Leesfragment: Vuurtorenberichten

11 juni 2021 , door Jazmina Barrera
|

Onlangs verscheen Vuurtorenberichten van Jazmina Barrera (Cuaderno de faros, vertaald door Joep Harmsen en Merijn Verhulst). Lees bij ons een fragment!

Vuurtorenberichten, het eerste boek van Jazmina Barrera dat in Nederlandse vertaling verschijnt, is te lezen als een reeks essays, een reisverslag langs vuurtorens op verschillende continenten, maar ook als een autobiografische roman van een jonge schrijfster op zoek naar een thema.

Vuurtorenberichten gaat over literatuur, kunst, films en, uiteraard, over vuurtorens. Maar het gaat ook over verzamelen, eenzaamheid, licht en de zee. Of, zoals Paris Review het verwoordt: ‘Dit boek is het licht aan het eind van de tunnel, het toont ons de plekken die we zullen zien en de dingen die we zullen doen wanneer we weer met zijn allen naar buiten kunnen.’ Vuurtorenberichten is een boek dat te vergelijken valt met Valse papieren van Valeria Luiselli en Oogzenuw van María Gaínza, maar het is toch vooral de doorbraak van een zeer talentvol schrijfster met een heel eigen stem.

N.B. Lees ook onze bespreking van Vuurtorenberichten.

 

Yaquina Head

We arriveerden in Portland waar we zouden verblijven in het huis van Willey, de partner van mijn tante. Willey was in zijn jeugd hospik en Black Panther geweest; elke dag werkte hij dezelfde routine af, die bestond uit een overvloedig ontbijt van ei met spek, griesmeelpap en toast, het lezen van de krant, en twee of drie sigaretten op het balkon van zijn huis.
Ik rook niet, maar al op de eerste dag in dat huis stond ik een hele poos op het balkon dat uitkeek over de rivier, die vol lag met boten en zeevogels. Ik neem aan dat het enigszins overeenkwam met roken. De volgende dag namen we de snelweg naar het zuiden. Mijn neef, die twee meter lang is, en ik zaten tegen elkaar gepropt op de piepkleine achterbank van de rode pick-up die Willey my baby noemde. We verbleven een nacht in het met een laag sneeuw bedekte hotel waar The Shining was opgenomen, naast de krater van een slapende vulkaan, die inmiddels een saffierblauwkleurig meer was geworden.
Twee jaar later was ik opnieuw in Portland. Mijn moeder, mijn tante, Willey en ik gingen naar het kustplaatsje Newport. Het was september. In dezelfde pick-up reden we over een door bossen omgeven snelweg en stopten om marionberry-cupcakes – bereid met een lokale, endemische bes – te eten in een diner langs de snelweg, die gerund werd door een stel vriendelijke oudjes. Ik herinner me dat ik mijn hoofdtelefoon op had en de bladerloze bossen voorbij zag schieten, met zwarte, later witte en uiteindelijk rode boomstammen. We kwamen aan in Newport en nog nooit had ik voor zo’n grijze, zo’n koude zee gestaan. Zelfs in de zomer verzonk het dorp helemaal in de nevel en moest je tussen de wolken op zoek naar het hotel.

*

Wat verzamelingen betreft ben ik een hopeloos geval. Als meisje was ik altijd onder de indruk van de kinderen die álle poppen van Saint Seiya hadden, of de speeltjes uit de zakjes chips die je kon sparen. Hoe hard ik mijn best ook deed, die prestaties waren voor mij te hoog gegrepen. Twee verzamelingen die wel enige vorm wisten aan te nemen waren edelstenen (inmiddels weet ik dat het niet meer dan een heleboel verschillende soorten kwarts waren) en knikkers. Ik had een fascinatie voor kleuren en texturen, misschien dat ik ze daarom verzamelde. Ook kwam ik een heel eind met een verzameling gedroogde bloemen – die heb ik nog altijd, en zij bevat exemplaren uit de verschillende tuinen van mijn leven.
Maar mijn grootste verzameling is mijn boekencollectie. Als kind las ik mijn boeken altijd meteen op de dag dat ik ze kocht. Tot aan mijn puberteit had ik de boeken die ik bezat ook daadwerkelijk allemaal gelezen. Maar op zeker moment had ik meer boeken dan tijd om ze te lezen, en plotseling drong het tot me door dat ik waarschijnlijk nooit alles zou lezen wat er op mijn planken stond (er bestaat een Japans woord voor deze situatie: tsundoku). Nu kan ik onderscheid maken tussen twee verzamelingen: die van de boeken an sich – de fysieke voorwerpen – en die van de leeservaringen, die net zo begeerlijk zijn en die zich evenzeer ophopen.

*

Ik wist niet wat vuurtorens waren, maar ik had als kind al wel over eentje gedroomd; hij was verlaten en stond ver van de kust. Onder de toren stond een huis met een tuin waar ik met mijn ouders in woonde. In de droom vroeg ik aan mijn vader wat hij gevonden had op zijn ronde langs de vervallen kamers. Hij antwoordde dat hij er alleen maar het skelet van een vleermuis had aangetroffen. Ik drong erop aan er zeker van te zijn dat het dier wel dood was, maar hij zei in zichzelf, als in de trailer van een horrorfilm: ‘Dood, maar levend.’ De top van de vuurtoren was te zien: een donkere zolder waar het skelet van de vleermuis met zijn benige handen in een ketel met toverdrank roerde. De camera zoomde vervolgens in op de schedel, die met een scherpe stem zei: ‘Ik ben van plan mij te wreken op wie mij doodde.’

*

In Moby-Dick zegt Melville dat mensen op een natuurlijke wijze aangetrokken worden door het water. Op zeker moment legt Ishmael uit waarom mensen hun spaargeld aanspreken en hun kerstbonus uitgeven om dat saffierblauwe meer in de krater van een vulkaan te bezoeken, een waterval zo hoog dat het water verdampt voor het de rotsen raakt, een verzameling putten waar heel kleine, prehistorische wezens midden in de woestijn leven, een verborgen cenote in het oerwoud. Hij legt de fascinatie uit voor een kleur die we vandaag International Klein Blue zouden noemen en het turquoise van Laguna Bacalar in Quintana Roo. Alle wegen leiden naar het water, zegt Ishmael: ‘En de reden waarom niemand zijn oorsprong kan weerstaan is dezelfde waarom Narcissus in zijn eigen gezicht verdronk: omdat in het water het ongrijpbare spook van het leven getekend wordt.’
De reflecterende gave van het water bracht Joseph Brodsky op de gedachte dat als de geest van God zich vlak boven het wateroppervlak zou voortbewegen, je in het water wel zijn spiegelbeeld moest kunnen zien. Voor Brodsky was God de tijd; water is de manifestatie hiervan en een golf die aan de oever breekt is een kort moment dat aan het water ontsnapt. Als dat allemaal waar is, is wie vanuit een vliegtuig het oppervlak van de zee bekijkt in feit getuige van het rusteloze gezicht van de tijd.
Geen enkele kustbeschaving, geen enkele beschaving aan grote meren of langs belangrijke rivieren heeft ooit de drang kunnen weerstaan om het water te bevaren, de uitgestrektheid van de zeeën te ontdekken en zichzelf of goederen over de golven te verplaatsen. Niettemin zien zeevaarders er in hun boten net zo kwetsbaar uit als pinguïns op het land. Water is even bekend en noodzakeijk als vreemd en bedreigend. Ondanks dat het grootste deel van het menselijke lichaam uit water bestaat, kan water nog altijd levensgevaarlijk zijn.
De eerste vuurtorens kwamen voort uit een collectieve wil om te waarschuwen voor gevaarlijke zones, voor kusten en nabijgelegen dokken. Tegenwoordig vinden er niet meer zoveel schipbreuken plaats, maar gedurende lange tijd waren ze aan de orde van de dag: in 1853 vergingen in Engeland 832 boten, volgens Jean Delumeau, die in zijn boek La peur en Occident Rabelais’ personage Pantagruel citeert, wanneer die zijn angst opbiecht voor de zee en voor ‘dat soort dood, door schipbreuk’, dat hem afgrijselijk lijkt. En hij voegt eraan toe, Homerus aanhalend: ‘In de zee omkomen is iets ernstigs, weerzinwekkends en ontaards.’
In veel mythologieën wordt de hel omgeven door water, en die is alleen varend te bereiken, want, in Delumeaus woorden, in de oudheid werd de zee ‘in het collectieve bewustzijn geassocieerd met de ergste beelden van angst. Hij stond op één lijn met de dood, de nacht en de afgrond’.
De Maya’s bouwden vanbinnen verlichte monumenten om aan te geven waar het riskant was om aan te meren of waar je dat juist wel kon doen. De Kelten staken langs te kust vuren aan om berichten over te brengen. Maar het waren de Grieken die de vuurtorens hun naam gaven.
Vuur dat het einde van de zee aangeeft. Homerus heeft het in de Ilias over brandende torens, met vuurkorven die je in de gaten moest houden, als het heilige vuur in de tempels van Apollo. Hij heeft het over een vuur op een afgelegen plek, boven op een berg, zichtbaar voor de zeevaarders die op zee zwierven – wanneer de stormen hen van hun bondgenoten hadden afgedreven –, glanzend als het schild van Achilles en ‘zelfs zichtbaar voor de goden’.
Het lijkt erop dat er tijdens de Trojaanse Oorlog een vuurtoren aan de ingang van de Hellespont stond, en ook een bij de Bosporus. Suetonius zegt dat er een vuurtoren stond op het eiland Capri, en Plinius de Oude heeft het over weer andere in Ostia en Ravenna (hij waarschuwt ons er ook nog voor ze niet met de sterren te verwarren). Herodianus verwijst naar ‘torens van licht in de havens, waarvan het vuur ’s nachts de boten oriëntatie biedt’. Een hiervan was de vuurtoren die alle vuurtorens die zouden volgen hun naam gaf: de Pharos* van Alexandrië. Op het eiland Pharos, dat Odysseus bezocht, en waarvandaan ‘opnieuw gekalibreerde schepen’ koers zetten naar open zee, stond de enorme vuurtoren die Ptolemaeus I Soter, een Macedonische veldheer onder Alexander de Grote, in de derde eeuw voor Christus had laten bouwen.
Het was een enorme, 135 meter hoge toren van natuursteen met glazen gewelven, met vlammen die samen met een schitterend beeld van de god Helios de top vervolmaakten. Het verhaal gaat dat de architect Sostratos van Knidos zijn naam in het steen beitelde, de stenen bedekte met een laag kalk, en daarop de naam van Ptolemaeus schreef, in de wetenschap dat de kalk uiteindelijk zou verweren en zijn eigen naam wél de tand des tijds zou weten te doorstaan. Dag en nacht brandde het vuur, dat tot op 56 kilometer buiten de kust te zien was. De vuurtoren overleefde de hangende tuinen en elk van de andere wereldwonderen, tot hij in 1323 verwoest werd door een aardbeving. Maar Alexandrië zou voor altijd de stad blijven van de vuurtoren, die als een enorm spook in de geschiedenisboeken werd opgenomen.
‘Dezelfde straten en blokken branden in mijn herinneringen, precies zoals de Pharos in de geschiedenis brandt,’ zegt de verteller van Justine, het eerste deel van Lawrence Durrells The Alexandria Quartet. In de roman versmelt de hoofdpersoon met de stad, omdat ze allebei verleidelijk, stormachtig en onbereikbaar zijn.
Later begonnen op andere plekken in de wereld vuurtorens te verschijnen. In Rome en nabijgelegen regionen werden bij haveningangen hoge torens geplaatst die de vuurtoren van Alexandrië imiteerden, bijvoorbeeld de Herculestoren van A Coruña. Er wordt gezegd dat keizer Caligula in een van zijn waanzinnige buien Neptunus de oorlog verklaarde. Hij wilde hem beledigen door schelpen van het strand te rapen, maar omdat Neptunus niet reageerde, besloot de keizer dat hij gewonnen had. ‘Als getuigenis van zijn overwinning liet hij een heel hoge toren bouwen, waarin ’s nachts, zoals bij een vuurtoren, vuren werden aangestoken om zo de boten op zee te gidsen.’
Vuurtorens werkten aanvankelijk met houtvuur, later met houtskool en uiteindelijk met teer. Nog later kwamen de lantaarns op olie en gas, en zodra er energie opgewekt kon worden, werden er gloeilampen geïnstalleerd. Het licht dat ze geven wordt versterkt door de fresnellenzen: fantastische glazen koppen met de smoel van een prehistorisch monster die het licht mijlenver over zee kunnen voeren.
De oudste vuurtorens die nu nog overeind staan komen uit de Middeleeuwen. Deze bakens hadden af en toe vuren die de boten moesten waarschuwen dat de kust nabij was. In vroeger tijden zorgden de monniken voor de vuurtorens, uit eigen beweging en te goeder trouw. Hun inspanningen contrasteerden met de houding van de monarchen, die zich het eigendomsrecht toekenden over alles wat door schipbreuken op hun kust aanspoelde (inclusief de mannen en vrouwen). Dat was een van de redenen waarom streken als Normandië opbloeiden, waar de woelige baren de schepen vaak tot zinken brachten. In diezelfde periode bouwde China gigantische pagodes die dienstdeden als vuurtorens.
In 1321 werd in Genua La Lanterna gebouwd, waar halverwege de vijftiende eeuw Antonio Colombo vuurtorenwachter was, volgens meerdere bronnen een oom van de zeevaarder Christoffel Columbus.

[...]

 

* Dat ‘naamgeven’ is in ieder geval in de Romaanse talen het geval: ‘vuurtoren’ is in het Spaans en Italiaans ‘faro’; in het Frans is het ‘phare’; en vergeet ook het Portugese ‘farol’ en het Roemeense ‘far’ niet. (noot van de vertalers)

 

Copyright © Jazmina Barrera
c/o Indent Literary Agency, www.indentagency.com
Copyright Nederlandse vertaling © Joep Harmsen, Merijn Verhulst en Uitgeverij Karaat

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum