Onze boekhandels zijn open! Kom langs of bestel telefonisch, via WhatsApp, per e-mail of via de webshop. #steunjeboekhandel, ook online

Leesfragment: Na de moord in Amsterdam

29 september 2021 , door Ian Buruma
| | | |

30 september verschijnt de bijgewerkte editie van Ian Buruma’s Na de moord in Amsterdam. De moord op Theo van Gogh en de grenzen van tolerantie (Murder in Amsterdam, vertaling Henk Schreuder). Lees bij ons zijn nieuwe voorwoord.

In Na de moord in Amsterdam keert Ian Buruma zeventien jaar na de moord op Theo van Gogh terug naar de ‘plaats delict’ en vraagt zich af wat er veranderd is en wat niet. Nederland belandde in een identiteitscrisis. Van Gogh liet zich provocerend uit, maar vóór 2 november 2004 was het ondenkbaar geweest dat iemand in ruimdenkend Nederland deze prijs voor zijn mening zou moeten betalen. Ian Buruma probeerde de crisis te doorgronden. Zijn boek stuitte destijds op kritiek van mensen die de islam zagen als een bedreiging voor ‘onze westerse waarden’. In hoeverre hadden deze critici gelijk? En hoe heeft de reactie op de moord op Van Gogh zich verder ontwikkeld?

Buruma’s nieuwe essay bij dit nog steeds actuele boek is een belangrijke bijdrage aan het felle debat over rechts-populisme, de vermeende islamisering van het Westen, en het ‘multiculturele drama’ dat sommigen hadden voorspeld.

N.B. Lees ook van Ian Buruma fragmenten uit Het Churchillcomplex, Tokio mon amour, Hun beloofde land en Het loon van de schuld. We bespraken ook Grenzen aan de vrijheid. Van de Sade tot Wilders.

 

Voorwoord

Zeventien jaar geleden werd Theo van Gogh vermoord door Mohammed B. Maar het voelt eigenlijk als langer geleden. De paniek die toen losbrak is nu moeilijk voor te stellen. Normaal gesproken verstandige mensen waarschuwden voor een burgeroorlog. Aan de islam zou de westerse beschaving ten onder gaan. En zo nog meer.

Nu hoor je niet meer zoveel over de islam als de grootste bedreiging voor de westerse beschaving, althans niet in Nederland. Geert Wilders dramt er nog wel over door, maar veel mensen winden zich nu eerder op over ‘de linkse elites’, ‘witte suprematie’, ‘transfobie’, of samenzweringen van Bill Gates of George Soros om de wereld naar hun hand te zetten. Dit wil niet zeggen dat de Jihad is uitgewoed. Irak, Syrië, Indonesië, Afghanistan, om maar een paar landen te noemen, bewijzen het tegendeel. Maar in Nederland is er een tijdlang geen aanslag gepleegd door islamisten; in Frankrijk en België wel. De sfeer kan natuurlijk snel omslaan. Er hoeft maar een moord of bomaanval plaats te vinden in naam van de Profeet en het hek is weer van de dam.

Eén tendens die ik vijftien jaar geleden beschreef is alleen maar sterker geworden: als reactie op de moord op Theo van Gogh en de vermeende vertroeteling door linkse elites van ‘allochtonen’ heeft radicaal-rechts, ooit een marginaal verschijnsel, een nog grotere mond – en zetels in het parlement – gekregen. Maar ik heb me verkeken op de manier waarop dat in zijn werk zou gaan, en wie de hoofdrollen zouden gaan spelen. Thierry Baudet was toen nog een obscure student in Leiden. Voor mijn boek heb ik wel een uitgebreid interview afgenomen met Geert Wilders. Hij zou mij nu verre van zich houden, maar in 2005 was dit nog mogelijk. Ik heb geen woord van dit gesprek gebruikt. Wilders maakte geen enkele indruk op me. Na Wilders sprak ik met Marco Pastors, lijsttrekker van Leefbaar Rotterdam, en dacht áls iemand van rechts zou doorbreken in de Nederlandse politiek, dat Pastors zou zijn. Een mens kan zich vergissen.

Geert Wilders stond en staat natuurlijk niet alleen. In de heftige reacties op de moord op Van Gogh speelde Nederland een soort pioniersrol. De schrik over de bloedige terreur van Mohammed B. gaf een impuls aan radicaal-rechtse bewegingen overal. In 2011 richtte de Noor Anders Behring Breivik een nog groter bloedbad aan met een bomaanslag in Oslo en de moord op negenenzestig jongeren in een sociaaldemocratisch zomerkamp. Hij was net als Mohammed B. in isolatie geraakt en van zijn omgeving vervreemd. Maar een langdradig en opgewonden pamflet van zijn hand laat zien hoezeer hij was geïnspireerd door activisten die niet aflaten te waarschuwen voor de islamitische bedreiging van de westerse beschaving. Onder zijn helden bevond zich Geert Wilders.

Een van de gevolgen van de nationale paniek omstreeks 2005 was dat men zich ging verschansen in vijandige kampen. Je had de Vrienden van Theo, en ook de Vrienden van Ayaan (Hirsi Ali). Onder die Vrienden bevonden zich mensen van verschillende politieke pluimage. Frits Bolkestein was een Vriend, en Max Pam. Maar er waren ook bekende feministen en anderen die uit progressieve overwegingen de islam zagen als een ernstige bedreiging. Job Cohen, de toenmalige burgemeester van Amsterdam werd nogal verguisd onder de Vrienden omdat hij in samenwerking met moslims trachtte ‘de boel bij elkaar te houden’. Dit werd slap, en door sommigen zelfs verraderlijk gevonden. Het woord ‘landverrader’ werd gemakkelijk in de mond genomen, en dat tegenover een Joodse Nederlander, wiens grootouders in Bergen-Belsen werden vermoord.

Enkele prominente Vrienden kende ik persoonlijk; met sommige was ik zelfs bevriend. Maar ik woon niet in Nederland en was daarom een buitenstaander. Ik maakte geen deel uit van een of ander kamp. Wel koesterde ik een zekere bewondering voor Cohen, maar ik had ook sympathie voor Ayaan Hirsi Ali, met wie ik het aanvankelijk uitstekend kon vinden. Ik was het eens met haar protest tegen de repressie en bekrompenheid van religieuze orthodoxie, wat niet wil zeggen dat ik me kon vinden in alles wat ze zei, of in de manier waarop zij dit deed. Theo van Gogh zelf had tijdens zijn leven veel mensen geschoffeerd. Mij niet. Ik kende hem niet goed, maar hij was altijd vriendelijk, waarschijnlijk omdat ik zelden in zijn buurt kwam en daardoor buiten schot kon blijven.

Religie heeft in mijn leven nooit een rol gespeeld. Mijn ouders – vader uit een vrijzinnig protestants milieu, moeder uit een geassimileerd Joods gezin – hadden geen enkele godsdienstige binding. Ik kan mij daarom de luxe veroorloven om religie met een mate van onverschilligheid te bekijken. Als mensen in God, of Christus, of de Boeddha willen geloven, dan mogen ze dat van mij. Ik heb nooit last gehad van priesters, dominees of rabbijnen, dus kan ik me niet echt kwaad maken over de clerus. Maar ik loop ook niet warm voor atheïsme. Dat is me te dogmatisch; het lijkt te veel op een alternatief geloof.

Mohammed B. was natuurlijk niet zomaar een gelovige. Zijn religie was niet zozeer spiritueel, als wel een vorm van politiek extremisme. Islamisme is een radicale politieke beweging, vandaar het -isme achter de islam. Het kalifaat is een aards ideaal. Wereldlijke macht is waar het om gaat. Dat Theo van Gogh daarom moest sterven is gruwelijk. Heel wat meer mensen zijn hem gevolgd als slachtoffers van terroristen die moorden in naam van de islam. De extreme tegenreactie, à la Breivik, is evenzeer te vrezen.

Maar mijn boek was geen politiek pamflet. Noch was het bedoeld om een uitdrukking te geven aan mijn verontwaardiging. Dit betekent niet dat woede over een vreselijke moord niet op zijn plaats zou zijn, of dat ik geen politieke mening zou hebben. Maar de reden dat ik over de aanslag in Amsterdam wilde schrijven was anders. Ik zag de moord als een drama, een Hollandse tragedie, een bloedige climax van een botsing tussen drie markante en heel verschillende figuren.

Theo was een nogal extreem Hollands product van de baldadige jaren zestig, een levenslange provo die het niet kon laten om elke vorm van autoriteit te sarren, en iedereen in zijn omgeving vaak op onbeschofte manier op stang te jagen. Een van de voordelen van de relatief veilige Nederlandse samenleving is dat zelfs de grootste provocateur meestal zijn gang kan gaan zonder al te ernstige gevolgen. Kalm aan, doe maar gewoon, het valt allemaal best mee: je kunt je gekwetst voelen door die kwajongen, maar we houden het gezellig, je snijdt hem niet de keel door.

Ayaan, dochter van een gecultiveerd en welgesteld gezin, werd geboren in het woelige Somalië en groeide op in Saoedi-Arabië en daarna in Kenia. Zij was belijdend moslima, maar zwoer haar geloof af in Nederland, waar zij met evenveel vuur en vlam een felle aanhangster werd van het atheïsme. Zij ontwikkelde zich tot een voorvechtster van ‘westerse waarden’, met name die van de Verlichting (een bekende historicus vergeleek haar met Spinoza), maar de burgerlijke, tolerante, doe-maar-gewooncultuur van Nederland bleef voor haar eerder een bron van ergernis dan van inspiratie. Haar on-Hollandse passie was voor vele met name mannelijke kikkers in de polder juist wel aantrekkelijk.

Mohammed B., geboren en getogen in Amsterdam, was in veel opzichten een gewone Hollandse volksjongen, die warmliep voor voetbal, bier en meisjes. Maar met die meisjes ging het niet altijd even soepel. Het vlotte ook in andere opzichten niet best in zijn leven. Zoals veel kinderen van immigranten, voelde hij zich niet lekker in het land van zijn geboorte en vervreemd van zijn land van herkomst. In pogingen om zijn plaats te vinden in de wereld, en zijn wankele zelfvertrouwen te sterken, stuitte hij via het internet op websites die een uitkomst leken te bieden. Als revolutionaire strijder voor de islam kon hij met opgeheven hoofd door het leven, en wraak nemen voor alle vernederingen die hij had ondergaan, of die hij meende te hebben ondergaan. Als islamist had hij een doel in zijn leven, een heilig doel.

Ik zag in de haast onvermijdelijke botsing tussen deze drie een verhaal dat iets wezenlijks kon blootleggen over onze tijd, en niet alleen in Nederland. In een goed verhaal, en dat geldt voor fictie en non-fictie, moeten de hoofdpersonen allemaal op hun eigen manier de lezer kunnen boeien; zij zijn niet noodzakelijk sympathiek, maar wel opmerkelijk. Het punt is niet dat je het als schrijver politiek of anderszins eens bent met de personen die je beschrijft. Tenslotte is iemand die volslagen ontspoord en vreselijke dingen doet even interessant, ik zou zelfs zeggen interessanter, dan iemand die zich op onberispelijke wijze gedraagt.

Even onvermijdelijk misschien als de botsing tussen mijn drie hoofdpersonen was de kritiek die mijn boek in Nederland losmaakte. De moord zelf had de gemoederen verhit, en de verschillende kampen hadden weinig geduld met ironie, kritische kanttekeningen, scepsis, of zelfs humor. Het ging tenslotte om zaken van leven en dood: de westerse beschaving, de nationale identiteit, de vrijheid van spreken, de Verlichting.

Hier en daar kreeg ik te horen dat ik onze vuile was in het buitenland had opgehangen. Ook vernam ik dat ik te lankmoedig was geweest in mijn beschrijving van Ayaan Hirsi Ali. De boosheid van Vrienden van Ayaan en Theo uitte zich vaak in pietluttige zaken: de fraaie suède schoenen van Gijs van de Westelaken waren helemaal niet duur geweest, hij had ze gekocht in de uitverkoop. En zo nog wat meer.

Belangrijker was het verwijt dat ik de ernst van het islamisme, en de bedreiging van ‘onze vrijheid’, niet serieus genoeg zou hebben genomen. Door aandacht te vestigen op mogelijke tekortkomingen in het gedrag van Theo van Gogh en de fanatieke stelligheid van sommige uitspraken van Ayaan Hirsi Ali zou ik geen moreel verschil hebben gezien tussen de dader en het slachtoffer. Dit standpunt werd verkondigd door Paul Cliteur in een discussie tussen meerdere mensen, waaronder ikzelf, op de Duitse website Perlentaucher. Voor hem was ik ‘een voorbeeld van postmodern relativisme’. Ik zou hebben beweerd dat ‘de ideeën en idealen van de Verlichting niet wezenlijk beter of wenselijker zijn dan die van de radicale islamitische ideologie’. Het bewijs voor mijn postmoderne relativisme zou zijn dat ik beide richtingen zou hebben geassocieerd met radicalisme en een universeel doel.

Mijn eerste reactie toen ik dit las was dat Cliteur een domoor was of van kwade trouw, want niets in mijn boek wijst erop dat ik de moorddadige waanideeën van Mohammed B. (aangenomen dat dat is wat Cliteur bedoelde met radicale islamitische ideologie) even hoog acht als de idealen van de Verlichting. Ik kan hem verzekeren dat de ideeën van Diderot, Locke, en Voltaire mij een stuk sympathieker zijn dan die van Osama Bin-laden. En zelfs de meest verstokte postmoderne relativist zal het toch ook met Cliteur en mij eens zijn dat het maken van een vijandig filmpje over de islam niet even erg is als een bloedige moord. Ik denk eigenlijk dat Cliteur noch een domoor is, noch noodzakelijk van kwade trouw. Hij heeft in mijn tekst gelezen wat hij wilde. Dit gebeurt wel meer en het is iets wat schrijvers tot wanhoop kan drijven.

Helaas is het wel zo dat elk ideaal, hoe mooi ook, zich kan lenen tot geweld. Het hangt er maar van af hoe je een ideaal toepast en interpreteert. De brandstapels van de Inquisitie stonden ver af van de vreedzame preken van Christus. In Sri Lanka worden heel wat mensen afgeslacht in naam van het boeddhisme. Ik heb inderdaad betoogd dat de islam – net als het christendom – universele pretenties heeft, vandaar de pogingen om mensen overal te bekeren. De beginselen van de Verlichting zijn ook bedoeld voor de hele wereld: de menselijke rede beperkt zich niet tot de ene of andere cultuur. Maar daarmee is nog niet gezegd dat het extreme islamisme van Mohammed B. moreel gelijk staat met de universele vrijheid van geest die Spinoza of Voltaire voor ogen stond. Zelfs de rigide wijze waarop sommige mensen de Verlichting zien als een baken van de westerse beschaving die pal moet staan tegenover moslims en andere hen vreemde elementen is niet hetzelfde als revolutionaire bloeddorst in dienst van een denkbeeldig kalifaat.

Mijn vergelijking tussen het radicalisme van bepaalde opvattingen over de Verlichting en over de islam was geen uiting van postmodern relativisme. Het was meer een poging om de tragedie in Amsterdam beter te begrijpen. Er was geen plaats in het wereldbeeld van Mohammed B. voor de ideeën van Theo van Gogh en Ayaan Hirsi Ali, en andersom. Alweer, dit betekent niet dat die beelden gelijk staan, moreel of anderszins. Noch was het een onvermijdelijk conflict tussen de islam en de seculiere beginselen van de Verlichting. De botsing vond plaats tussen een Hollandse provocateur, een apostaat en fanatieke tegenstander van islam, en een man die zich door Allah geroepen voelde om ongelovigen te doden.

Dogmatisch denken is nooit goed, ook niet in naam van de Verlichting. De denkers die wij met de Verlichting associëren werden in Europa geboren, en hun cultuur was ontegenzeggelijk Europees. Maar als iemand beweert dat de Verlichting het bewijs is van de superioriteit van de westerse beschaving, en daarom als een bolwerk moet dienen tegen andere beschavingen, dan ben ik inderdaad een relativist. Ik wil best de intellectuele verworvenheden van bepaalde Europese denkers koesteren, maar niet omdat de westerse beschaving per se superieur is aan andere.

Cultuur is ook niet exact hetzelfde als een politiek systeem, hoewel er vaak wel een verband bestaat. Ik verkies de Amerikaanse democratie boven het communistische regime in China. Is daarom de Chinese beschaving inferieur aan die van de vs? Zodra we onze identiteit volkomen vereenzelvigen met een beweging, een filosofie, of een politiek systeem, dan komen we op het terrein van religie. Dat is de val waar Mohammed B. intrapte. Mijn scepsis over de neiging om van de Verlichting een soort geloof te maken betekent niet dat ik Ayaan en Theo gelijkstel met Mohammed B., maar wel dat we ons moeten hoeden voor het dogmatische denken dat juist lijnrecht tegenover de Verlichting staat, of althans tegenover mijn opvatting van de Verlichting.

Wat dat betreft zijn we er sinds de moord in Amsterdam niet op vooruitgegaan. Ik beschreef het oranje legioen dat oprukte voor de strijd tegen Duitsland in het voetbalstadion te Rotterdam als een nogal onschuldig voorbeeld van een tribale jamboree. Hun aanbidding van de nationale en koninklijke kleuren kun je zien als een pseudoreligie, maar niemands hersens werden ingeslagen. Het waren geen jihadis. Maar ik zag wel een menselijke behoefte om zich achter een vlag te scharen, om een gemeenschappelijke identiteit te vieren, om zich af te zetten tegen anderen. Het voetbalstadion is een geschikte plek om dergelijke driften op een onschadelijke manier uit te leven. Op het terrein van politieke of religieuze orthodoxie wordt het linker.

En juist daar is het in de jaren sinds de moord op Theo van Gogh misgegaan. Overal in Europa, maar ook in India en de vs, gedragen radicale politieke partijen zich steeds meer als agressieve tribale voetbalsupporters. Vijandigheid tegen minderheden, brallerig nationalisme, en vooroordelen over ras en afkomst bepalen steeds meer de politiek, ook in landen waar dergelijke tendensen sinds de Tweede Wereldoorlog meestal in toom werden gehouden. In de vs haalde een volksmenner zelfs het Witte Huis. In Nederland haalde de partij van Geert Wilders, de man waar ik geen enkel brood in zag, in 2021 zeventien zetels.

Maar ook in het ‘progressieve’ protest tegen rechtse politiek zien we een vernauwing en een ideologische obsessie met identiteit. Hoe meer radicaal rechtse politiek verlangt naar een denkbeeldig verleden van witte homogeniteit, en een nationale ons-kent-onscultuur toen er nog geen moskee stond in Purmerend, toen mannen nog mannen waren en Zwarte Piet zich nog op straat kon vertonen, hoe meer het progressieve kamp zich vastbijt in identiteitspolitiek rondom gender, lhbti, en Zwart met een hoofdletter. De toekomstige burgeroorlog die sommigen zagen aankomen in 2005 tussen Europese autochtonen en islamitische allochtonen heeft zich allang uitgebreid naar een allegaar van onderling vijandige kampen, die allemaal strijden voor hun identiteit en hun idee van deugdzaamheid.

Het open kosmopolitische gedachtegoed van de verlichtingsdenkers is ver te zoeken. Voltaire, Diderot et cetera waren geen gangmakers voor de superioriteit van de westerse beschaving. Integendeel, zij hadden juist een grote intellectuele belangstelling voor niet-westerse culturen. Wat zo vaak ontbreekt bij sommige vaandeldragers van de westerse beschaving is de openheid van de philosophes, hun nieuwsgierigheid, hun humor en verdraagzaamheid. In die zin is het inderdaad zaak om de Verlichting te eren. Ik hoop dat mijn boek in die geest zal worden gelezen. We leven nu in een tijd waarin openheid, scepsis, kosmopolitisme, en tolerantie steeds meer onder druk staan. Maar het tij kan keren. Ik kan alleen hopen dat mijn boek aan de kering van het tij een bijdrage zal leveren.

 

© 2006, 2008 Ian Buruma, © voorwoord Ian Buruma 2021
© 2006, 2008 Nederlandse vertaling Henk Schreuder

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum