Leesfragment: Zonder de top te bereiken

26 februari 2020 , door Paolo Cognetti
| | | | |

Zonder de top te bereiken, het nieuwe boek van Paolo Cognetti, ligt in de winkel! Lees bij ons het eerste hoofdstuk (vertaald door Yond Boeke en Patty Krone).

Waar zijn we naar op zoek wanneer we op reis gaan? Deze vraag staat centraal in Zonder de top te bereiken, dat is geschreven in de traditie van de grote reisliteratuur en vertelt over Dolpa, een afgelegen gebied in de Himalaya. Het is een boek over hoe een man tot inzichten komt op vijfduizend meter hoogte door één voet voor de andere te zetten. Hij reist door een land dat onaangetast is door de moderne tijd, vergezeld door een ezel en Peter Matthiessens reisklassieker De sneeuwluipaard. Maar Zonder de top te bereiken is meer dan een reisverslag: het is een eerlijke vertelling over iemand die probeert zijn grenzen te vinden, die vele oude zekerheden ziet vervagen en die de pracht ontdekt in kleine zaken, zoals een onverwachte ontmoeting met een Tibetaanse hond. De hoofdpersoon zoekt balans in zijn leven en vindt die in de schoonheid van de natuur.

N.B. Maarten Asscher besprak Cognetti's De acht bergen. We publiceerden Guus Bauers laudatio voor Paolo Cognetti's De acht bergen bij de bekendmaking van de shortlist van de Europese Literatuurprijs 2018. Ook publiceerden we uit Sofia draagt altijd zwart en De buitenjongenEn we vroegen Patty Krone en Yond Boeke om een toelichting bij hun Nederlandse vertaling van De acht bergen.

Hoofdstuk 1

De rivier langs

Toen ik in het vliegtuigje naar het noorden vóór ons de Himalaya uit het dichte tropische wolkendek zag oprijzen, herinnerde ik me een boekje dat ik toen ik een jaar of negen was van mijn vader had gekregen op een dag dat ik koorts had. Het heette De mooiste bergen en de beroemdste beklimmingen. Op de kaft stond de Monte Rosa, voor mij tot dan toe de eerste en enige berg die ik had beklommen. Rotsen en ijs kende ik dus al, maar alleen uit de zomer; ’s winters vervaagden de bergen weer tot een herinnering. En dus lag ik urenlang met dat grote boek vol kleurenfoto’s in bed, in een poging te genezen van mijn griep en mijn heimwee. Ik bekeek het silhouet van de Everest, van de K2, van de Nanga Parbat, las over de mannen die ze hadden beklommen, memoriseerde namen en hoogtes met de kenmerkende vasthoudendheid van kinderen, voor wie vanbuiten leren een magische handeling is die de illusie geeft van bezit. In die tijd droomde ik ervan al pinist te worden, ik las Messner en Bonatti alsof het Stevenson en Verne waren, en Tibet en Nepal waren in mijn ogen geheime koninkrijken, schateilanden.
Dertig jaar later kon ik nog steeds het silhouet van de Dhaulagiri herkennen, de meest westelijke van de Nepalese achtduizenders. Het vliegtuigje vloog nu veel lager, scheerde langs zonbeschenen wolkenflarden en liet de berg rechts achter zich. Vóór ons verrezen nog meer donkere toppen, een keten van rond de vijfduizend meter hoogte: zoals we hadden gehoopt, werd het wolkendek door die muur tegengehouden. Daarna zag ik onder de propellers allengs meer berggraten, gapende, van de ochtendzon verstoken kloven en door aardverschuivingen in het regenseizoen ontstane couloirs opdoemen. Ik keek naar Remigio, die tegen het raampje zat geplakt, en meende te weten waar hij naar zocht: een landschap dat hij kon lezen, een handschrift dat hij kende.
Sinds ik in de bergen was gaan wonen, was ik meer geïnteresseerd geraakt in dalen dan in toppen, en meer in bergbewoners dan in alpinisten. Ik was verknocht aan het idee dat alle hooggebergten van de wereld bewoond werden door één enkel volk, maar wist ook dat dat een romantisch verzinsel was: in de Alpen waren we gaandeweg bewoners van de immense Europese megalopolis geworden, of in elk geval van een bosrijke buitenwijk ervan. We woon den, werkten, verplaatsten ons, hadden relaties als stedelingen. Bestond hij nog, de bergbewoner? Was er ergens een authentieke berg, vrij van het kolonialisme van de stad, een berg die nog echt bérg was? In die geest was ik een aantal jaren eerder óók al naar Nepal afgereisd. Ik was door de drukst bezochte streken getrokken, om tot de ontdekking te komen dat de verworvenheden van de moderne tijd zelfs de Himalaya hadden bereikt. Wegen, motoren, telefoons, elektriciteit, industriële producten: die verdomde, zo felbegeerde welvaart verdrong een antieke, arme cultuur die tot uitsterven was gedoemd, net als die in de Alpen. Ik moest nóg beter zoeken, nog verder weg.
De piloot, wiens handelingen ik nauwgezet volgde, maakte een flauwe bocht zodat hij in de lengterichting van een in de zon gelegen dal vloog. Hij koerste af op een korte, onverharde landingsbaan halverwege een helling, niet meer dan een honderdtal meters lang, en zette de daling in. Hij raakte de grond, remde krachtig en kwam tot stilstand tussen de huizen van Juphal, waar het lange pad naar het noorden begon: lage stenen hutten, met rondom overal terrasbebouwing – de oogst liep op zijn eind. Ik was nog bezweet van de drukkende tropenochtend, maar toen ik het trapje afliep rook ik meteen de zuivere berglucht. Ik had amper mijn rugzak gepakt of het tweemotorige vliegtuigje was alweer vertrokken.

Sete was zevenenveertig en was een Tamang uit Oost-Nepal. Brede jukbeenderen, smalle ogen, bruine huid. De eerste keer dat hij de draagmand op zijn rug hees, was hij nog maar een kind: na kok en drager in het hooggebergte te zijn geweest en in die functie de Everest, de Makalu, de Cho Oyu, de Dhaulagiri en de Shisha Pangma te hebben beklommen, was hij toen hij wat ouder werd afgedaald naar het dal. Nu werkte hij ’s zomers en ’s winters in de hutten op de Monte Rosa, en was hij in de herfst gids voor expedities als de onze. Hij sprak Italiaans en lachte vaak. Ik vroeg me af of die vrolijkheid aangeboren was, of een beroepsmatig trucje om rechtstreekse vragen uit de weg te gaan. Al een paar dagen was hij in Juphal bezig de karavaan samen te stellen, die bestond uit hemzelf, zijn broer, vijf jongens die belast zouden zijn met het kampement en de keuken, vijf andere voor de dieren en het vervoer, en vijfentwintig muildieren beladen met alles wat we in een kleine maand nodig zouden hebben. Met ons tienen uit de Alpen erbij waren we, dieren en mensen samen, met z’n zevenenveertigen. Tenten, materiaal, levensmiddelen, kerosine om te koken, voer voor de muildieren en onze persoonlijke ba gage werden op de pakzadels geladen. Het enige wat we niet meenamen was water: elke avond een beek en een kampeerplek vinden was de taak van Sete, die nog nooit in Dolpo was geweest maar weinig fiducie had in onze kaarten. Hij vroeg liever de weg aan ezeldrijvers en boeren. Het was warm in Juphal en ik probeerde te bedenken wat ik in mijn rugzak moest stoppen en wat ik op het muildier moest laden, en dus vroeg ik hem wanneer ik warme kleding nodig zou hebben.
‘Hogerop,’ zei hij.
‘Hogerop wáár?’
Hij wees achteloos naar een y-vormige vlek tussen twee dalen op de kaart die ik had uitgevouwen: het grote Phoksundomeer.
‘En hoe lang doen we erover om daar te komen?’
‘Mogelijk een dag of vier.’
‘Mogelijk?’
Ik keek hoe hoog het meer lag, 3600 meter. Op 2500 meter hoogte, waar we nu waren, groeide mais. Toen we vanuit Juphal naar het dal liepen, kwamen we door rijstvelden, met gerst en gierst bebouwde terrassen en weelderige moestuinen. De huizen hadden platte lemen daken waarop hooi en pepers lagen te drogen. Een groot deel van het dorpsleven leek zich daarboven af te spelen, en er kwamen uitsluitend vrouwen aan te pas: de jonge vrouwen dorsten de gerst met lange stokken, de oude zeefden hem in de wind, waardoor het kaf eraf werd geblazen; beneden waste een meisje in een stenen kuip haar haar met wasmiddel. Tussen de moestuinen vol langwerpige gele pompoenen, vreemde erwten met stekelige peulen en zelfs trossen tomaatjes zorgde alleen de himalayaceder, een Afrikaans uitziende conifeer, voor enige schaduw op die verder boomloze helling.
Ik keek om me heen en dacht aan de door struikgewas overwoekerde terrassen, de ingestorte stapelmuurtjes, de door het bos opgeslokte irrigatiekanalen die ik gewend was tegen te komen in de Alpen, aan de tijd dat onze bergen net zo goed werden bijgehouden als deze en aan de tijd dat ook deze verlaten zouden worden. Was dat een weg die ik daar beneden zag? Ja, langs de rivier liep een onverharde weg, en net op het moment dat we die bereikten, kwam er een vrachtautootje voorbij; een paar jaar eerder was er daar, zo vertelden ze ons, niet meer dan een ezelpad geweest.
Toen ik dat hoorde, keken Remigio en ik elkaar even aan. Hij was geboren in een dorp dat tot aan de jaren zeventig uitsluitend te voet bereikbaar was geweest; daarna was er een weg gekomen en had hij gezien hoe het dorp in de loop van zijn leven totaal ontvolkt raakte. Op een keer zei hij tegen me: als er een weg komt, lijkt het altijd of die wordt aangelegd om iets te brengen, maar dan komen ze erachter dat hij is aangelegd om iets te hálen. Hij keek naar twee werklieden die met schep en pikhouweel bezig waren de rijweg te repareren. Ik denk dat hij een tafereel uit zijn kindertijd terugzag.
De karavaan veroorzaakte stofwolken en de koele rivier onder ons begon er steeds aanlokkelijker uit te zien: toen Sete had bepaald waar we ons kamp zouden opslaan, was ik de eerste die mijn schoenen uittrok en mijn voeten in het woelige water van de Bheri Khola stak. Het was metaalgrijs, troebel gletsjerwater.
‘Waar komt dit water vandaan?’ vroeg ik.
‘Van de berg.’
‘Welke berg? De Dhaulagiri?’
‘Mogelijk.’
Sete zei ‘mogelijk’ in plaats van ‘zou kunnen’ en daardoor kregen zijn antwoorden een vreemde orakelachtige lading. Waar dat water ook vandaan mocht komen, ik had de kaarten bestudeerd en wist waar het naartoe ging: de Karnali, een rivier die ontspringt in Tibet en zich na zevenhonderd kilometer in de Ganges stort. Zo gezeten op een steen, tussen vliegjes en varens, zei ik bij mezelf dat ik mijn voeten baadde in het water van een heilige rivier.
‘Jij bent er toch op geweest?’

© 2018 Paolo Cognetti
vertaling © 2020 Yond Boeke en Patty Krone

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum