Onze boekhandels zijn open! Kom langs of bestel telefonisch, via WhatsApp, per e-mail of via de webshop. #steunjeboekhandel, ook online

Leesfragment: Weersverwachting

03 februari 2020 , door Jenny Offill
| |

Morgen verschijnt het nieuwe boek van Jenny Offill, Weersverwachting (Weather, vertaald door Roos van de Wardt). Wij publiceren voor!

Lizzie heeft een baantje als bibliothecaresse aan de universiteit waar ze eigenlijk wilde promoveren. Ze voelt zich verantwoordelijk voor haar exverslaafde broer, wat ten koste gaat van aandacht voor haar eigen leven – en dat van haar man en kind.

Dan vraagt haar voormalige promotor Sylvia, een klimaatwetenschapper en populaire podcasthost, of ze wil helpen met de groeiende toestroom aan brieven en mails. Lizzie begint vragen te beantwoorden van klimaatangstigen en religieuze eindtijddenkers. Naarmate ze zich meer verdiept in rampenpsychologie en overlevingsstrategieën raakt ze steeds minder in staat een goede overlevingsstrategie voor zichzelf te bepalen, niet alleen voor een mogelijke apocalyptische toekomst, maar ook voor het hier en nu.

N.B. Eerder brachten we fragmenten uit De laatste dingen en Verbroken beloftes. Roos van de Wardt lichtte ook haar vertaling van De laatste dingen toe.

 

Een

’s Ochtends komt degene die het meest verlicht is binnen. Er zijn stadia en zij bevindt zich in het voorlaatste, denkt ze. Dit stadium kan alleen worden omschreven met een Japans woord. ‘Emmer met zwarte verf’, betekent het.

Ik zoek een tijdje naar boeken voor de uitgebuite docent zonder toekomstperspectief. Hij werkt al elf jaar aan zijn proefschrift. Ik geef hem stapels kopieerpapier. Papierklemmen en pennen. Hij schrijft over een filosoof van wie ik nog nooit heb gehoord. Hij is relatief onbekend, maar toonaangevend, had hij verteld. Relatief onbekend maar toonaangevend!

Maar gisteravond heeft zijn vrouw een briefje op de koelkast gehangen. Verdien je ook geld met wat je nu doet? stond erop.

De man in het verfomfaaide pak wil niet dat zijn boetes worden verlaagd. Hij draagt met alle plezier bij aan onze instelling. Het blonde meisje met de afgekloven nagels komt na de lunch langs en gaat met een handtas vol toiletpapier weer weg.

Ik waag me aan een theorie over vaccinaties en ook aan eentje over laatkapitalisme. ‘Zou je weleens willen dat je weer dertig was?’ vraagt de eenzaam ogende ingenieur. ‘Nee, nooit’, zeg ik. Ik vertel hem die ene mop over achteruitgaan.

Tijdreizigers worden hier niet bediend.
Loopt een tijdreiziger een kroeg in.

Op weg naar huis kom ik langs de vrouw die zwirrelende dingen verkoopt. Als studenten ontzettend stoned zijn kopen ze ze weleens. ‘Traag dagje’, zegt ze. Ik zoek er eentje uit voor Eli. Hij is blauw met wit, maar in de wind vervaagt hij tot een blauwe werveling. Vergeet de kwartjes niet, schiet me te binnen.

In de buurtwinkel geeft Mohan me een heel rolletje. Ik bewonder zijn nieuwe kat, maar hij zegt dat-ie gewoon is komen aanlopen. Toch wil hij hem niet kwijt, want zijn vrouw houdt niet meer van hem.

‘Ik wou dat je een echte psychiater was’, zegt mijn man. ‘Dan zouden we rijk zijn.’

Henry is te laat. En dat terwijl ik een taxi had genomen om maar op tijd te zijn. Als ik hem eindelijk zie is hij doorweekt. Geen jas, geen paraplu. Op de hoek blijft hij staan, geeft kleingeld aan de vrouw in de vuilniszakponcho.

Mijn broer heeft me ooit verteld dat hij drugs miste omdat die ervoor zorgden dat de wereld hem niet meer riep. Begrijpelijk, zei ik. We stonden in de supermarkt. Overal om ons heen probeerden dingen hun ware aard te verkondigen. Maar hun glans werd steeds doffer onder de afgrijselijke muziek.

Ik probeer hem snel weer warm te krijgen: soep, koffie. Hij ziet er goed uit, vind ik. Heldere blik. De serveerster zet een verse pot, flirt met hem. Vroeger werd mijn moeder op straat staande gehouden. Zonde hoor, zeiden mensen dan. Zulke wimpers bij een jongen!

Nu hebben we dus extra brood. Ik eet drie stukken terwijl mijn broer een verhaal vertelt over zijn na-bijeenkomst. Er was een vrouw opgestaan om over antidepressiva te gaan razen. Wat haar nog het meeste dwarszat, was dat mensen ze niet op de juiste manier weggooiden. Ze hadden wormen in de stadsriolen getest en hoge concentraties paroxetine en prozac gemeten.

Na het eten van deze wormen bleven vogels dichter bij huis, bouwden ze ingewikkelder nesten, maar hadden ze blijkbaar geen zin om te paren. ‘Maar waren ze gelukkiger?’ vraag ik. ‘Kregen ze meer gedaan op een dag?’

Het raam in onze slaapkamer staat open. Als je naar buiten leunt en je nek draait kun je de maan zien. De Grieken dachten dat de maan het enige hemellichaam was dat op de aarde leek. De planten en dieren daar waren vijftien keer zo sterk als de onze.

Mijn zoontje komt binnen om me iets te laten zien. Het lijkt op een pakje kauwgom, maar eigenlijk is het een trucje. Als je er eentje probeert te pakken, klapt er een metalen veertje op je vinger. ‘Het doet meer pijn dan je denkt’, waarschuwt hij.

Au.

Ik zeg dat hij uit het raam moet kijken. ‘Dat is een wassende maan’, zegt Eli. Waarschijnlijk zal zijn kennis van de maan nooit groter worden dan die nu is. Op zijn vorige school had hij een liedje geleerd om alle fasen te onthouden. Soms zingt hij het voor ons tijdens het eten, maar alleen als we er niet om vragen.

De maan redt zich wel, denk ik. Niemand maakt zich druk om de maan.

[...]

 

Oorspronkelijke tekst © Jenny Offill, 2020
Nederlandse vertaling © Roos van de Wardt

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum