Leesfragment: De geheugenpolitie

05 april 2021 , door Yoko Ogawa
|

In vier Athenaeum Boekhandels: Yoko Ogawa's roman De geheugenpolitie, vertaald uit het Japans door Luk Van Haute. Lees de bespreking door Harm Hendrik ten Napel, de vertalerstoelichting door Van Haute, en lees een fragment.

Op een eiland verdwijnt op mysterieuze wijze steeds meer: hoeden, vogels, boeken, rozen... En de verdwijningen blijven serieuzere proporties aannemen. Telkens wordt het straatbeeld weer wat leger en vertoont het geheugen van de inwoners grotere gaten. De enkelen die blijven herinneren, vrezen voor hun leven. Ze zijn bang voor de draconische geheugenpolitie die de taak heeft over deze collectieve vergetelheid te waken en te zorgen dat wat verdwenen is, vergeten blijft. Vervolgingen zijn aan de orde van de dag. Wanneer een jonge schrijver ontdekt dat haar redacteur in gevaar is voor de geheugenpolitie, maakt ze een schuilplaats onder haar vloer om hem te verbergen. Terwijl angst en verlies hen omringen, klampen ze zich samen vast aan haar schrijven als een laatste redmiddel om het verleden te bewaren. In De geheugenpolitie reflecteert Yoko Ogawa op totalitarisme en stil verzet, evenals op wat ons nog menselijk maakt. als steeds meer van wat wij kennen verdwijnt. Een meesterlijk verhaal over het houvast dat literatuur kan bieden, over de kracht van het geheugen en de verwoesting die wordt veroorzaakt door het verlies ervan – van een van Japans grootste schrijvers.

N.B. De vertalingen zijn niet meer leverbaar, maar we publiceerden eerder voor uit De huishoudster en de professor en Het zwembad.

 

1

Wat was het eerste wat van dit eiland verdween, vraag ik me soms af.
‘Lang voor jij werd geboren waren hier veel meer dingen. We hadden een overvloed aan van alles en nog wat: doorzichtige dingen, geurige dingen, fladderende dingen, glanzende dingen... Allemaal prachtige dingen, die jij je niet eens kunt voorstellen.’
Als kind hoorde ik mijn moeder vaak van die verhalen vertellen.
‘Maar jammer genoeg zijn de mensen op ons eiland niet in staat die prachtige dingen eeuwig vast te houden in hun geest. Wie op het eiland woont, is gedoemd de dingen in zijn geest een voor een te verliezen. Ook voor jou komt binnenkort het moment waarop je voor het eerst iets zult verliezen. Zo gaat dat nu eenmaal.’
‘Moet ik daar bang voor zijn?’ vroeg ik verontrust aan mama.
‘Nee. Maak je geen zorgen. Het doet geen pijn en het maakt je niet verdrietig. ’s Ochtends word je wakker in bed en voor je het weet is het al voorbij. Doe rustig je ogen weer dicht, spits je oren en voel hoe de ochtendlucht stroomt. Er zal een verschil zijn met de dag ervoor. En zo zul jij ook snappen wat je hebt verloren, wat er van het eiland is verdwenen.’
Ze vertelde me zulke verhalen alleen als we in haar ondergrondse werkplek waren. De kelder was ruim dertig vierkante meter groot. Het lag er vol stof en de vloer was ruw. De noordzijde grensde aan de rivierbedding en je hoorde het water. Ik zat op de ronde stoel die speciaal voor mij was bestemd en terwijl mama haar beitel sleep of met haar vijl een steen polijstte – ze was beeldhouwer –, praatte ze met zachte stem.
‘Bij elke uitwissing is het eiland even in rep en roer. Alle mensen verzamelen zich her en der op straat en halen herinneringen op aan wat verloren is. Ze zijn weemoedig en verdrietig, en ze troosten elkaar. Als het om iets tastbaars gaat, brengen ze het met z’n allen mee, om te verbranden, te begraven of in de rivier te gooien. Maar die kleine storm gaat na een paar dagen liggen. Iedereen gaat weer over tot de orde van de dag. Ze kunnen zich niet eens meer herinneren wat ze hebben verloren.’
Daarop liet mama haar handenarbeid even rusten en nam ze me mee naar de ruimte onder de trap. Daar stond een oude kast met allemaal kleine laden.
‘Goed, doe er maar eentje open, welke je maar wilt.’
Aan de laden zaten roestige ovale handvatten. Ik liet mijn blik langs de rij dwalen en dacht lang na over mijn keus.
Ik sloeg altijd aan het twijfelen. Omdat ik al te goed wist wat voor wonderlijke, betoverende voorwerpen erin lagen. Dingen die tot dan toe van het eiland waren verdwenen, verstopte mama op deze geheime plek.
Als ik eindelijk had beslist en aan een handvat trok, legde mama glimlachend de inhoud van de lade op mijn handpalm.
‘Dit hier, hè, verdween toen mama zeven was. Ze noemden deze stof een “lint”. Je versiert er je haar mee, of je naait het aan je kleren.’
‘Dit is een “bel”. Laat hem maar eens over je hand rollen. Hoor je dat? Klinkt mooi, hè?’
‘O, vandaag heb je een goede lade gekozen. Dit is een “smaragd”. Die koestert mama het meest van allemaal. Hij is een aandenken aan je oma. Hij is zo bekoorlijk, zo kostbaar, zo verfijnd. De smaragd was de meest gewaardeerde edelsteen op het eiland, maar toch is iedereen nu zijn schoonheid vergeten.’
‘Dit is klein en dun, maar het was heel belangrijk. Als je iemand iets wilde meedelen, schreef je het op papier en plakte je er deze “postzegel” op. En dan bezorgden ze het waar dan ook voor je. Zo deden ze dat, lang geleden.’
Lint, bel, smaragd, postzegel... De woorden die mama in de mond nam, klonken als de naam van een meisje in een ver land, of van een nieuwe plantensoort. Ik kreeg er rillingen van. Luisterend naar mama’s verhalen genoot ik ervan me de tijd voor te stellen waarin die dingen echt aanwezig waren op het eiland.
Maar dat was lang niet vanzelfsprekend. Ze lagen daar gewoon stil op mijn handpalm, als een in elkaar gedoken diertje in winterslaap. Ze zonden me geen enkel signaal. Ik voelde me vaak machteloos, alsof ik probeerde een werkstuk te boetseren met wolken die ik uit de lucht had geplukt. Als ik voor de geheime laden stond, vergde elk woord van mama mijn volle concentratie.
Het meest hield ik van het verhaal over ‘parfum’. Dat was een doorzichtige vloeistof in een glazen flesje. Toen mama me voor het eerst dat flesje liet vasthouden, dacht ik dat het suikerwater of zo was en wilde ik het naar mijn mond brengen.
‘O, het is niet om te drinken, hoor,’ haastte mama zich te zeggen en ze lachte. ‘Je doet het zo, een druppeltje op je hals.’
Mama hield het flesje achter haar oor en liet, heel voorzichtig, een druppel van de vloeistof vallen.
‘Waarom doe je dat?’
Ik snapte het niet.
‘Parfum is eigenlijk onzichtbaar. Maar ook al zie je het niet, je kunt het in een flesje stoppen.’
Ik tuurde naar de inhoud van het flesje.
‘Als je parfum opdoet, geeft dat een lekkere geur. Je kunt er iemand mee in vervoering brengen. Toen mama jong was, deden we voor een afspraakje allemaal parfum op. Een geur uitkiezen die in de smaak zou vallen bij de jongen die je leuk vond, was even belangrijk als de keus van je kleren. Dit is het parfum dat ik altijd droeg als ik een afspraakje had met papa. Ik sprak vaak met hem af in de rozentuin op de flank van de zuidelijke heuvel, en het was dan ook niet eenvoudig iets te vinden wat op kon tegen het aroma van de rozen. Als de wind mijn haar deed wapperen, wierp ik meteen een blik opzij naar papa. Om te zien of hij mijn geur had opgevangen.’ Toen ze over parfum vertelde, kwam mama zelf ook het meest tot leven. ‘In die tijd kon iedereen zoete geuren waarnemen. We waren in staat ze heerlijk te vinden. Maar nu is dat niet meer mogelijk. Nergens verkopen ze nog parfum. Niemand verlangt er nog naar. Parfum verdween in de herfst van het jaar dat ik met papa trouwde. Iedereen verzamelde zich aan de oever van de rivier met zijn eigen parfum. We deden de stop van de flesjes en lieten de inhoud in de rivier vloeien. Sommige mensen brachten met spijt in het hart nog een laatste keer een flesje naar hun neus, maar niemand kon de geur nog opvangen. Ook alle herinneringen die vasthingen aan het parfum waren weg. Het was simpel water geworden, zonder enig nut. Daarna had de rivier een paar dagen een bijna verstikkende reuk. Er gingen ook vissen dood. Maar niemand stond erbij stil. Het aroma was uit ieders geest verdreven.’
Op het laatst kreeg mama een droevige blik in haar ogen. Toen trok ze me op schoot, omhelsde me en liet me het parfum op haar hals opsnuiven.
‘En?’ vroeg mama.
Ik wist niet goed hoe ik moest antwoorden. Er was daar een geur, zoveel was zeker. Hij was anders dan bij het bakken van brood, anders dan wanneer ik in het zwembad door het bakje met ontsmettingsvloeistof stapte. Er zweefde iets in de lucht. Maar hoe ik ook mijn best deed, verder reikten mijn gedachten niet.
Toen ik bleef zwijgen, gaf mama het op en slaakte ze een lichte zucht.
‘Het geeft niet, hoor. Voor jou is dit een beetje water en meer niet, hè? Niets aan te doen. Terugdenken aan wat verloren ging is op dit eiland heel moeilijk.’
Na die woorden stopte mama het flesje weer in de lade. Zodra de wandklok in de kelder negen sloeg, moest ik terug naar mijn kamer om te gaan slapen. En mama ging opnieuw aan de slag met haar beitel en haar hamer. In het kelderraampje zweefde een maansikkel.
Op het moment dat ze me welterusten kuste, slaagde ik er eindelijk in hardop te zeggen wat ik al de hele tijd had willen vragen.
‘Hoe komt het dat jij je die verdwenen dingen nog zo goed herinnert, mama? Waarom kun jij nu nog de geur opsnuiven van het parfum dat iedereen vergeten is?’
Mama staarde een poosje naar de maansikkel achter het raampje en veegde toen met haar vingertop het steenpoeder weg dat op haar schort was gesprongen.
‘Dat vraagt mama zich ook voortdurend af.’ Haar stem klonk een beetje schor. ‘Maar ik weet het niet. Waarom ben ik de enige die niets verliest? Zal ik voor eeuwig en altijd alles onthouden...?’
Ze sloeg haar ogen neer, alsof ze haar lot betreurde. Om haar te troosten, gaf ik haar nog een nachtzoentje.

 

Oorspronkelijke titel Hisoyaka na Kessho
© 1994 Yoko Ogawa, gepubliceerd door Kodansha Ltd.
Nederlandse vertaling © 2021 Luk Van Haute en Uitgeverij Cossee bv, Amsterdam

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum