Leesfragment: De glimlach van het lam

16 oktober 2022 , door David Grossman
|

20 oktober verschijnt bij gelegenheid van de toekenning van de Erasmusprijs aan David Grossman De glimlach van het lam (vertaling Shulamith Bamberger) in een nieuwe editie. Lees bij ons een fragment!

Uri, een Israëlische soldaat, zit in de cel omdat hij bij de oude Palestijn Hilmi was. Onder een citroenboom luisterde hij naar de ‘fantastische’ verhalen uit diens Arabische dorp, over de vrouwen met wie Hilmi een gedwongen huwelijk moest aangaan, over de koppige zoon, de nog koppiger dorpsezel en de onbarmhartige bezetters. Toen Uri’s commandant zei dat al het contact met Palestijnen verboden is, ook al zijn ze zoals Hilmi halfblind en mesjogge, kieperde Uri de soep over diens broek en bleef hij Hilmi opzoeken. Omdat hij begreep dat in Hilmi’s verhalen meer waarheid zat dan in het legernieuws en alles wat zijn vriend Katzman bij elkaar fabuleerde. Alsof Katzman daarmee wilde zeggen: ‘als ik al niet te vertrouwen ben, dan een Arabier al helemaal niet!’.

In De glimlach van het lam weet David Grossman ons met zijn precieze blik te fascineren voor de verborgen kanten van de menselijke ziel. Alsof hij met Hilmi wilde zeggen: ‘Kijk, zo zitten wij in elkaar!’

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Grossmans romans Het leven speelt met mij, Komt een paard de kroeg binnenUit de tijd vallen en Een vrouw op de vlucht voor een bericht.

 

Nog even blijven liggen. Er moet nog een heel lange weg worden afgelegd. Een hoop dingen die ik langzaam moet doen. Alle verbindingen verbreken, alle aanknopingspunten van herinneringen, en de ontstekers in gevaarlijke woorden onschadelijk maken. Maar ik sta niet op. Ik verroer geen vin. Doe alleen de ogen voorzichtig open, op een kier. Dat het licht er geen voet tussen krijgt. En vanuit hier hoor ik het zachte, geruststellende geluid. Het water dat de wanden van de ton raakt. Hilmi ligt zich daar te wassen en na te denken, en hij laat me een waterig slaapliedje horen.
Ik had al moeten opstaan en een besluit moeten nemen. Misschien kan het onheil, zoals dat heet, nog worden afgewend. Ik zou een aannemelijk excuus kunnen bedenken voor wat ik in Djoeni gedaan heb en dan stilletjes afdruipen, alles wissen. En misschien had ik ook meteen naar Tel Aviv moeten rijden, naar haar toe. Je moet zelf beslissen wat je doet met wat ik je allemaal verteld heb, zei ze zo tegen me. Je kunt me straffen of je kunt me helpen. Maar ik vluchtte als een laf kind. Maar ja, wat kon ik doen toen ze me al die dingen begon te vertellen? Een week geleden had ik haar nog kunnen helpen. Dat wil zeggen, toen ik haar geloofde. Sterker nog: ik had, zonder een woord tegen haar te zeggen, al lang besloten dat ze mijn immer-gelukkige vrouw zou zijn. Een soort levenstaak die ik op me had genomen. Zo moeilijk kan het toch niet zijn, dacht ik toen nog, om één persoon gelukkig te maken. Maar nu ik weet wat er echt gebeurd is, voelt het alsof iemand in één keer dat touw heeft doorgeknipt dat ik met moeite maar uiterst vastberaden heb voortgetrokken. En plotseling begrijp ik dat ook deze simpele taak die ik op me had genomen te zwaar is.
Daarom krijg je mij hier niet weg. Ik heb het goed hier. In de grot, met de geur van stro; hier hoor ik meer thuis. Altijd al. Een transparante oude man en een overhangende wijnstok. Een plek waar gezwegen mag worden. In Djoeni wachten mij mensen en woorden, en veel woede en excuses.
Weet je, Sjosj, misschien is dit wel het moment waarop het afremmen begint. Je hebt er altijd op zitten loeren. Je maakte je kwaad over mijn 'kwaadaardig optimisme'. Volgens mij dacht je dat ik je uitlachte als ik je beloofde dat het goed zou komen. Met ons. Dat het alleen een schaduw was die boven ons voorbijtrok en dat we samen zouden blijven en het goed zouden hebben ook, want het kon anders niet.
Lul die ik ben. Zoals ik al die tijd mijn best heb gedaan om te geloven. Zoals ik mezelf wist te overtuigen. Ik zei: 'Het zijn maar voorbijgaande crises.' Of: De ontwikkeling van een relatie hoeft niet altijd parallel te lopen. Ik zal je niet op je nek zitten. Ik ben er al achter dat we gewoon geboren zijn om samen te leven. Jij zal nog even aarzelen. Soms zul je mij met plotseling opkomende liefde overvallen, soms zul je je wanhopig terugtrekken: 'Het lukt ons nooit, Oer. We zijn te verschillend.'
En toch: drie jaar samen. Jij bepaalt het kader, en daarbinnen steel ik je. En het is heerlijk als jij je laat stelen en als je de 'verantwoordelijkheid voor ons tweeën' even wilt vergeten, en ook 'de verborgen regie'. Ach, wat kan het me schelen. Wat kan het me schelen als jij met die ingewikkelde onzin bezig bent. Uiteindelijk zul je toch bezwijken en je aan mij overgeven. Alleen moet je je eerst een beetje opvreten, tobben, je bent tenslotte de dochter van Avner. Zo dacht ik bij mezelf. Zo hield ik geduldig van je. Ik had nog nooit een vrouw gehad zoals jij. Zo wijs, nooit uit haar lood geslagen, en altijd een glimlach, en die strenge oprechtheid, en de zelfverzekerdheid...
Misschien heb ik je te veel in de gaten gehouden. Ik wou iedere beweging van jou bestuderen. Goed genoeg zijn. Ik vergat dat iedereen zijn donkere hoeken en zijn schaduwen nodig heeft, en ik was zoals altijd te gretig, ik liet me helemaal gaan, ik sloeg met mijn stomme kop alle tussenstadia over, we moesten al helemaal met elkaar vermengd zijn, en alle belangrijke dingen moesten gezegd worden.
Totdat jij weer tot jezelf kwam en zei dat het verbazingwekkend was hoe agressief zogenaamd zachtaardige mensen soms kunnen zijn. Of je stak me met een sarcastische opmerking, soms behoorlijk wreed, als ik te dicht bij je zwijgen kwam, en voerde dan met een glimlach - altijd met een glimlach - de 'wet op de onschendbaarheid van dromen en fantasieën' in, of je ontstak in woede en zei dat ik je met mijn adem verschroeide.
Hier, Sjosj, Neem dit moment als cadeau van me aan. Beledigd en gekwetst neem ik afstand van je. Op een gegeven moment, zei je met leedvermaak, een vreemd soort zelfleedvermaak (als er al zoiets bestaat), op een gegeven moment kom je erachter dat je karaktertrekken en de dingen die je hebt meegemaakt, en ook de een of andere vluchtige afwezigheid van gedachten, maar vooral, zei je, de vermoeidheid die zich in de aderen ophoopt, dat dit alles je teder maar vastberaden, als een slaapprik, naar een doodlopende straat leidt, naar een ranzige achterplaats waar in het donker, in de stank, zelfs jij, Oer, jezelf te lijf zult gaan, met haat, met ontblote tanden, en een vreemde zult worden.
En ik geloof dat dat moment er nu is. Ik spuw nog een beetje vuur, maar mijn vuur is koud geworden. Er liggen bij mij op de bodem nu brokken redeneringen en schillen van oude gevoelens. Ben je nu tevreden over me? Ik heb me altijd verbaasd over deze tegenstrijdigheid in je: het leven dat verstandig, precies volgens plan verloopt, en tegelijk de zekerheid dat alles op een dag uiteenbarst. En soms had ik de indruk dat je, hoe moet ik dat zeggen, dat je eigenlijk al erg zit te wachten op die ontploffing, om eindelijk te kunnen geloven in alles wat eraan was voorafgegaan. Verdomd, ik denk dat ik je ineens begrijp.
Dit rad is heel langzaam omgekeerd. Jij zei dat ik je gevangenhoud in mijn glimlachende droom. Nu blijkt dat ik juist een rol heb gespeeld in jouw droom. Het was een soort spelletje, Sjosj, en ik deed mee zonder het zelf te weten. Leugen-tikkertje heet dat spel, en de regels zijn hartstikke eenvoudig, echt kinderspel: als de leugen je tikt word jij de achtervolger. De achtervolgde. Je geeft de tik door aan de andere deelnemers. Je krijgt dus steeds uitdijende kringen van leugens, die dan vager, dunner worden: kringen van vergissing, van misverstand. Van vervreemding. Dan van wanhoop waar je niet over mag praten. Deze bacterie heeft vele vormen. En veel manieren om te misleiden en te ontwijken. Eén manier is om een jongen lief te hebben van wie je niet houdt en hem rustig te laten sterven als je geen zin meer hebt om je spelletje met hem te doen; een andere manier is geloven dat we helemaal niet hier leven, dat we niet met ons achterwerk aan deze vergiftigde grond vastzitten, maar dat we, zeg maar, pijnloos leven op de getekende kaart in de droom van Hilmi, de kaart die steeds door vier jongens naar de vier windstreken wordt uitgerold. En weer een andere manier is toelaten dat het kadaver van de ezel alle onschuldigen die in die steeg wonen verstikt, en weer een andere manier is om te leren de stank niet te ruiken.
Nu heb ik woorden, Sjosj. Sinds het moment dat ik in Andal ben aangekomen zie ik mezelf steeds duidelijker. De dampen in mij, waarvan je zei dat ze je verschroeiden, koelen hier in de grot af en worden kleine, heldere woordjes. En nu kan ik zeggen, Sjosj, dat ik niet alleen ben gekomen om Hilmi mee te delen dat Jazdi dood is, maar vooral om zijn wijsheid te leren, zijn kunst, hoe je de leugen zelf moet voorliegen. Met de waarheid.
Het is toch duidelijk: niet zijn grot, en ook niet zijn citroenboom of zijn wijnstok. Alleen de leugens. Alleen de blauwe tunnel op zijn rechterooglid die de dingen naar zijn hoofd doorsluist zoals ze niet geweest zijn. Kaan-ja-ma-kaan. De mensen in Andal zeggen dat Hilmi een idioot is. Misschien is hij dat wel, en misschien ben ik het ook omdat ik met hem in discussie ga. Die discussies hebben geen enkele zin, ze zijn precies als mijn discussies met Katzman. Net twee wurmen die elkaar op een vallende steen opvreten. En als ik met Katzman in discussie ga over de bezetting, dan antwoord ik met Hilmi, en tegenover Hilmi stel ik de juiste argumenten van Katzman. En zelf vlucht ik zo'n beetje tussen die twee soorten van gelijk.

 

© David Grossman
Vertaling © Shulamith Bamberger

pro-mbooks1 : athenaeum