Leesfragment: Waar ik liever niet aan denk

24 mei 2020 , door Jente Posthuma
|

26 mei verschijnt Waar ik liever niet aan denk, de tweede roman van Jente Posthuma. Wij publiceren voor!

Als je hard je best doet en denkt: dit ga ik voor de rest van mijn leven onthouden, dan onthoud je het. Alleen mensen houd je er niet mee vast. Die kunnen gewoon opstaan en het beeld uit lopen. Gelukkig heeft de hoofdpersoon een tweelingbroer, de enige van wie ze zeker is, waardoor ze dus nooit echt alleen zal zijn. Tenminste, dat denkt ze. Zij verzamelt truien. Hij heeft twee katten. Ze houden allebei van New York, en zouden er, wat er ook gebeurde, samen heen verhuizen op hun achtentwintigste. Maar opeens wil hij liever een tijdje zonder haar. Waar ik liever niet aan denk beschrijft op bedrieglijk nonchalante, maar uiterst indringende wijze wat er gebeurt als de persoon op wie je je hele bestaan hebt gebouwd er plotseling niet meer is.

Jente Posthuma debuteerde in 2016 met Mensen zonder uitstraling, dat werd genomineerd voor de Dioraphte Literatour Prijs, de Hebban Debuutprijs en de ANV Debutantenprijs.

  • ‘Een verademing. Om haar stijl. Om de fijnzinnige en droge humor. Om de enorme levenspijn die er in haar schijnbaar laconieke regels verscholen zit.’ – Trouw

N.B. Kijk en luister naar Jente Posthuma die voorleest uit Waar ik liever niet aan denk. En lees een fragment uit Posthuma's debuutroman Mensen zonder uitstraling.

 

Waar ik liever niet aan denk

Waterboarden, zei ik tegen mijn moeder. Dan legt iemand een doek over je gezicht en giet hij er steeds water overheen. Dat voelt als verdrinken. Dat ís verdrinken.
En dat gaan jullie doen, zei mijn moeder.
Ja.
Mijn moeder zuchtte. Zeker een idee van je broer.
We zagen laatst een film over Guantanamo Bay, zei ik. En toen vroeg hij me of ik hem wilde waterboarden. Hij wil weten hoe het is. Alleen als jij mij ook doet, zei ik. Dus zo ging het.
En hoe was het? vroeg mijn moeder.
We hebben het nog niet gedaan!
Sinds mijn moeder bejaard was luisterde ze nog slechter.
O ja, zei ze. Gisteren keek ik naar een televisieserie en het personage op wie ik erg gesteld was ontplofte. Daarom heb ik slecht geslapen.

We mochten best comfortabel liggen, vonden we, dus we besloten het op mijn bank te doen. Mijn broer ging eerst. Hij lag op zijn rug met een roodgeruite theedoek over zijn gezicht. Ik stond naast hem met een karaf water.
Daar gaat-ie, zei ik, en ik goot water over de doek. Na een paar seconden trok mijn broer de doek van zijn gezicht en ging rechtop zitten.
Misschien moeten we je vastbinden, zei ik.
Met een van mijn kousen bond ik zijn polsen bij elkaar en we begonnen opnieuw. Na een halve minuut moest ik de doek van zijn gezicht halen, zo hadden we afgesproken. Op mijn telefoon had ik de timer ingesteld. Mijn broer hijgde en probeerde zijn armen te bewegen. Nu verdrinkt hij, dacht ik. Het duurde lang voor de halve minuut voorbij was en toen ik de doek van zijn hoofd trok en hij uitgehoest was zei hij: Zo is het wel genoeg.
Ik wilde niets om mijn polsen. Ik wilde de doek van mijn gezicht kunnen trekken op een moment dat het mij uitkwam.
Zo werkt het dus niet, zei mijn broer. Hij bond de kous om mijn polsen en legde de doek over mijn gezicht. Het water liep mijn neus in, ik kreeg geen lucht. Ik probeerde overeind te komen, met mijn benen schopte ik iets om. Toen ik eindelijk zat schudde ik de natte doek van me af en wurmde mijn handen los.
Mijn broer gaf me een papieren zakdoekje om mijn gezicht af te vegen maar ik schudde mijn hoofd, ademde in en uit, en nog eens, en nog eens. Er klonken kerkklokken, het alarm op mijn telefoon ging af.
Waarom hielp je me niet?
Sorry, zei hij.
Ik dacht dat ik moest kotsen. Met mijn hoofd boven de wc wachtte ik tot er iets kwam maar er kwam niets en ik dacht aan de keer dat ik een jongen mee naar huis nam en hij mijn hoofd naar beneden duwde. Met zijn handen tegen mijn oren duwde hij mijn hoofd steeds verder omlaag en misschien dacht hij dat het me opwond want toen ik me tegen zijn knieën afzette om los te komen greep hij me nog steviger vast en hoorde ik alleen nog het gebonk van mijn hart. En ik dacht aan de eerste keer dat ik iemand hoorde zeggen dat ze haar hart vasthield. Het was mijn moeder. Ze zei tegen iemand: Ik houd mijn hart vast voor mijn dochter, want een schoonheid is ze niet. Om mijn broer maakte ze zich geen zorgen, om hoe hij steeds aan zijn hoofd zat te plukken en de kale plek die daardoor ontstond. Ik herinner me niet wanneer hij ophield met plukken maar na een tijdje was het over en groeide zijn haar weer aan.
Mijn zoon kan alles, zei mijn moeder vaak. Hij gaat later iets bijzonders doen.

Toen mijn broer in een workshop opnieuw geboren werd, zei hij: Het leven is geen lijn maar een cirkel. Je kunt sterven en opnieuw beginnen.
Het was een workshop door aanhangers van Osho die twintig jaar na zijn dood nog steeds een spiritueel meester in hem zagen. Dat was wat zijn naam betekende.
Osho, zei mijn broer. Die ken je toch wel? De man die zichzelf eerst Bhagwan noemde. Dat betekent God.
Ik wist het heus wel. Het was de man die als Chandra Mohan geboren werd, wat een doodgewone naam is in India, en als kind van zijn grootouders de bijnaam Rajneesh kreeg, wat Koning van de Nacht betekent. Rajneesh ging vaak naar de rivier bij zijn woonplaats, duwde daar andere kinderen onder water tot ze bijna verdronken en vroeg dan hoe dat was. Als Bhagwan zei hij: Hoop is een drug. Alleen zij die klaar zijn om te sterven zullen het leven van liefde kennen. Zij die bang zijn om te sterven zullen nooit het mysterie van de liefde binnengaan. Tegen de mensen die naar zijn ashram in Poona kwamen zei hij dat ze zich moesten overgeven. Als je nu wegloopt kun je net zo goed een einde aan je leven maken, zei hij. Volgens hem was de impuls tot zelfdoding een teken van werkelijke intelligentie en sensitiviteit, een behoefte de benauwenis van het ego te ontvluchten. Voor wie de zinloosheid van alles inzag was zelfdoding – of totale overgave – het enige alternatief. Zo ongeveer stond het op een van de favoriete websites van mijn broer, in korte, vreemd afgebroken zinnen onder elkaar, als een slecht gedicht.
Waar Osho in 1990 aan stierf is niet duidelijk, een paar uur na zijn dood werd zijn lichaam al gecremeerd. Kort voor zijn dood beweerde hij dat hij in 1985 in Amerikaanse gevangenissen was vergiftigd. Er zijn ook mensen die denken dat hij levensmoe was en zich daarom door zijn lijfarts een dodelijke injectie heeft laten toedienen.
Later vond mijn broer trouwens niet meer dat het leven een cirkel was. Hij zei: We zitten aan het begin van een extreemweerepisode. Vanaf nu wordt het alleen maar erger.

In een landelijk onderzoek naar geluk scoorde onze geboorteplaats net bovengemiddeld. Of net benedengemiddeld, ik weet het niet meer precies. In ieder geval heb ik goeie herinneringen aan ons dorp. Mijn broer had die niet. Tot op het laatst werd hij kwaad als ik over de fontein op het pleintje begon en over de kinderen, de kleinste bloot en de grotere in zwempak, de roze glitterbikini die mijn tante voor me uit New York had meegenomen.
In New York werden in 1990, het jaar waarin mijn broer en ik tien werden, het jaar van mijn glitterbikini, 2245 moorden gepleegd. En 596 zelfmoorden. Het was ook het jaar waarin een paar jongens bij de fontein er een gewoonte van maakten om de zwembroek van mijn broer uit te trekken zodat hij in zijn blootje naar huis moest lopen.

New York kent zelfmoordloze dagen. Het zijn geen feestdagen, ze worden niet van tevoren aangekondigd. 12 juli 1993 was een zelfmoordloze dag in New York, lazen mijn broer en ik de volgende middag op teletekst. We kwamen net terug van het landje achter de supermarkt, waar een grote hijskraan stond. Hij is vast wel vijftig meter hoog, zei mijn broer. Hoe zou het zijn om erin te klimmen, vroeg ik, tot helemaal bovenin. Hoe ver zou je kunnen kijken. Achter me trok een motor luidruchtig op en ik keek om en zag een medewerker van de vleesafdeling wegscheuren. De herrie die motoren maken, zei mijn broer weleens, die is niet nodig, die is er puur voor de sier. Toen ik me weer terugdraaide was mijn broer bezig de hijskraan te beklimmen. Gauw keek ik naar de grond, naar de graspollen voor mijn voeten en ik bleef ernaar staren tot mijn nek pijn deed en mijn broer met een sprongetje weer naast me plofte. Je kunt de stad zien, zei hij, en de rivier, alle bochten die hij maakt tot aan de stad.
Was het mooi, vroeg ik.
Het was vooral ver, zei hij.
En voor we in slaap vielen die avond zei hij: Ook vandaag was een zelfmoordloze dag.

Tussen 2000 en 2015 daalde het aantal moorden in New York enorm maar steeg het zelfmoordcijfer. De populairste zelfmoordmethoden in New York zijn ophanging, wurging en verstikking, of springen van grote hoogte. Maar het aantal springers neemt wel af. Toch kent New York nog altijd meer springers dan de rest van de Verenigde Staten. Acht keer zoveel om precies te zijn.
Misschien dat New York zijn hoge springcijfer aan Wall Street te danken heeft, waar in tijden van recessie zo nu en dan een manager van een hedgefonds uit het raam springt. Volgens de gezondheidsdienst Centers for Disease Control and Prevention maakt iemand die op Wall Street werkt veertig procent meer kans zichzelf van kant te maken dan gemiddeld. Zakenmensen op Wall Street zijn van nature zeer competitieve perfectionisten die zich identificeren met hun werk en zichzelf voortdurend vergelijken met hun collega’s.

Mijn broer noemde zichzelf Een en mij noemde hij Twee, omdat hij drie kwartier eerder werd geboren dan ik, op een bloedhete dag in augustus. Hij beschouwde me als zijn kleine zusje, hij was groter en zwaarder dan ik bij de geboorte, in mijn moeders buik nam hij bijna alle ruimte in. Ik lag achter hem, mijn linkerbeen over mijn linkerschouder geslagen, zo gaat het verhaal. Daarom duurde het even voordat ik eruit was. Eigenlijk werden we pas een maand later verwacht, maar mijn broer ging alvast en toen kon ik niet achterblijven.
Dat we niet identiek waren heb ik lang als een handicap beschouwd, een gevolg van onze vroege geboorte, ook toen ik allang het verschil tussen een. en twee-eiige tweelingen begreep. In de negende maand hadden we nog wat dichter naar elkaar toe kunnen groeien.
Mijn broer was beweeglijker, praatte harder, had grotere driftbuien dan ik. Hij gooide met spullen, sloeg met deuren of schopte er deuken in. Na zo'n bui sloot hij zich op in zijn kamer en als hij dan weer beneden kwam deed hij of er niets was gebeurd. Mijn ouders hoefden alleen maar toe te kijken en zo nu en dan iets te repareren. Mij moesten ze aandacht geven. Ik eiste dat ze me troostten als ik verdrietig was en dat ze niet met hun blik afdwaalden naar de krant of tv. Dat was toen mijn gevoelens nog aan de buitenkant zaten en ik niet wist dat dit niet de bedoeling was.
Drammer was het woord dat ze voor me gebruikten. Mijn broer noemden ze eigenwijs. Hij wist alles altijd net iets beter dan ik. Volgens mij heb ik hem nooit ‘o ja?’ horen zeggen als ik iets vertelde. Of: Goh, dat wist ik niet. Meestal zei hij ‘weet ik’ en als hij iets niet wist dan zei hij niets.


© 2020 Jente Posthuma

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum