Leesfragment: Een Duitse fantasie

08 juli 2021 , door Philippe Claudel
|

Vanaf vandaag in vier Athenaeum Boekhandels: Philippe Claudels nieuwe roman Een Duitse fantasie (Fantaisie allemande), in de vertaling van Manik Sarkar. Lees op Athenaeum.nl Arjen van Meijgaards bespreking — en een fragment.

Een Duitse soldaat strompelt door een bos, gekleed in lompen en tot op het bot verkleumd. Wanneer hij licht ziet branden in een gebouw denkt hij hulp gevonden te hebben. Vele jaren later vindt een meisje, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog haar familie is verloren, onder het wandelen door het bos het dode lichaam van een verbrande soldaat. Elders wordt een ogenschijnlijk vreedzame oudere man in een hospice zeer slecht behandeld door een barse jonge vrouw. Maar wie van hen is het wreedst?

Op ingenieuze wijze verbindt Philippe Claudel deze verhaallijnen en construeert zo een fabel over de condition humaine. Wie is slachtoffer, wie is dader?

N.B. Eerder besprak Arjen van Meijgaard L'Archipel du chien (lees ook een fragment uit de vertaling), De boom in het land van de Toraja, Het onderzoek en Alles waar ik spijt over heb voor Athenaeum.nl.

 

Ein Mann

Niet de kou wekte hem, maar een onduidelijk gevoel dat hem nog lang bijbleef toen de slaap beetje bij beetje uitrafelde. Zijn jas was zwaar geworden en drukte als een loden dwangbuis op de kleding eronder en op zijn borst. Het duurde even voordat hij begreep dat die zwaarte werd veroorzaakt doordat de grove wol zich had volgezogen met water, zodat het gewicht van de jas was verdubbeld en hij zich een gevangene, haast een drenkeling voelde. Hij kroop op de tast uit de droom waaraan hij zich had overgegeven – eerder een gevoel van lichte warmte dan een droom, om precies te zijn. Hij begon te rillen. Hij was doorweekt. Zijn ogen openden zich voor de duisternis. Zijn hart sloeg op hol. Ook door zijn wond was hij gewekt. Die beet hem en was weer gaan druppelen.
Hij lag nu al twee dagen en nachten onder deze den. Een oude boom, waarvan de lage takken versmolten met de grond en hier en daar vervlochten waren met de wortels, die qua vorm aan spataderen deden denken. Hij had er een paar opzij moeten duwen om zich een weg naar binnen te banen en zich tegen de raspige stam te kunnen drukken. Op die plaats zat er een grote kuil in de grond, waarvan de bodem was bedekt met droge naalden die een soepel matras vormden, waarop hij languit was gaan liggen. De naalden waren lauwwarm. Ze verspreidden een geur van hars en schors. En van herfst. Een geur die langzaam uitdoofde.
Hij had bedacht dat hem niets kon overkomen zolang hij hier zou blijven. Dat had hem zijn honger doen vergeten. In een van zijn zakken zaten nog drie aardappelen. Die had hij een paar dagen eerder gevonden toen hij een akker afzocht met zijn vingers, op handen en voeten, als een dier; hij had ze voor later bewaard.
Onder de den was hij voor het eerst in lange tijd niet meer op zijn hoede geweest. Zodra hij erin was geslaagd onder de takken te kruipen, had hij begrepen dat hij hier onmogelijk zou kunnen worden ontdekt. Zelfs voor iemand die op twee meter afstand langsliep, was hij niet te zien. Hij was diep in slaap gevallen.
Het bos sidderde onder de regenbui. De takken van de den hielden de waterdruppels een tijdlang tegen, maar uiteindelijk drongen ze erdoorheen en rolden ze naar hem toe, baanden ze zich een weg door zijn jas, door de twee wollen vesten eronder, het hemd, en ten slotte zijn onderhemd en onderbroek. Hij trok de kraag van de jas zo ver mogelijk omhoog over zijn nek, maar dat had alleen tot gevolg dat hij nog natter werd doordat de waterstroompjes langs de huid van zijn nek werden geleid.
Hij trok zijn knieën op tot zijn buik en hield zijn ogen open. Alles om hem heen was donker. De regen en de nacht hadden het bos uitgewist, en de novemberkou die aan zijn gezicht likte leek nog ijziger dan eerst. Het bed van naalden was modderig geworden. Om hem heen steeg een greppelgeur op. Hij rilde tot het eerste ochtendlicht, en toen de dag eindelijk verscheen, was het een kreupele, ellendige dag.
Hij kroop uit de kuil. Met moeite stond hij op, zette een paar onzekere stappen. Het was alsof hij opnieuw moest leren lopen. Een melkachtig licht weekte de bomen een voor een los uit de duisternis. Door de nevel kreeg hij bij vlagen de indruk dat ze op hem afkwamen, als reusachtige beelden, rijdend op hun sokkel. In de lucht krabden de kraaien aan de buiken van de wolken. Hij probeerde de panden van zijn jas uit te wringen, maar zijn vingers waren te verkleumd, ze waren krachteloos. Hij verliet de den zoals je een vriend verlaat die je opeens koud laat, die niets meer voor je kan doen. Het regende niet meer. Zijn tanden klapperden.
Hij deed zijn best om stevig door te lopen, in de hoop dat het hem zou opwarmen. De jas sloeg tegen zijn benen en het water baande zich een weg naar zijn laarzen, die hij al dagen niet had uitgetrokken uit angst dat ze gestolen zouden worden. Terwijl hij op zijn vlucht niemand had gezien. Hij had een week eerder alleen een colonne voertuigen door een dal vol varens zien rijden toen hij een paar honderd meter verderop rust hield onder een rots. Hij kon niet zeggen tot welk leger ze behoorden – het Russische, waarschijnlijk. De stilte keerde terug, en uiteindelijk was de benzinegeur die hem bereikte verwaaid.
Het grootste deel van de tijd sliep hij in het bos, in greppels, verlaten schuren, tegen stenen muurtjes. Aan de rand van wat ooit steden waren geweest, waarvan niets herkenbaars over was. Vanuit de verte leken de woonblokken op rotte kiezen. In de vergevorderde cariës stegen de trappenhuizen op naar het niets. Alles rookte.
Het platteland was ook uitgestorven maar bood een minder afschuwelijke aanblik. Hij zou niet kunnen zeggen waarom. Terwijl alle dorpen waar hij doorheen trok toch ook verwoest waren, en ontdaan van alle sporen van menselijk leven. De wegen die hem leidden waren gebombardeerd, systematisch kapotgemaakt, gereduceerd tot vreemdsoortige rivieren die door weer een nieuwe rampspoed waren getroffen: de ijsblokken waren vervangen door duizenden brokken asfalt. Daartussen lagen her en der vervormde karkassen begraven: een autobus, een vrachtwagen, een legervoertuig, auto’s met de inzittenden er nog in, gereduceerd tot opgezwollen, onherkenbare kadavers.
De mantel had hij in een van die dorpen gevonden. Hij was een huis binnengegaan dat door een bom als met een hakmes in tweeën was gekliefd. Hij had de kasten, de laden van de omgegooide meubelen doorzocht. Er was niets meer. Hij kwam na talloze andere zwervers: soldaten, vagebonden, deserteurs. Maar onder een vuile matras die hij zonder al te veel hoop had omgedraaid, vond hij de mantel. De mouwen waren opgevouwen alsof hij nog maar net uit de doos was gehaald. Een ouderwetse zwarte mantel die te groot voor hem was. Hij had hem meteen aangetrokken; hij ontdeed zich ter plekke van de gevoerde soldatenjas, waarvan hij de biezen en insignes allang had afgetrokken. Zoals hij ook zijn papieren had vernietigd: zijn legerboekje, het plaatje waarin zijn nummer stond gegraveerd, alles wat met zijn vorige leven te maken had. Met een mes had hij zelfs de tatoeage van zijn bloedgroep, aan de binnenkant van zijn arm, vlak onder zijn oksel, weggehaald. Dat was de wond die niet wilde genezen. Een constante herinnering aan zijn recente verleden.

[...]

 

Copyright © 2020 Éditions Stock
Copyright Nederlandse vertaling © 2021 Manik Sarkar

pro-mbooks1 : athenaeum