog levende familieleden, als personages scherper te kunnen uitlichten. Tegelijkertijd fungeerde elk van de doden met zijn specifieke, bejubelde eigenschappen en talenten als Absolute Standaard Voor Juist Leven.
Zo was het monopolie op schoonheid binnen onze familie in handen van Laura en wij, de kleinkinderen, waagden het niet haar naar de kroon te steken. Eindeloos konden we staren naar het smoezelige zwart-witportretje van wat volgens onze grootouders ooit het mooiste meisje van Wenen was, dat wil zeggen: voordat de nazi’s haar met één kogel de dood injoegen, hetgeen zoals gewoonlijk werd samengevat met de woorden: ‘Laura? Die leeft niet meer.’
Waar Laura de godin was van de bekoorlijkheid was Otto, de neef van mijn grootvader, ons ijkpunt voor muzikale virtuositeit en niemand die zijn status van Beste Kindermusicus Ooit kon evenaren, al was het maar omdat Otto eeuwig jong zou blijven.

Zoals in elk behoorlijk drama kwam ook in onze familie een zwart schaap voor, een boze wolf, de acteur die door kinderen met luid boegeroep wordt begroet zodra hij opkomt. Die rol was weggelegd voor Viktor, de broer van mijn grootvader. In de verhalen kwam zijn naam niet of slechts zijdelings voorbij, en dan nog met een mengeling van verlegenheid en irritatie – in elk geval in relatie tot alles wat van twijfelachtige moraal was, zoals tutoyeren of staand eten.
Of neuspeuteren.

Zolang ik me kan herinneren eet ik uit mijn neus. Het mondgevoel bevalt me. De zilte smaak. Het idee snel en efficiënt iets op te ruimen dat in de weg zit.
Deze gewoonte dreef mijn familie tot waanzin.
Das dóét man nicht!’ jammerde grootmoeder met haar Weense accent en ze raadde mijn moeder aan mijn handen in te wrijven met een gesneden ui. Haar verontrusting betrof vooral het feit dat snot-eterij binnen de familie tot dan toe zonder precedent was en ik me met het eten van snot dus mogelijk buiten de familietraditie begaf. Iedereen haastte zich daarom zijn hersens te pijnigen met de vraag van wie ik deze onverkwikkelijke eigenschap dan wel zou kunnen hebben.
‘Ik geloof dat ik het tante Gustl weleens heb zien doen, drie jaar voor de oorlog,’ zei mijn grootvader, met toegeknepen ogen gravend in zijn geheugen.
‘Nou Felix, dat verwacht ik niet, daar was Gustl net een tikje te verfijnd voor,’ corrigeerde mijn grootmoeder hem, want Gustl was háár tante. Ze viste een zakdoekje uit haar mouw – binnen de vrouwelijke helft van de familie het discrete magazijn voor alles wat je maar bij de hand wilt hebben – en snoot haar neus.
‘Dan moet ze het van Viktor hebben,’ mompelde mijn grootvader, maar grootmoeder had het gehoord en beantwoordde deze misstap met een woedende blik. ‘Geertje heeft niets van Viktor, hè Schatz?’ zei ze en legde vergoelijkend haar hand op mijn knie, terwijl ze met enige tegenzin vervolgde: ‘Alleen zijn groene ogen.’
De herkomst van mijn slechte gewoonte bleef een onopgelost mysterie, tot mijn moeder – die eigenlijk Paulina heet maar door iedereen Putzi wordt genoemd, naar de bijnaam van de oudste dochter van Mahler – de huisarts raadpleegde. Deze Groninger vertelde haar dat wetenschappelijk onderzoek uitwees dat het eten van neusslijm door kinderen goed is voor hun immuunsysteem en bovendien tegemoetkomt aan een behoefte aan zout.
De goede man had het niet beter kunnen zeggen. Snot eten mocht bij de Rosenbaums dan niet familiair bekend zijn, affiniteit met wetenschapsbeoefening en een heilig ontzag voor het Medisch Oordeel waren dat wel. Opgelucht dat de oplossing bovendien was gelegen binnen de deugd van een goede maaltijd, reikte mijn moeder mij vanaf dat moment bij aanvang daarvan het zoutvaatje aan.
En daarmee was de kous af.

Binnen de kleurrijke Weens-Joodse familie van mijn moeder bleef overigens nog een keur aan usances over, waaruit ik kon putten. Niet dat onze familie Joods deed trouwens – bewaar me zeg! Onze familie mocht dan Joods zijn, maar dat merkte je nergens aan. Nou ja, misschien aten we vaak Joodse gerechten, maar die culinaire traditie kon volgens mijn oom Bruno net zo goed doorgaan voor de Midden-Europese keuken. Hooguit kon het aansteken van de twee kaarsen op vrijdagavond in de verte als Joods worden gekwalificeerd, maar dat deden zoveel mensen – ‘vooral katholieken,’ zei mijn grootmoeder dan. En de negenarmige groen uitgeslagen chanoekia, de sidoerim op de boekenplanken, de kandelaars met de sterren van David, de seiderschotel waar een stukje uit was en de Estherrol op de vleugel: allemaal geen Joodse erfenis, maar onderdeel van de op de vlucht haastig bijeengeraapte Weense boedel.
Alleen omi Ida, de moeder van mijn grootmoeder die na de oorlog bij mijn grootouders had ingewoond, had Joods gedaan. Sinds zij haar geliefde Wenen had moeten ontvluchten hield zij niet meer van veranderingen. Omi hield van traditie. Zelfs van de Joodse traditie. Maar zoiets kon je een oude dame redelijkerwijs toch niet kwalijk nemen? Die arme vrouw stamde nota bene nog uit de tijd dat Mahler zijn Eerste Symfonie schreef.

Hoewel ik me er al vroeg van bewust was dat wij Joods waren, begreep ik niet wat dit betekende. Mijn Joodse bewustzijn bestond vooral uit het vage besef dat wij een ondoorgrondelijk geheim met ons meedroegen, dat ook mij aankleefde, als een ondoorzichtige geboorteafwijking, een extra tekortkoming naast al mijn tekortkomingen. Langzaam zouden zich de sleutels aandienen voor de ontsluiting van het raadsel van onze in mysteriën gehulde hoedanigheid.

 

© 2020 Judith Fanto

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum