Leesfragment: Het zout der aarde

17 februari 2021 , door Józef Wittlin
|

Józef Wittlins Het zout der aarde (Sól ziemi), uit het Pools vertaald door Dirk Zijlstra, is een van de Schwobboeken van deze winter. Zijlstra lichtte zijn vertaling voor ons toe, maar we brengen ook de eerste pagina's.

Het is juli 1914 en de keizer van Oostenrijk-Hongarije tekent een oorlogsverklaring aan Servië. De ceremonie vindt plaats op een onmetelijke afstand van Piotr, die in een uithoek van het immense Habsburgse keizerrijk woont. Piotr is een simpele ziel, ongeletterd en goedgelovig, en hij vereert de keizer als een godheid. Hij doet klusjes op het dorpsstationnetje en zijn kostbaarste bezit is een afgedankte baanwachterspet.

Na enkele weken bereikt het wereldgebeuren Piotr dan toch. Wanneer hij zijn dienstoproep krijgt, aan hem voorgelezen door een gendarme, is het alsof God zelf hem een bevel heeft gegeven. Hij begint zijn reis naar het front en probeert te begrijpen wat er in de wereld om hem heen gebeurt, terwijl hij wordt verslonden door de onmenselijke machinaties van het oorlogsapparaat.

De eerste Nederlandse vertaling van Het zout der aarde werd in 1937 gezamenlijk uitgegeven door de uitgeverijen Allert de Lange en Wereldbibliotheek. Zij waren getipt door Joseph Roth, die goed bevriend was met Józef Wittlin. De vertaling werd gemaakt door Abraham Elias Boutelje, die zes jaar later in Sobibor omkwam.

Deze geheel nieuwe vertaling door Dirk Zijlstra is voorzien van een nawoord door Madeleine Rietra, vicevoorzitter van het Internationale Joseph Roth Genootschap in Wenen.

 

Proloog

I

De zwarte tweekoppige vogel, de adelaar met zijn drie kronen, klemt de gouden appel en het ontblote zwaard krampachtig in zijn klauwen. Waarom is hij plotseling boven onze hoofden verschenen? Waarom heeft hij de hemel met zijn zwarte verenmassa verduisterd? Klapwiekend, met gerinkel van zijn gouden kettingen, behangen met zijn wapenschilden, is hij weggevlucht van het zwart-gele schild boven de tabakswinkel waar mijn broer zijn sigaretten kocht. Als een opgejaagde haan heeft hij zich plotseling losgerukt van het geëmailleerde bord boven de poort van het postkantoor, net toen ik een telegram wilde versturen aan mijn moeder in het dorp om haar te melden dat mijn zoon geboren was. Het warme en gerieflijke nest dat jarenlang de poort van de school, de rechtszaal en de bajes tooide, heeft hij verlaten. Hij is weggevlogen van de ronde, rode lakzegels op de doopcelen, de huwelijks- en overlijdensakten. Hij is ineens verdwenen van mijn gescheurde nationaliteitsbewijs, weggestoven van het vonnis dat mij tot tien kronen boete veroordeelde wegens het onbevoegd betreden van het spoor. Gedeserteerd van de messingen knopen van de postbode, van de pet van de belastingambtenaar, van de helm van de gendarme. Hij zweeft nu als een reusachtige zwart-gele aeroplaan met het zwaard in zijn knuist boven onze hoofden.
Mijn broer is een lezer van sensatieblaadjes. Mijn broer is een bode in een handelsonderneming. Mijn broer, mijn broeders zien hoe de adelaar in de lucht zweeft en zijn kippenpoot met het heraldische zwaard dreigend uitstrekt. Als een goddelijke bliksemflits komt het scherpe zwaard in zijn scherpe klauwen naderbij, totdat het plotseling uit de hoogte neerstort en het lemmet het verre hart van mijn moeder, onze moeder, de oude boerin, doorklieft terwijl ze gebogen over de aarde met haar houweel de laatste oogst van dit jaar eruit trekt: aardappels.
Mijn broer is een eenvoudige man. Mijn broeders zijn eenvoudige lieden: kappers, schoenmakers, spoorwegmannen, trambestuurders, gieters in reusachtige ijzergieterijen, kantoorbedienden, kelners, boeren. Boeren.
Mijn zuster is een eenvoudige vrouw. Dat zijn ze allemaal: eenvoudig en praatgraag. Marktvrouwen, strijksters, coupeuses, naaisters, meisjes-voor-alles, zoogsters van kinderen die beter zijn dan de mijne.
Ze zagen, hoorden, lazen het in hun blaadjes, bekeken het op kleurige ansichtkaarten. Misschien zag, hoorde en las ik het zelf ook.

 

II

Iedereen was van zijn plaats opgestaan. De oude rococofauteuils haalden opgelucht adem, plotseling bevrijd van het verpletterende gewicht van de eerbiedwaardige lijven. Beneden, voor de poort, dreunden de beslagen laarzen van de paleiswacht tegen elkaar. De soldaten van het 99e Moravische regiment infanteristen hadden het oeroude privilege deze heilige plaats te bewaken.
‘Gewehr heraaaaaus!’ loeide de wachtpost als de sirene van een locomotief die de slachtoffers van een ramp de laatste eer bewijst. De wacht presenteerde het geweer.
Een kale, lange fat met een koele glimlach onder een zwart snorretje schraapte zijn keel. Vandaag mocht hij een hoofdrol spelen. Als kind al hield hij erg van geschiedenis. Heel erg. Hij wierp nog eens een uitdagende blik op de ministers die verstard zaten te wachten. Hun galagezichten, gewoonlijk nogal zuur en somber, getuigden van ernstige aderverkalking. Versleten zuigers pompten het blauwe bloed nog maar met moeite naar het hart van deze mannen. Het was algemeen bekend voor wie dat hart klopte. De geschiedenis zelf getuigt ervan voor wie zij zwoeren ‘de laatste druppel’ van hun bloed te zullen geven. Vooral toen niemand het verlangde. Intussen worstelde dit bloed met zijn eigen degeneratie.
De blik van de hoffelijke fat bleef toen rusten op de zilveren pruik van Maria Theresia, die vanaf een reusachtig portret met grote, schaamteloos mannelijke ogen de rond de tafel verzamelde kaalkoppen en baarden opnam. Op de pruik, boven de vergulde kroonrand, vlamden met rood, groen, violet vuur grote edelstenen in de kroon van de heilige Stefan, en erbovenop helde het kruis. De kroon gloeide in het licht van de ondergaande zon, plengde kleurige tranen, maar nog sterker fonkelden de ogen van de heerseres. Zíj had nooit aderverkalking gehad.
Een rijtuig reed ratelend voor de poort. Droog geluid van geweerkolven die aan de voet werden gezet. Droog gehoest daarbeneden.
De voorname dubbele deur knalde open. Twee slanke gardeofficieren stelden zich aan weerszijden van de deuropening onbeweeglijk op, als de twee standbeelden in de vestibule van het hoftheater. Een geheimzinnige plechtigheid, alsof in een lege, koude marmeren nis twee levende gestalten plotseling werden ingemetseld in een doodse stilte. In die stilte stierf het gedempte, glasachtige gerinkel van hun sporen weg.
De heren zetten snel hun galagezicht op. De kleine, gedrongen chef van de generale staf fronste zijn borstelige wenkbrauwen. Zijn hoofd met grijzend stekeltjeshaar helde lichtjes over naar de kant van zijn linkerborst, waarop weldra de hoogste kruizen en sterren zouden ontluiken. De kale fat, de minister van Buitenlandse Zaken, ging ongeduldig van het ene op het andere been staan. Hij had likdoorns van de nauwe lakschoenen die hij ambtshalve vaak moest dragen. Je moest indruk weten te maken op die ambassadeurs! Als enige in het gezelschap parfumeerde hij zich. Overigens zeer discreet. Het parfum werd gewoonlijk rechtstreeks uit Parijs gehaald. Hij had geen vertrouwen in nationaal fabricaat.
Plotseling brachten twee grijsaards in generaalsuniform, met een eigele sjerp over de borst, een derde grijsaard in een lichtblauw jasje naar binnen. Hij was krom en steunde op een wandelstok met een zilveren handgreep. Alle drie hadden ze grijze bakkebaarden en ze leken op elkaar als drie postzegels. Het leven dat ze al vele jaren hadden gedeeld, de gedeelde verveling en de gedeelde genoegens, hadden hun hetzelfde uiterlijk verschaft. En zonder het Gulden Vlies bij de derde knoop op de borst van zijn gebogen gestalte zou een onbekende in dat huis niet herkennen wie van de drie grijsaards bij de genade Gods de keizer van Oostenrijk was, de apostolische koning van Hongarije, koning van Bohemen, Dalmatië, Kroatië en Slavonië, koning van Galicië en Lodomerië, koning van Illyrië, aartshertog van Opper- en Neder-Oostenrijk, groothertog van Zevenburgen, hertog van Lotharingen, Karintië, Kraïna, de Boekovina, Opper- en Neder-Silezië, vorstelijk graaf van Habsburg en Tirol, markgraaf van Moravië, koning van Jeruzalem, enz. enz., en wie zijn adjudanten waren: graaf Paar en baron Bolfras.
De ministers en generaals neigden het hoofd. Slechts eentje, de derde bebakkebaarde dubbelganger van de majesteit, bleef rechtop staan. Daar had hij recht op. Op zijn borst, die toch duidelijk jonger was dan die van de keizer, droeg ook hij het Gulden Vlies. Hij was namelijk de kleinzoon van de overwinnaar van de Slag bij Aspern, van aartshertog Karel.
De zetel waar de keizer op ging zitten was bekleed met rood pluche en stond onder het portret van Maria Theresia. Even later leek het alsof de ogen van de keizerin over het hoofd van Franz Joseph heen de borstelige wenkbrauwen van de kleine baron Conrad zochten om hem eraan te herinneren dat de hoogste onderscheiding voor een officier van het keizerlijke en koninklijke leger háár orde, de orde van Maria Theresia, was, is en altijd zal blijven. Conrad wist waarvoor je die ontving. Der Prinz von Homburg van Heinrich von Kleist kende hij bijna uit zijn hoofd.

 

© S. Fischer Verlag GmbH, Frankfurt am Main
© 2020 Nederlandse vertaling Dirk Zijlstra / Uitgeverij Wereldbibliotheek

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum